Waarom de bevrijdingstheologie niets voor mij is
„O armen, onderdrukten,
Waarom staan jullie daar zonder te strijden?
De wereld der mensen moet worden veranderd!
Sta op, maak een eind aan jullie lijden!”
DAT trok mij aan in de beweging van de bevrijdingstheologie — de belofte van een verandering, zoals te kennen wordt gegeven in het bovenstaande refrein van een lied dat wij gewoonlijk zongen. Maar was mijn hoop op een wereldverandering gefundeerd?
Katholiek grootgebracht
Als kind van katholieke ouders werd ik „in de kerk” grootgebracht. Ik sloot mij aan bij het groepje misdienaars die de priester tijdens de mis hielpen. Op mijn zeventiende werd ik tot vertegenwoordiger van het groepje gekozen, en dit bracht mij in nauwer contact met de priesters. Het was fijn te horen waar zij over spraken en te lezen wat zij lazen. Vooral de boeken over de bevrijdingstheologie, waarin werd gesproken over het vooruitzicht dat de mensheid uiteindelijk van onderdrukking wordt bevrijd, vond ik interessant.
Hoe meer ik las en hoorde, hoe meer ik overtuigd raakte van de noodzaak dat de mensen deze dingen te weten kwamen en zich bewust werden van hun rechten. Ik was daarom opgetogen toen er in onze parochie een zogeheten basisgemeenschap werd gevormd. Basisgemeenschappen zijn groepen waarin de „pastorale zorg” voor de armen wordt gecombineerd met onderwijs en aansporingen tot politieke actie. Er zijn alleen al in Brazilië zo’n 70.000 basisgemeenschappen.
Het doel van deze gemeenschappen is geïnformeerde katholieken in onderwijscentra bijeen te brengen en bijeenkomsten te organiseren. Ik ontwierp en drukte protestaffiches en -spandoeken en nam leden van onze groep mee naar speciale missen in andere gemeenschappen en naar protestmarsen.
Het werk in de basisgemeenschappen
Enkele leden van ons centrum in Belém woonden in een laaggelegen, moerasachtig gebied waar zij alleen via een plankenpad hun huis konden bereiken. De stad was van plan de huizen te onteigenen en de bewoners naar een andere plek over te brengen en hen daarvoor schadeloos te stellen. Ik kreeg de opdracht de mensen te ontmoedigen om op het aanbod van de stad in te gaan en hen eraan te herinneren dat onze priester had gezegd dat als zij voet bij stuk hielden, de stad zou toegeven en hun behuizing zou verbeteren. Bijgevolg weigerden sommigen te verhuizen. Maar wat was het droevig te zien hoe brandweermannen hen met brandslangen uit hun huizen verdreven! Omdat ik vond dat ik te kort geschoten was tegenover de mensen van ons centrum, verhuisde ik naar een andere gemeenschap.
Rond deze tijd brak er een conflict uit over een stuk land, waarbij dertien bewoners, die daar illegaal waren neergestreken, en twee Franse priesters werden gearresteerd. Zowel de illegale bewoners als de priesters werden in afwachting van hun berechting naar Belém gebracht. Wij vonden hun arrestatie onrechtvaardig en spraken daarom af dat alle basisgemeenschappen in Belém gezamenlijk een vreedzame demonstratie voor het politiebureau zouden houden. Op een avond deden zelfs mijn zuster en grootmoeder met de anderen mee. Ons protest ging 24 uur per dag door omdat wij elkaar in ploegen aflosten en eindigde pas toen de gevangenen naar Brasília werden overgebracht om berecht te worden.
Er werden plannen gemaakt voor een demonstratie op de dag vóór de rechtszaak die de hele nacht zou doorgaan. Van dit plan moest echter worden afgeweken toen het leger arriveerde. De demonstratie werd toen elders gehouden, naast de kleine Heilige Drieëenheid Kerk. Toen er stoottroepen met traangasgranaten verschenen, stroomden wij allen de kerk binnen.
Bijna 2000 mensen zaten in de kerk opgepropt terwijl buiten 1200 manschappen stonden. Terwijl ik mij midden in het tumult bevond, vroeg ik mij af: ’Zijn deze mensen Gods volk? Dat moet wel, want zei Jezus niet: „Indien zij mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen”?’ — Johannes 15:20.
Tegen de avond kregen wij allemaal honger omdat wij de hele dag niets gegeten hadden. Er verscheen een bisschop die onze aandacht vroeg en zei: ’Broeders, wij kunnen het beste de kerk verlaten want er is geen water of elektriciteit en alleen God weet wat zij ons in de nacht zullen aandoen.’
Toen nam een prominente advocaat het woord en zei: ’Kameraden, wij leven in een democratie en zij zullen geen haar op ons hoofd krenken, daarom moeten wij hier blijven.’
Na veel over-en-weergepraat besloten de groepsleiders dat wij moesten vertrekken. De politie liet ons vreedzaam gaan.
Op zoek naar een antwoord op mijn vragen
Ik bleef in het centrum werken en op zeker moment besloot ik de kinderen in onze groep te onderwijzen met gebruikmaking van het boek Naar de Grote Onderwijzer luisteren, dat mijn grootmoeder mij in 1974 had gegeven. Het boek sprak over goed gedrag, gehoorzaamheid aan de autoriteiten en de onjuistheid van het gebruik van beelden. Maar hoe kon ik deze op de bijbel gebaseerde leringen verenigen met wat wij deden?
Dit leidde ertoe dat ik mij uit de basisgemeenschap terugtrok. Ik had heel wat vragen die om een antwoord vroegen. Bijvoorbeeld: Als degenen die de bevrijdingstheologie ondersteunen het ware volk van God zijn, waarom houden zij zich dan niet aan Jezus’ hoge morele maatstaven? En: God gebruikte Mozes om de onderdrukte Israëlieten uit Egypte te leiden, maar waarom vergeten sommige politici de onderdrukten dan te bevrijden als zij eenmaal een positie van autoriteit hebben verkregen?
Zes maanden later klopte er een dame bij mij aan en begon over Gods koninkrijk te spreken. Zij was een zendelinge van Jehovah’s Getuigen. Na een kort gesprek gaf zij mij het boek Maak je jeugd tot een succes. Mettertijd werd er een bijbelstudie met mij begonnen en kreeg ik de uitnodiging een vergadering in de Koninkrijkszaal bij te wonen. Toen ik later naar huis terugkeerde, dacht ik na over het verschil tussen die bijeenkomst en de bijeenkomsten die ik in het centrum had bijgewoond. In de Koninkrijkszaal werd niet gerookt of gedronken en er werden geen obscene moppen verteld.
Tegen deze tijd bezocht ik een door de Katholieke Kerk georganiseerde cursus met als thema „Geloof en politiek”. Daar werd uitgelegd dat geloof en politiek twee zijden van hetzelfde muntstuk waren. Een christen die geloof heeft, zo werd beweerd, moet politiek actief zijn en moet zich de bevelen van de regering niet zo maar laten welgevallen. Maar ik werd getroffen door een opmerking van een kameraad. „Dan komt de apostel Paulus en veegt alles van tafel”, zei hij.
„Wat bedoel je, Demetrius?” vroeg ik.
„Dat begrijp je toch niet”, antwoordde hij. „Vergeet het maar.”
Maar ik wilde het begrijpen en het niet zo maar vergeten, en daarom besloot ik mijn bijbelstudie met Jehovah’s Getuigen serieuzer op te vatten en te proberen erachter te komen.
De bevrijdingstheologie en de bijbel
Tijdens een vergadering in de Koninkrijkszaal behandelde de spreker Romeinen 13:1, 2, waar staat dat ’iedere ziel onderworpen moet zijn aan de superieure autoriteiten en dat de bestaande autoriteiten door God in hun relatieve posities zijn geplaatst. Wie zich daarom tegen de autoriteit verzet, heeft zich tegen de regeling van God gesteld.’
Ik dacht: ’Daar had Demetrius het over! Hiermee veegt de apostel Paulus alle argumenten ten gunste van de bevrijdingstheologie van tafel. Het is verkeerd als christenen de regeringsautoriteiten tegenstaan.’
Ik vernam ook dat de bijbel wijst op de werkelijke remedie die de mensheid van onderdrukking kan bevrijden — Gods Koninkrijksregering in handen van zijn Koning, Christus Jezus. Aangezien alleen Jehovah’s Getuigen deze Koninkrijksregering prediken, nam ik mij voor hen in hun predikingswerk te vergezellen. Al gauw werd ik gedoopt en werd ik pionier, zoals volle-tijdbedienaren van Jehovah’s Getuigen worden genoemd, en sinds augustus 1985 heb ik als speciale pionier gediend. Later trouwde ik met een pionierster en nu staan wij samen in de volle-tijddienst.
Ik ben Jehovah God heel dankbaar voor het feit dat ik ’de waarheid die vrijmaakt’ heb leren kennen en voor het voorrecht anderen te kunnen helpen zich van valse ideologieën te bevrijden (Johannes 8:32). Onder degenen die ik geholpen heb, waren twee kameraden die in het katholieke centrum met mij samenwerkten, alsook mijn zuster en mijn grootmoeder. Net zoals ik zien zij nu in waarom de bevrijdingstheologie niet de werkelijke oplossing voor de problemen van de armen is. — Zoals verteld door Átila Monteiro Carneiro.
[Illustratie op blz. 9]
Ik trachtte tevergeefs de levensomstandigheden van de armen in Belém te verbeteren
[Illustratie op blz. 10]
Mijn vrouw en ik maken de armen de boodschap van ware bevrijding bekend