Het vroege christendom geen kwestie van toeval
IN DE eerste eeuw waren er goden in overvloed en goden naar ieders smaak. Van de wieg tot het graf zagen de burgers van het Romeinse Rijk naar goden en godinnen op voor bijstand en bescherming.
Cuba zorgde voor de pasgeboren baby en Ossipago sterkte de botten van de peuter. Adeona leidde zijn eerste stapjes en Fabulinus leerde hem spreken. In de strijd zou hij worden beschermd door Mars. In geval van ziekte zou Aesculapius voor hem zorgen. Als hij stierf, zou Orcus, de god van de onderwereld, over hem waken.
Iedere belangrijke stad en stam kon zich beroemen op een beschermgod en dagelijks werd er wierook geofferd aan de Romeinse keizer, die zelf als een vleesgeworden god werd beschouwd. Oosterse godheden waren in de mode en er werden tempels opgericht ter ere van Mithras, Isis en Osiris. Zelfs de joden, die beleden de onzichtbare almachtige God te aanbidden, waren hopeloos verdeeld in talrijke religieuze sekten.
Op dat moment in de geschiedenis, te midden van al die religieuze verwarring, verscheen Jezus Christus. Hij onderwees iets nieuws: een universele religie die boven raciale en nationale verschillen uitsteeg; een religie gebaseerd op de waarheid omtrent de almachtige God, de waarheid die mensen kon bevrijden van slavernij aan bijgeloof en onwaarheid (Johannes 8:32). Hij verklaarde tegenover Pilatus: „Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen van de waarheid” (Johannes 18:37). Hoe volbracht hij deze enorme taak?
Prediken tot „de armen van geest”
Er is wel gezegd dat er in de grond twee methoden zijn om op grote schaal mensen te bekeren. Eén manier is tot de bevolking in het algemeen te prediken en dan van het gewone volk omhoog te werken. Een andere methode is zich op de elite te richten, of zelfs op personen aan de top van de elite, en dan met aanwending van autoriteit of geweld naar beneden te werken. Deze laatste methode, die zo geliefd was bij katholieke, protestantse en orthodoxe kerken, werd door Jezus en zijn volgelingen zelfs niet overwogen.
Toen Jezus met zijn openbare bediening begon, verklaarde hij dat hij zijn aandacht zou richten op „de armen van geest”, of letterlijk, de „bedelaars om de geest”. Dit waren de nederige mensen die hongerden naar rechtvaardigheid, die „zich bewust [waren] van hun geestelijke nood”. — Matthéüs 5:3, King James Version; Nieuwe-Wereldvertaling, Studiebijbel, voetnoot.
Toen Jezus’ apostelen van een predikingscampagne terugkwamen, zei Christus daarom: „Ik loof u in het openbaar, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat gij deze dingen voor de wijzen en intellectuelen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard” (Matthéüs 11:25). Het predikingswerk werd voor het grootste deel verricht in Galiléa, de streek waar eenvoudige vissers en boeren woonden, in plaats van in Judéa, het bolwerk van de Farizeeën en joodse aristocraten.
Jezus zelf kwam uit Nazareth, een klein dorpje dat nooit iemand van betekenis had voortgebracht. „Kan uit Nazareth iets goeds komen?” vroeg Nathanaël (Johannes 1:46). Maar de dingen die hij hoorde en zag, hielpen hem dit regionale vooroordeel te overwinnen omdat hij een open geest had. De hooghartige Farizeeën pochten daarentegen: „Heeft soms een van de regeerders of van de Farizeeën geloof in hem gesteld?” — Johannes 7:48.
Het christelijke geloof was geen kwestie van toeval
Jezus’ doel was het hart te bereiken en de geest te overtuigen. Hij leerde zijn discipelen te zoeken naar mensen die het waard waren en zo lang in hun huis te blijven totdat zij oprechte gelovigen waren geworden — als zij dat wensten. Enkele bewoners van een Samaritaans dorp die naar Christus’ onderwijs luisterden, zeiden: „Wij hebben het zelf gehoord en wij weten dat deze man stellig de redder der wereld is.” — Johannes 4:42.
Een ieder die tot het christendom werd bekeerd, moest een weloverwogen keuze maken na te hebben geluisterd en gemediteerd over wat hij had gehoord. Hij moest een krachtige overtuiging bezitten omdat hij tegenstand te verduren zou krijgen. Alle vroege discipelen werden uit de synagoge geworpen, wat betekende dat zij door de plaatselijke gemeenschap werden doodverklaard.
Bovendien voelde elke discipel zich verplicht zijn nieuwe geloof te verdedigen en het met anderen te delen. Celsus, een tweede-eeuwse criticus van het christendom, liet zich er spottend over uit dat „arbeiders, schoenmakers, boeren, de slechtst onderrichte en meest onbeschaafde mensen, ijverige predikers van het Evangelie zouden moeten zijn”. — Vergelijk Johannes 9:24-34.
Deze bekeringsmethode, gepaard aan de bekeringsdrang van de discipelen, resulteerde in een snelle verbreiding van het christendom. Al gauw was het in plaats van een regionale, een internationale religie. Jezus had zijn volgelingen specifiek opgedragen te prediken „tot de verst verwijderde streek der aarde”. — Handelingen 1:8.
Het is waar dat de eerste discipelen joods waren en dat de eerste bekeringen in overeenstemming met Gods voornemen onder joden plaatsvonden. Jeruzalem werd het centrum waar de apostelen bijeenkwamen om leiding te geven aan de pasopgerichte kerk. Om die reden werden de christenen door mensen uit de eerste eeuw vaak ten onrechte voor joden uitgemaakt, hoewel de joden de vurigste vervolgers van de christenen waren. En een Romeinse historicus schreef het christendom af als een schadelijk bijgeloof.
Petrus verklaarde voordat hij de eerste niet-jood doopte: „Ik bemerk zeer zeker dat God niet partijdig is, maar in elke natie is de mens die hem vreest en rechtvaardigheid beoefent, aanvaardbaar voor hem” (Handelingen 10:34, 35). Door de ijver van de christenen, aangewakkerd door een onwrikbaar geloof, werd de boodschap van Christus dus in het hele Romeinse Rijk verbreid. Vervolging kon deze christenen niet uitroeien, en velen stierven omdat zij deze religie van hun keuze niet wilden afzweren. Hun enthousiasme en toewijding staan lijnrecht tegenover de apathie in de twintigste-eeuwse christenheid.
Kan het zijn dat deze geest thans ontbreekt doordat relatief weinigen hun religie bewust hebben gekozen? Als u religie nog altijd belangrijk vindt, moedigen wij u aan het volgende artikel met aandacht te lezen.
[Illustraties op blz. 6]
In het oude Rome werden vele goden aanbeden, zoals Mars, de god van de oorlog; Jupiter, de Romeinse hoofdgod; en Aesculapius, de god van de geneeskunde
Mars
[Verantwoording]
Tekening naar het origineel in de Mansell-collectie
Jupiter
[Verantwoording]
Tekening naar het origineel in het British Museum
Aesculapius
[Verantwoording]
Tekening naar het origineel in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene