Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g87 22/10 blz. 24-27
  • De Amerikaanse grondwet en Jehovah’s Getuigen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De Amerikaanse grondwet en Jehovah’s Getuigen
  • Ontwaakt! 1987
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De rechten van afzonderlijke personen gewaarborgd
  • Predikers of venters?
  • De vlaggegroet
  • De bijdragen van de Getuigen
  • De Bill of Rights — Waarom was ze nodig?
    Ontwaakt! 1991
  • „Het verdedigen en wettelijk bevestigen van het goede nieuws”
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Deel 19: Christelijke neutralisten in Amerika tijdens de 2de Wereldoorlog
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1956
  • De historische ontwikkeling van de vrijheid van meningsuiting
    Ontwaakt! 1996
Meer weergeven
Ontwaakt! 1987
g87 22/10 blz. 24-27

De Amerikaanse grondwet en Jehovah’s Getuigen

Het jaar 1987 is het jaar van de 200ste verjaardag van de Amerikaanse grondwet. De aandacht die aan dit tweehonderdjarig bestaan wordt besteed, herinnert Jehovah’s Getuigen in de Verenigde Staten en over de hele wereld aan de strijd die zij in dat land hebben gevoerd ten gunste van het verdedigen en wettelijk bevestigen van hun recht om hun religieuze zienswijzen te verbreiden.

WAT betekent de grondwet voor u? Ter illustratie: Stel dat u in uw omgeving op straat en van huis tot huis gedrukte informatie wilt verspreiden die naar uw mening van belang is voor de mensen. Maar als u nu te horen zou krijgen dat het distribueren van zulk materiaal een overtreding was van wetten die ten doel hebben de openbare vrede en de goede orde te waarborgen? Of stel dat u hier toestemming voor zou moeten vragen en de autoriteiten u die niet zouden verlenen? Of dat u een vergunning zou moeten kopen terwijl dat voor u een financiële last zou zijn?

Dit was de positie waarin Jehovah’s Getuigen in de jaren ’30 en ’40 verkeerden. Zij wilden drukwerk verspreiden dat hun religieuze zienswijzen bevatte. In veel gemeenschappen werden echter plaatselijke wetten en verordeningen gebruikt om hen hierin te belemmeren. Zij beriepen zich derhalve op de Amerikaanse grondwet die vrijheid van meningsuiting en van drukpers garandeert. Maar om zich van deze grondwettelijke rechten te verzekeren, moesten zij zulke zaken voor de rechtbanken brengen. Laten wij eens bekijken hoe de grondwet de rechten van afzonderlijke personen garandeert.

De rechten van afzonderlijke personen gewaarborgd

Net als een blauwdruk vormt een grondwet een tekening aan de hand waarvan men zich richt op het verwezenlijken van een doel — in dit geval het regeren over een volk. Zoals wordt verklaard in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring roepen mensen regeringen in het leven om voor degenen die worden geregeerd, bepaalde „onvervreemdbare rechten” te waarborgen.

De inleiding op de Amerikaanse grondwet neemt dit thema op en verklaart dat de grondwet werd ingesteld en bevestigd om „de zegeningen van vrijheid” voor het volk zeker te stellen. Het uiteindelijke ontwerp voor de grondwet werd in de Independence Hall in Philadelphia (Pennsylvania) voltooid op 17 september 1787. Het opmerkelijke van deze grondwet is dat ze de oudste geschreven grondwet is die nog steeds in werking is.

De Amerikaanse grondwet is vermaard om haar wantrouwen van een regering met een te grote macht en om het feit dat ze de vrijheden van individuele personen uittilt boven iedere overheidsinmenging. Een van de bekendste kenmerken van de grondwet is dat ze vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van drukpers waarborgt. Deze vrijheden waren niet opgenomen in de grondwet zoals die oorspronkelijk was opgesteld en geratificeerd. Ze werden in 1791 toegevoegd als de eerste van tien aanvankelijke amendementen, beter bekend als de Bill of Rights.

De vrijheden die expliciet in de Bill of Rights worden genoemd, zijn rechten die de individuele personen toebehoren en noch afhankelijk zijn van goedkeuring van regeringswege noch onderworpen aan overheidsbeperkingen. Waarom zouden mensen dan via rechtszaken voor hun rechten moeten strijden? Omdat wetgevende lichamen, handelend naar wat zij bezagen als het belang van de meerderheid, soms wetten hebben aangenomen die deze rechten beknotten.

Een federale rechtbank in de Verenigde Staten merkte in dit verband op: „Men heeft altijd al ingezien dat de tirannie van meerderheden over de rechten van individuele personen of hulpeloze minderheden een van de grote gevaren is van een volksregering.” Welnu, aan zo’n tirannie moesten Jehovah’s Getuigen in de Verenigde Staten gedurende de jaren ’30 en ’40 het hoofd bieden.

Predikers of venters?

Toen de Tweede Wereldoorlog naderde, kreeg de openbare predikingsactiviteit van Jehovah’s Getuigen veel tegenstand te verduren. Plaatselijke verordeningen die van colporteurs en venters vergunningen vereisten, werden ten onrechte op het predikingswerk van de Getuigen toegepast. In het besef dat een dergelijke toepassing van zulke wetten hun constitutionele rechten geweld aandeed, vochten de Getuigen deze verordeningen aan door met hun predikingswerk door te gaan zonder eerst een vergunning te vragen (Markus 13:10; Handelingen 4:19, 20). Dit had tot gevolg dat veel Getuigen werden gearresteerd.

Als de lagere rechtbanken hen in het ongelijk stelden, betaalden de Getuigen geen boete maar zaten een gevangenisstraf uit. Zij bleven in beroep gaan, tot de hoogst mogelijke instanties, ten einde een bolwerk van gunstige beslissingen op te bouwen dat deze ongrondwettelijke inmenging in hun werk een halt zou toeroepen. In de loop der tijd werden herhaaldelijk zulke verordeningen door het Amerikaanse hooggerechtshof nietig verklaard als zijnde ongrondwettelijk op zich of in hun toepassing, en werden de veroordelingen van Jehovah’s Getuigen herroepen.

Naast de bepalingen inzake vergunningen vormden ook de wetten die de belastingheffing op vergunningen regelden, een middel dat werd gebruikt om het predikingswerk van Jehovah’s Getuigen te belemmeren. De Getuigen, die een dergelijke belasting bezagen als een wereldlijke inbreuk op de door God opgedragen predikingsactiviteit, weigerden die te betalen. Opnieuw werden veel Getuigen gearresteerd, en opnieuw besliste het hooggerechtshof ten gunste van vrijheid van meningsuiting en godsdienst.

Het hof verklaarde dat het privilege vrijelijk religieuze leringen te verspreiden door middel van de gedrukte bladzijde „los staat van het gezag van de afzonderlijke staten. De federale grondwet geeft mensen die waarborg.” Eenvoudig gezegd, de staat kon niet wegnemen wat de grondwet reeds gegeven had.

De vlaggegroet

Jehovah’s Getuigen zijn gezagsgetrouwe burgers die niets oneerbiedigs in de zin hebben wanneer zij weigeren de vlag van welk land maar ook te groeten. De Getuigen geloven dat hun voornaamste toewijding en trouw hun God en Maker, Jehovah, toekomen (Lukas 4:8). Volkomen trouw zweren aan welk aards gezag maar ook, zou erop neerkomen dat zij wereldlijke belangen vóór geestelijke belangen stellen (Handelingen 5:29). Ondanks deze oprechte beweegreden is de weigering van de Getuigen om de vlag te groeten vaak verkeerd opgevat en gebruikt als een grond voor vervolging.

Toen de Tweede Wereldoorlog naderde, kondigden de plaatselijke schoolbesturen en staatsoverheden in de Verenigde Staten verplichte vlaggegroetceremoniën af ter bevordering van de nationale eenheid en veiligheid. Hoewel deze vereiste vlaggegroet algemeen werd gesteund, weigerden Jehovah’s Getuigen standvastig ten aanzien van hun op de bijbel gebaseerde beginselen te schipperen.

In een beschouwing van deze gang van zaken erkende het Amerikaanse hooggerechtshof dat hoewel schoolbesturen ongetwijfeld belangrijke beslissingsbevoegdheden bezaten, deze toch uitgeoefend moesten worden binnen het raamwerk van de grondwet. Een schoolbestuur bezat niet de vrijheid om inbreuk te maken op de fundamentele constitutionele rechten die voor het individu waren gewaarborgd. Het hooggerechtshof besliste derhalve dat de ideeën die schoolbesturen hebben over methoden waarmee respect voor de vlag en het nationale erfgoed wordt ingeprent, niet het constitutionele recht van de leerling van gewetensvrijheid in religieuze aangelegenheden teniet mogen doen.

Het hooggerechtshof was zich terdege bewust van de ernst van zijn beslissing gezien de nationale oorlogsinspanningen die toen gaande waren. Maar het hof onttrok zich niet aan zijn plicht en verklaarde dat onder de Amerikaanse grondwet de „vrijheid om ergens een andere mening over te hebben niet beperkt is tot dingen die van weinig belang zijn. Dat zou slechts een schijnvrijheid zijn. De test op de deugdelijkheid ervan is het recht om anders te denken over dingen die de kern raken van de bestaande orde.”

Het hooggerechtshof besloot zijn beslissing inzake de vlaggegroetkwestie met de volgende verklaring: „Als er één vaste ster is aan ons constitutionele firmament, is dat wel het feit dat geen functionaris, hoog of laag, kan voorschrijven wat als orthodox zal gelden in de politiek, in nationalisme, religie of in andere kwesties waarover van mening kan worden verschild, of burgers kan dwingen door woord of daad hun geloof daarin te belijden.”

De bijdragen van de Getuigen

In totaal hebben Jehovah’s Getuigen 23 maal succes gehad met een beroep op het hooggerechtshof. Zij hebben een enorme bijdrage geleverd aan de grondwettelijke jurisprudentie van de Verenigde Staten, zoals is opgemerkt door veel rechtsgeleerden. En dat zou niet mogelijk zijn geweest als Jehovah’s Getuigen niet bereid waren geweest smaad, afranselingen en gevangenisstraffen te ondergaan terwijl zij zich beijverden hun God te gehoorzamen.

Dat de constitutionele rechten van godsdienstvrijheid, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van drukpers zijn bevorderd en duidelijker zijn omschreven wegens de volharding van de Getuigen, is slechts een uitvloeisel van het hogere oogmerk van de Getuigen, namelijk om Jehovah in harmonie met zijn Heilige Woord te dienen.

Jehovah’s Getuigen zijn dankbaar voor het voorrecht de Soeverein van het Universum, Jehovah God, te dienen, en zij hebben vele middelen gebruikt, met inbegrip van de bescherming waarin is voorzien in de 200 jaar oude Amerikaanse grondwet, om dat doel te bereiken.

[Kader op blz. 27]

De grondwet ondersteunt opnieuw de Getuigen

Op 10 juni 1987 beslisten de gerechtshoven opnieuw op grondwettelijke gronden ten gunste van religieuze vrijheid voor Jehovah’s Getuigen. Zoals bericht in „The New York Times” heeft het Amerikaanse hof van beroep voor het Negende District beslist dat de vrijheid om in harmonie met hun religieuze overtuigingen te handelen „door de maatschappij in harmonie met de grondwet moet worden getolereerd ’als een prijs die beslist niet te hoog is voor de bescherming van het recht van religieuze verschillen dat alle burgers genieten’”. De zaak betrof het recht van de Getuigen om te gehoorzamen aan het bijbelse gebod om iemand die „niet blijft in de leer van de Christus”, ’nimmer in uw huis te ontvangen en ook geen groet tot hem te richten’. — 2 Johannes 9-11.

[Illustratie op blz. 25]

Independence Hall (Philadelphia) waar de grondwet werd geformuleerd

[Verantwoording]

Philadelphia Convention and Visitors Bureau

[Illustratie op blz. 26]

De originele grondwet wordt in de Nationale Archieven bewaard

[Verantwoording]

U.S. National Archives

[Illustratieverantwoording op blz. 24]

Architect of the Capitol, Washington D.C.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen