Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g87 8/10 blz. 23-27
  • De Spaanse inquisitie — Hoe kon het gebeuren?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De Spaanse inquisitie — Hoe kon het gebeuren?
  • Ontwaakt! 1987
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • „Tot meerdere eer van God”
  • De inquisitie — de weg tot eenheid?
  • Torquemada — de beruchtste inquisiteur
  • De inquisitie en de bijbel
  • Het ware gezicht van de inquisitie
  • Harten en geesten niet gewonnen
  • Heiligt het doel de middelen?
  • Christelijke oorlogvoering — om de geest van anderen
  • De verschrikkelijke inquisitie
    Ontwaakt! 1986
  • De berechting en terechtstelling van een „ketter”
    Ontwaakt! 1997
  • De Katholieke Kerk in Spanje — Misbruik van de macht
    Ontwaakt! 1990
  • De inquisitie in Mexico — Wat heeft er plaatsgevonden?
    Ontwaakt! 1994
Meer weergeven
Ontwaakt! 1987
g87 8/10 blz. 23-27

De Spaanse inquisitie — Hoe kon het gebeuren?

Door Ontwaakt!-correspondent in Spanje

OP 5 JUNI 1635 kreeg Alonso de Alarcón te horen dat er een arrestatiebevel tegen hem was uitgevaardigd. Zijn betuigingen van onschuld werden genegeerd. Hij werd naar de gevangenis gebracht en kreeg eenzame opsluiting. Driemaal werd hij „uitgenodigd” om zijn zonden te bekennen, maar hij hield aan zijn onschuld vast.

Op 10 april 1636 werd hij gemarteld op de pijnbank totdat hij het bewustzijn verloor. Op 12 oktober werd hij veroordeeld tot 100 zweepslagen en voor zes jaar verbannen.

„Tot meerdere eer van God”

Alonso was een wever in de Spaanse stad Toledo (hierboven afgebeeld), vader van drie dochters, en aan één zijde verlamd. Zijn eigen arts had de ondervragers meegedeeld dat hij zonder gevaar kon worden gemarteld — tenminste, aan de kant die niet verlamd was. Alonso was een slachtoffer van de Spaanse inquisitie.

Zijn misdaad? Hij werd ervan beschuldigd op vrijdag vlees te hebben gegeten (het duidde erop dat hij joodse sympathieën koesterde) en van godslastering tegen de Heilige Maagd (hij zou hebben verklaard dat een van zijn dochters meer maagd was dan Maria). Zijn aanklager was de plaatselijke priester.

Theologen bestudeerden de zaak en beslisten dat de beschuldigingen tegen hem een duidelijk bewijs vormden van ketterij. De hele procedure maakte er aanspraak op ad majorem Dei gloriam (tot meerdere eer van God) te zijn, hoewel Alonso en de ongeveer 100.000 anderen die door de inquisitie zijn berecht, dat niet in dat licht zagen.

Het is niet verwonderlijk dat de Spaanse inquisitie synoniem is geworden met religieuze onderdrukking en fanatisme. Zelfs het woord „inquisitie”, dat eerst gewoon „navraag doen” betekende, heeft nu de bijklank van marteling, onrechtvaardigheid en een onbarmhartige minachting voor mensenrechten. Hoe is zo’n onderdrukkend systeem tot bestaan gekomen? Wat waren de doelstellingen ervan? Kan het worden gerechtvaardigd als een „noodzakelijk kwaad”?

De inquisitie — de weg tot eenheid?

In de 13de eeuw stelde de Katholieke Kerk in Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje de inquisitie in. Het voornaamste doel ervan was andersdenkende religieuze groeperingen welke door de geestelijkheid als een gevaar voor de kerk werden bezien, uit te roeien. Na het verdwijnen van deze groeperingen nam de invloed van deze van de kerk uitgaande inquisitie af, maar het precedent zou twee eeuwen later voor veel Spanjaarden afschuwelijke gevolgen hebben.

In de 15de eeuw overwonnen de katholieke vorsten Isabella en Ferdinand de laatste islamitische Moren die gedurende acht eeuwen een groot deel van Spanje hadden bezet. Deze vorsten zochten naar wegen om een nationale eenheid te smeden. Religie werd een geschikt werktuig bevonden om dat doel te bereiken.

In september 1480 werd de inquisitie in Spanje opnieuw ingesteld, maar de drijvende kracht erachter was de staat. Het doel was de „zuivering van de natie en de eenheid van het geloof”. De katholieke heersers van Spanje overreedden paus Sixtus IV om een bul uit te vaardigen die hen zou machtigen de inquisiteurs te benoemen die tot taak hadden ketterij te onderzoeken en te straffen. Daarna financierde de staat de inquisitie en stelde de procedures vast die moesten worden gevolgd. Dit betekende het begin van een campagne die ten doel had de natie strikte religieuze gelijkvormigheid op te leggen. Het instituut werkte voornamelijk via dominicaner en franciscaner monniken, maar stond onder toezicht van het vorstenhuis.

Dit was een huwelijk uit berekening tussen kerk en staat. De kerk wilde de dreiging uitroeien die ze bespeurde in de duizenden Spaanse joden en Moren die onder dwang tot het katholicisme waren bekeerd, maar die ervan werden verdacht nog steeds hun voormalige geloof te beoefenen. Later zou ze hetzelfde apparaat gebruiken om de protestantse groeperingen uit te roeien die in de volgende eeuw verschenen.

De inquisitie bleek ook een krachtig wapen voor de staat. Ze drukte opstand de kop in, leverde een aanzienlijk inkomen op door de in beslag genomen bezittingen van de slachtoffers, en concentreerde de macht in handen van het koninklijk huis. Meer dan drie eeuwen lang legde dit vrees inboezemende instituut het Spaanse volk zijn wil op.

Torquemada — de beruchtste inquisiteur

In 1483, drie jaar na de opleving van de inquisitie in Spanje, werd Tomás de Torquemada, een dominicaner monnik en ironisch genoeg zelf van joodse afkomst, aangesteld als de inquisiteur-generaal. Zijn wreedheid jegens degenen die van ketterij werden verdacht, was ongeëvenaard. Hij werd er door paus Sixtus IV voor geprezen dat hij zijn „ijver richtte op die zaken die bijdragen tot de verheerlijking van God”.

Later trachtte paus Alexander VI, geschrokken van Torquemada’s excessen, diens macht in te dammen door nog twee andere inquisiteurs-generaal aan te stellen. Dit baatte echter niet veel. Torquemada bleef ermee voortgaan algehele autoriteit uit te oefenen en gedurende zijn ambtstermijn bracht hij op zijn minst 2000 mensen op de brandstapel — „een verschrikkelijk brandoffer aan het beginsel van onverdraagzaamheid”, aldus The Encyclopædia Britannica. Duizenden vluchtten naar het buitenland, terwijl talloze anderen gevangenisstraf en martelingen ondergingen en hun bezittingen door confiscatie kwijtraakten. Klaarblijkelijk was Torquemada ervan overtuigd dat zijn werk Christus’ belangen diende. De kerkelijke leer rechtvaardigde inderdaad zijn daden.a

De bijbel waarschuwt echter dat religieuze ijver verkeerd gericht kan zijn. In de eerste eeuw beschreef Paulus joden die christenen vervolgden, als personen met „ijver voor God . . . maar niet overeenkomstig nauwkeurige kennis” (Romeinen 10:2). Jezus voorspelde dat verkeerd gerichte ijver zulke mensen er zelfs toe zou brengen onschuldigen te doden, in de veronderstelling verkerend „God een heilige dienst te hebben bewezen”. — Johannes 16:2.

Torquemada’s werkwijze illustreert goed welke tragische gevolgen ijver kan hebben wanneer die verhard is door vooroordeel in plaats van getemperd door liefde en nauwkeurige kennis. Zijn methode was niet de christelijke manier waarop eenheid in het geloof wordt bereikt.

De inquisitie en de bijbel

Wegens de inquisiteurs was het voor Spanjaarden eeuwenlang haast onmogelijk om de bijbel in hun landstaal te lezen. Louter het bezit van een bijbel in de landstaal werd door de inquisiteurs als ketters beschouwd. In 1557 verbood de inquisitie bijbelvertalingen in welke in Spanje gesproken taal maar ook. Talloze bijbels werden verbrand.

Pas in 1791 werd er ten slotte in Spanje een Spaanse bijbel gedrukt, gebaseerd op de Latijnse Vulgaat. Met de eerste volledige bijbelvertaling uit de oorspronkelijke talen, de Nacar-Colunga-bijbel, zou de Spaanse kerk pas in 1944 komen.

Hoe ver de macht van de inquisitie in dit verband reikte, kan worden gezien in het feit dat zelfs handgeschreven Romaanse (vroeg-Spaanse) bijbels in ’s konings persoonlijke bibliotheek, El Escorial, door de inquisiteurs-generaal werden geïnspecteerd. Nog steeds kan men de waarschuwing „verboden” op de schutbladen van sommige van deze werken zien.

Misschien is het vele eeuwen durende verbod op de bijbel in Spanje wel een factor geweest die ertoe heeft bijgedragen dat de hedendaagse Spanjaarden zo veel belangstelling voor de bijbel hebben. Velen bezitten nu een bijbel en hebben het oprechte verlangen om te weten te komen wat hij werkelijk leert.

Het ware gezicht van de inquisitie

Een onvermijdelijk gevolg van de inquisitie was dat hebzucht en achterdocht werden aangekweekt. Paus Sixtus IV klaagde dat de inquisiteurs meer op goud belust waren dan dat zij ijver voor religie hadden. Iedere rijke liep gevaar aangegeven te worden, en hoewel hij tijdens het inquisitoriaal onderzoek ’met de kerk verzoend’ kon worden, werden zijn bezittingen hoe dan ook geconfisqueerd.

Anderen werden postuum berecht, en hun erfgenamen werden zonder een cent achtergelaten, soms op basis van tips van anonieme informanten die een percentage van de verbeurdverklaarde rijkdommen zouden ontvangen. Het wijdverbreide gebruik van spionnen en tipgevers schiep een klimaat van vrees en achterdocht. Vaak werd marteling toegepast om de namen te verkrijgen van „medeketters”, wat resulteerde in de arrestatie van veel onschuldige mensen op grond van de onbenulligste „bewijzen”.

Sterke antisemitische verdenkingen leidden tot andere uitwassen. Elvira del Campo uit Toledo werd bijvoorbeeld in 1568 in staat van beschuldiging gesteld omdat zij op zaterdag schone kleren had aangetrokken en omdat zij geen varkensvlees at, hetgeen werd bezien als heimelijke beoefening van het judaïsme. Onbarmhartig gemarteld op de pijnbank, smeekte zij: „Mijne heren, waarom vertelt u mij niet wat u wilt dat ik zeg?” Tijdens een tweede foltering moest zij bekennen dat zij geen varkensvlees vermeed wegens haar gevoelige maag, maar veeleer door haar joodse sympathieën.

Harten en geesten niet gewonnen

Er werden echter moedige stemmen van protest gehoord, zelfs toen de inquisitie zich op het hoogtepunt van haar macht bevond. Elio Antonio de Nebrija, toentertijd een van de prominentste geleerden, werd bij de inquisitie aangegeven omdat hij de tekst van de Latijnse Vulgaat wilde verbeteren. Hij protesteerde: „Moet ik worden verplicht te verklaren dat ik niet weet wat ik wel weet? Wat voor slavernij of wat voor macht is zo despotisch als deze?” Luis Vives, een andere geleerde wiens hele familie door de inquisitie was uitgeroeid, schreef: „Wij leven in moeilijke tijden waarin wij niet zonder gevaar kunnen spreken noch ons stil kunnen houden.”

In het begin van de 19de eeuw verklaarde Antonio Puigblanch, een Spaanse schrijver en politicus die campagne voerde voor de afschaffing van de inquisitie: „[Als de] inquisitie een kerkelijk tribunaal is, is haar meedogenloosheid onverenigbaar met de geest van zachtaardigheid waardoor de bedienaren van het evangelie zich zouden moeten onderscheiden.” Zelfs vandaag nog kost het veel oprechte katholieken moeite zich te verzoenen met de rol die de kerk bij de inquisitie heeft gespeeld.

Een passende vraag is dus: Werden het hart en de geest van de mensen werkelijk door deze methoden gewonnen? Eén historicus merkt op: „De inquisitie, die eenvormigheid van leer en uiterlijk praktizeren afdwong, was niet in staat een waarachtig respect voor religie in te boezemen.”

Julián bijvoorbeeld, een jongeman die voor priester studeerde, was geschokt toen hij voor het eerst las over de rol die de kerk in de inquisitie had gespeeld. Zijn leraar betoogde dat zoals God de hel had uitgevonden om de goddelozen voor eeuwig te kwellen, de kerk marteling gebruikte wanneer ze dat noodzakelijk achtte. Maar dit antwoord kon zijn twijfels volstrekt niet wegnemen, en hij verliet het seminarie. Zo was ook Julio, een jonge Spaanse advocaat die reeds zijn twijfels had over het katholicisme, ervan overtuigd dat de kerk niet werkelijk christelijk kon zijn nadat hij uitgebreid over de inquisitie had gelezen.

Het gebruik van dreigementen, gevangenneming, marteling en zelfs de dood om politieke en religieuze doeleinden te bereiken, blijkt een averechts effect te hebben gehad. De Spaanse kerk, bezoedeld door haar historie van onderdrukking, oogst nog steeds de gevolgen van het feit dat ze geweld, haat en achterdocht heeft gezaaid.

Heiligt het doel de middelen?

Het idee van ’religieuze eenheid tot elke prijs’ is een gevaarlijk idee. Religieuze ijver kan gemakkelijk in fanatisme veranderen. Deze tragedie kan worden vermeden door getrouw aan de bijbelse beginselen vast te houden. Het voorbeeld van de eerste-eeuwse christenen bewijst dat dit zo is.

Betreffende de methoden die door de eerste christenen werden gebruikt om leerstellige harmonie te behouden, verklaart The New Encyclopædia Britannica: „Gedurende de eerste drie eeuwen van het christendom, waren de strafmaatregelen tegen ketters uitsluitend van geestelijke aard, gewoonlijk excommunicatie.” Dit was in harmonie met de schriftuurlijke instructies: „Vermijd een ketter na een eerste en tweede waarschuwing.” — Titus 3:10, De Katholieke Bijbel.

Christelijke oorlogvoering — om de geest van anderen

De bijbel beschrijft de prediking van het goede nieuws als een geestelijke oorlogvoering. Het doel is om „elke gedachte in gevangenschap [te brengen] ten einde ze gehoorzaam te maken aan de Christus”. Om blijvende eenheid te bereiken zouden er wapens nodig zijn, maar geen martelwerktuigen. De wapens zouden in plaats daarvan geestelijke wapens, „krachtig door God”, zijn, die altijd zouden worden gebruikt „met zachtaardigheid en diepe achting”. — 2 Korinthiërs 10:3-5; 1 Petrus 3:15.

Gelukkig kunnen wij uitzien naar de tijd waarin religieuze vervolging niet langer zal bestaan. Gods belofte is dat spoedig de tijd zal komen dat men „generlei kwaad [zal] doen noch enig verderf stichten”. Werkelijke religieuze eenheid zal worden bereikt, en de hele „aarde zal stellig vervuld zijn van de kennis van Jehovah, zoals de wateren ook de zee bedekken”. — Jesaja 11:9; Openbaring 21:1-4.

[Voetnoten]

a Belangrijke katholieke „heiligen” hadden zich uitgesproken ten gunste van terechtstelling van ketters. Augustinus verklaarde met klem dat het „noodzakelijk [is] geweld te gebruiken wanneer redelijke woorden worden genegeerd”. Ook Thomas van Aquino verklaarde dat „ketterij . . . een misdaad [is] die niet alleen excommunicatie verdient maar zelfs de dood”.

[Illustraties op blz. 24]

Kist waar het gebonden slachtoffer dagenlang in werd gestopt

[Verantwoording]

Exposición de Antiguos Instrumentos de Tortura, Toledo, Spanje

Ladder voor het uitrekken van de ledematen van het slachtoffer

[Verantwoording]

Exposición de Antiguos Instrumentos de Tortura, Toledo, Spanje

[Illustraties op blz. 25]

De slinger — het slachtoffer hing aan de achter de rug gebonden polsen

[Verantwoording]

Exposición de Antiguos Instrumentos de Tortura, Toledo, Spanje

Kerker waarin gevangenen, zoals Alonso de Alarcón, waren ondergebracht

[Verantwoording]

Exposición de Antiguos Instrumentos de Tortura, Toledo, Spanje

[Illustratie op blz. 26]

Gevangenis van de Heilige Broederschap, waar slachtoffers in Toledo waren ondergebracht

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen