In de gevangenis werd ik vrij!
IK ADEMDE diep de frisse lucht in die zo heel anders leek dan de lucht in de gevangenis die ik zojuist achter mij had gelaten. Het was haast niet te geloven . . . Eindelijk was ik vrij! Vrij om de Franse gevangenis in Villeneuve-sur-Lot te verlaten. Vrij om naar mijn thuisland Spanje te kunnen terugkeren.
Ik was 23 toen ik de gevangenis in ging en ik was 28 toen ik eruit kwam; dat was in 1976.
Hoe verder ik mij van de gevangenis verwijderde, hoe sterker de aangename gewaarwording van herwonnen vrijheid op de voorgrond trad. Een laatste maal keerde ik mij om naar de gevangenis om een lange blik te werpen op die grimmige muren. Eén gedachte overheerste in mijn geest — toen ik nog in de gevangenis zat, was ik reeds vrij geworden!
Gedurende mijn jaren van opsluiting had ik in vijf verschillende strafgevangenissen gezeten. Maar hoe was ik in de Franse gevangenis terechtgekomen? Dat was beslist niet voor een of andere nobele zaak. Ik was een misdadiger. Een ongelukkige jeugd in een ontwricht gezin en een tegenstrijdige religieuze opvoeding hadden tot de vorming van mijn opstandige en agressieve persoonlijkheid bijgedragen. Voor mij was een liefdevolle God beslist niet te verenigen met één die zijn schepselen foltert in onblusbaar vuur. Ik werd een probleemkind. Ik werd weggestuurd van vijf verschillende lagere scholen.
Ik ben in Barcelona geboren en groeide op in een vijandige omgeving. Toen ik zes jaar was, gingen mijn ouders uit elkaar, en ik werd toegewezen aan mijn vader. Hij gaf mij echter niet de strenge leiding die ik nodig had, en ten slotte stopte hij mij wegens mijn opstandige en onbestendige karakter in een heropvoedingsgesticht.
Onvermijdelijk begon ik een bittere wrok jegens mijn vader te voelen. Ik voelde mij in de steek gelaten. Het is onnodig te zeggen dat ik het heropvoedingsgesticht niet heropgevoed verliet.
Het Vreemdelingenlegioen of de Spaanse gevangenis?
Tweemaal werd ik gearresteerd voor gewone vergrijpen. Nadien raakte ik betrokken bij smokkel en moest ik naar Frankrijk vluchten. Ik was toen 20 jaar oud. Ik werd opgepakt door de Franse gendarmerie die mij voor de keuze stelde — òf in het Franse Vreemdelingenlegioen gaan, òf uitgeleverd worden aan de Spaanse politie. Ik koos voor het Legioen.
Drie jaar dienst in het Legioen droeg niets positiefs bij aan mijn persoonlijkheid. Nadat ik mijn eerste militaire campagne achter de rug had, kreeg ik drie maanden verlof. In deze periode trok ik op met een groep medelegionairs die wel eens flink de bloemetjes buiten wilden zetten. Om onze bohémienachtige en buitensporige levenswijze te kunnen bekostigen, moesten wij stelen. Ik kende dat „beroep” heel goed. Enkele maanden later werden wij door de politie gearresteerd.
Mij werden verschillende beschuldigingen ten laste gelegd, waaronder vervalsing van documenten en het ernstigst van alle, gewapende roof en ontvoering. Deze keer kostte mijn verlangen naar vrijheid en onafhankelijkheid mij een hoge prijs — acht jaar gevangenisstraf! Ik werd naar de militaire afdeling van de gevangenis Les Baumettes in Marseille in het zuiden van Frankrijk overgebracht. Daar kreeg ik de taak toegewezen de gevangenen van cel tot cel de maaltijden te brengen; er waren in totaal 63 cellen. Ik moest ook de cellen en gangen schoonmaken.
Een vreemde ontmoeting
Op een dag was ik bij een bepaald cellenblok maaltijden aan het rondbrengen toen de begeleidende bewaker zei: „Hier zitten Getuigen.” Op dat moment kon ik hen niet zien, aangezien de maaltijden snel door het luikje in de celdeur naar binnen werden geschoven. Maar mijn eerste gedachte was: ’Als zij getuigen zijn van een of andere misdaad, hoe komt het dan dat zij in de gevangenis zitten?’ Natuurlijk waren het Jehovah’s Getuigen, principiële dienstweigeraars.
Enkele dagen later vond de maat met wie ik samenwerkte, bij het schoonmaken van hun cellen een boek in het Frans met een blauwe kaft. De Getuigen waren naar andere cellen overgebracht, en iemand moest het achtergelaten hebben. Hij gaf het mij en ik stopte het bij mijn spullen. Later, op een van die dagen waarop de verveling toeslaat, begon ik erin te lezen. Het was getiteld: De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Halverwege het tweede hoofdstuk werd ik het moe. Maar voordat ik het weglegde, bladerde ik het nog wat door. De illustratie op bladzijde 95 trok mijn aandacht: „1914”, „Geslacht”, „Einde”. Dat intrigeerde mij en ik las het hele hoofdstuk.
Later ging ik naar de bibliotheek, waar ik de Getuigen zou kunnen vinden. Ik sprak er een aan en vroeg: „Laat mij in je bijbel dat 1914 zien.” De Getuige, lichtelijk verbaasd, zei: „Lees eerst dit andere boek, en je zult zelf het antwoord vinden.” Hij gaf mij het boek „Uw wil geschiede op aarde”.
De volgende dag tijdens het luchten vroeg ik hem om meer inlichtingen. Er werd een bijbelstudie gestart — die dagelijks werd gehouden! Aan mijn vragen kwam geen eind: „Hoe staat het met gokken?” „Daar is hebzucht en begerigheid bij betrokken, en dat zijn geen christelijke eigenschappen” was het antwoord (Kolossenzen 3:5). En zo ging het door, vraag na vraag over gewoonten, moraal, leerstellingen. Ieder antwoord werd gestaafd met de bijbel.
Ik voelde mij net alsof ik bezig was mijzelf te ontdoen van banden en ketenen, alsof ik bezig was te ontsnappen uit een vorm waarin ik het grootste deel van mijn leven ingeklemd had gezeten. Het leek alsof de gevangenismuren niet langer meer loodzwaar op mij drukten. Die bijbelse waarheden openden voor mij een nieuwe horizon. Ik leerde dat de menselijke maatschappij, „het samenstel van dingen” zoals dat nu bestaat, zal worden vervangen door een nieuwe maatschappij van personen die Gods wet liefhebben en rechtvaardigheid liefhebben. Mijn persoonlijkheid onderging een verandering. In de gevangenis begon ik mij vrij te voelen! — Matthéüs 24:3; 2 Petrus 3:13.
Een predikingscampagne van cel tot cel
Bekeerlingen maken was verboden in de gevangenis. Maar ik mocht natuurlijk wel de maaltijden naar de cellen brengen. Ik voelde mij ertoe gedrongen om met anderen hetzelfde gevoel van vrijheid te delen dat ik ervoer (Johannes 8:32). Dus telkens wanneer ik de vloer veegde of maaltijden rondbracht, schoof ik tijdschriften onder de zware metalen deuren door. Ik hield zelfs een van-cel-tot-celrapport bij zodat ik wist welke uitgaven van de tijdschriften ik bij welke cel had achtergelaten. Aangename tijden waren aangebroken.
Van die gevangenis werd ik overgeplaatst naar verschillende andere, waaronder één in Parijs. Ik was daar een tijd onder observatie om vast te stellen tot in welke mate ik gevaarlijk was. Aangezien ik weer een overplaatsing verwachtte, vroeg ik om overplaatsing naar Eysses in het zuidwesten van Frankrijk. Er was mij verteld dat daar Getuigen zaten.
En inderdaad was daar een broeder, maar in de drie jaar dat ik in die gevangenis zat, hebben onze wegen zich nooit gekruist. Hij zat in een gedeelte waar ik geen toegang had. Niettemin organiseerde ik mijn activiteit zo goed ik kon. Ik begon tijdschriften in de gevangenis te verspreiden en richtte enkele bijbelstudies op. Het lukte mij zelfs om iedere zondag voor twee gedetineerden een studie uit De Wachttoren te leiden. Ten slotte had ik drie bijbelstudies — één met een Fransman, een andere met een Spanjaard, en een derde met een Marokkaan.
Een test op neutraliteit in de gevangenis
In iedere gevangenis maakt solidariteit deel uit van de gedragscode van de gevangenen. Er zijn momenten waarop je voorgaande leven, ras en nationaliteit verdwijnen, en elke gevangene voelt dat hij door een gemeenschappelijke ’navelstreng’ verbonden is aan een gedeelde ’placenta’ — de gevangenis. Het is alsof men door middel van zijn inwijding in de misdaad toetreedt als lid van de ’Orde der gevangenen’. Dit gemeenschappelijke belang verplicht je ertoe deel te nemen aan ongeregeldheden in de gevangenis — je cel in brand steken, agressie, stakingen — telkens wanneer de meerderheid daartoe beslist. Maar nu had ik gebroken met de ’orde’. Ik moest neutraal blijven en ervoor zorgen niet betrokken te raken bij de activiteiten van de andere gevangenen.
Wegens mijn neutraliteit kreeg ik enkele represailles te verduren. Driemaal werd ik afgetuigd, één keer werd een emmer water over mijn bed geleegd, en ik ontving bedreigingen dat men mij zou doden. Toch was ik verbaasd, want dat was werkelijk het minste wat ik kon verwachten. Anderen waren neergestoken of echt helemaal in elkaar geslagen, omdat zij geweigerd hadden aan opstanden mee te doen. Waarom kwam ik er dan zo licht af? Na verloop van tijd ging ik beseffen dat ik een beschermer had. Hoe dat zo?
Tijdens het transport van Parijs naar de gevangenis van Eysses gaf ik getuigenis aan een andere gevangene in de groep. Hij was een gevangene met grote invloed, een mafialid. Wij begonnen een bijbelstudie. De Koninkrijksboodschap maakte indruk op hem, maar niet in de mate dat hij zijn leven veranderde. Hij hield op met studeren. Hij bleek echter mijn beschermer te zijn! Telkens wanneer de gedetineerden besloten een demonstratie te organiseren, kwam hij voor mij op en waarschuwde hen mij met rust te laten. Maar toen werd hij overgeplaatst naar een andere gevangenis.
Rond deze tijd broeide er opnieuw een oproer. Men was van plan de gevangenis in brand te steken. Ik vroeg om eenzame opsluiting ten einde mogelijke represailles te voorkomen. Ik bracht negen dagen in eenzame opsluiting door. Op de tiende dag braken algemene ongeregeldheden uit, die ten slotte in een laaiende brand uitmondden. De verwoesting was compleet en het leger moest ingrijpen. Gelukkig overkwam mij geen lichamelijk letsel.
Wat mij het meest opviel, was het feit dat ik ondanks alles predikingscampagnes in de gevangenis kon organiseren. Hoewel het maken van bekeerlingen verboden was, steunde de gevangenisdirecteur mij, zeggend: „Deze ideeën kunnen niemand kwaad doen.” Ik benaderde ook andere vertrouwde gevangenen van de andere afdelingen zodat zij traktaatjes voor mij zouden ronddelen die ik had uitgetypt. Zij hadden toegang tot gedeelten waar ik niet mocht komen. Ik betaalde voor hun hulp met bekers oploskoffie.
De doop en blijvende vrijheid
Ik werd bezocht door broeders uit de plaatselijke Franse gemeente. Ten slotte maakte ik hun mijn verlangen kenbaar gedoopt te worden. Maar hoe konden wij dat doen? In de gevangenis was daarvoor geen mogelijkheid. Zou men mij voor zo iets verlof geven? Het idee leek onwerkelijk. Er zou een kringvergadering gehouden worden in de stad Rodez, dicht bij de gevangenis. Ik vatte de koe bij de horens en vroeg toestemming om de vergadering te mogen bijwonen.
Tegen alle verwachting kreeg ik een driedaags verlof, en ik hoefde slechts vergezeld te worden door enkele broeders uit de plaatselijke gemeente. Enkelen van het gevangenisbestuur waren tegen de beslissing gekant. Zij waren ervan overtuigd dat ik niet zou terugkeren. Maar de toestemming was reeds verleend.
Op 18 mei 1975 symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah God door middel van de onderdompeling in water. Ik was nu voorgoed vrij! Natuurlijk ging ik naar de gevangenis terug — tot grote verbazing van degenen die tegen mijn verlof waren geweest. Nadien werd mij nog tweemaal verlof verleend van wel zes dagen. Ik gebruikte die dagen om te prediken en met de broeders samen te komen. Wat een heerlijk gevoel van werkelijke vrijheid!
In januari 1976 werd ik ten slotte uit de gevangenis ontslagen met drie jaar aftrek wegens goed gedrag. Eindelijk ging ik de Frans-Spaanse grens over. Vijf zeer intense jaren van mijn leven lagen nu achter mij. Toen ik in Barcelona aankwam, nam ik onmiddellijk contact op met een gemeente van Jehovah’s Getuigen. Wat dorstte ik naar een normaal leven!
De weg tot werkelijke hervorming
Nu ben ik getrouwd. Wij hebben twee zoontjes en een dochter, en ik geniet nu van wat ik in mijn jeugd heb gemist — een verenigd en gelukkig gezinsleven. Ik erken dat Jehovah mij overvloedige barmhartigheid heeft betoond. Wanneer ik in Psalm 103 vers 8 tot 14 lees dat ’hij niet naar onze dwalingen over ons heeft gebracht wat wij verdienen, omdat zijn liefderijke goedheid superieur jegens hen is die hem vrezen’, dan begrijp ik dat alleen een God van liefde dit huidige corrupte samenstel van dingen door iets anders kan vervangen.
Door mijn ervaring is mij duidelijk geworden dat gevangenissen mensen niet kunnen hervormen, en dat ook nooit zullen kunnen. Het vermogen daartoe zal afkomstig moeten zijn van een innerlijke kracht en motivatie die de geest tot daden aanzet (Efeziërs 4:23). Er zijn er zo velen die zich in de gevangenis zelfs nog verder verlagen en die bij hun vrijlating moreel en emotioneel bijna onherstelbaar zijn beschadigd.
Gelukkig waren in mijn geval die ondoordringbare gevangenismuren lang voordat ik werd vrijgelaten, reeds verbrokkeld. Niets kan de waarheid van Gods Woord tegenhouden, en evenmin kan de waarheid gevangen worden gezet. Dat weet ik omdat ik vrij werd terwijl ik nog in de gevangenis zat! — Zoals verteld door Enrique Barber González.
[Illustratie op blz. 21]
Enrique Barber González, vroeger een misdadiger, bestudeert de bijbel met vrouw en kinderen