Jade — en de verhalen die eraan vastzitten
Door Ontwaakt!-correspondent in Taiwan
„MIJN tijd is beperkt”, zei onze dierbare vriend Jim, die zijn eerste bezoek aan Taiwan bracht, „en ik wil graag iets van de cultuur van de Chinezen zien. Wat zou je me aanbevelen?”
Ik raadde hem een bezoek aan het Nationale Paleismuseum aan.
„Een museum?” was Jims reactie.
„Tja, je vindt dat misschien vreemd, Jim,” legde ik uit, „maar heus, een bezoek aan het Nationale Paleismuseum is waarschijnlijk de beste manier om in de tijd die je beschikbaar hebt, je doel te bereiken. Hun collectie Chinese kunst — bijna een kwart miljoen voorwerpen — is misschien wel de grootste ter wereld, en deze kunstvoorwerpen geven een beeld van het karakter en de houding van de Chinezen dat niet gemakkelijk op een andere manier te verkrijgen is.”
Het Nationale Paleismuseum ligt net buiten Taipei. Als wij op het museum af rijden, zet Jim grote ogen op.
„Wat een schitterend gebouw!” roept hij uit. „Het is op zichzelf al een kunstwerk!”
Het museum is een gebouw met drie verdiepingen, opgetrokken in de stijl van het vroegere keizerlijke paleis van de Tj’ing-dynastie (1644-1912). Wij gaan door de ingang op de eerste verdieping naar binnen en vragen ons af wat wij zullen gaan bekijken. Zullen wij als een wervelwind door het museum hollen in een poging alles te zien, of zullen wij ons concentreren op iets wat onze bijzondere belangstelling heeft?
Na een snelle blik in de gids besluit Jim dat we met de voorwerpen van jade zullen beginnen.
Er zijn twee verschillende soorten jade — nefriet en jadeïet. Op de schaal van Mohs, waarop diamant de hardheidsgraad 10 heeft, ligt de hardheid van jade tussen de 6 en 7. Nefriet, waarvan de stukken gewoonlijk maar één kleur hebben, komt in diverse tinten voor — groen, roze, wit, geel, enzovoort. Jadeïet daarentegen kan één enkele kleur hebben maar ook groen en wit, groen en zwart, en zelfs rood of een andere kleur. Smaragdgroene jade is tegenwoordig voor juwelen het meest in trek.
Terwijl wij de uitgestalde voorwerpen bekijken, valt Jims oog op een cicade van bruin met groene jadeïet uit de Han-dynastie (206 v.G.T.-220 G.T.).
„Waar werd dat voor gebruikt? Als versiering?”
„Nee”, probeer ik uit te leggen. „Je weet vast wel dat cicadelarven vier jaar lang onder de grond leven en dan te voorschijn komen om zich als volwassen cicaden te ontpoppen. Daarom gebruikten de oude Chinezen ze als een symbool van wedergeboorte. Al vanaf ver vóór Christus hadden zij de gewoonte om een stukje jade in de vorm van een cicade in de mond van de overledene te leggen in de mening dat dit de ontbinding van het lichaam zou tegengaan. Dit deden zij omdat zij in de reïncarnatie van de onsterfelijke ziel geloofden. Maar afgezien daarvan, vind je niet dat zij, met zo’n kennis van de levensloop van de cicaden, scherpzinnige natuuronderzoekers zijn geweest?”
Jim beaamt dit. Wij komen nu bij een voorwerp uit de Ming-dynastie (1368-1644). Het is in de vorm van een blad uit een stuk witte nefriet gesneden.
„Zie je hoe de kunstenaar kleine onvolkomenheidjes in de steen heeft gebruikt om zijn meesterwerk nog te verfraaien?” vraag ik.
Jim kijkt aandachtig en merkt een cicade en wat deukjes in het oppervlak van het bladvormige stuk jade op. „Het lijkt wel of hij de kleine onvolkomenheid in de steen heeft omgetoverd tot een bedrijvig insekt dat aan het blad zit te knagen!” zegt hij enthousiast. De toelichtende tekst bij het voorwerp laat zien dat dit precies is wat de kunstenaar deed.
Vervolgens komen wij bij een van de beter bekende stukken in het museum — een Chinese kool van jadeïet uit de Tj’ing-dynastie, met witte stengels en groene bladeren en twee sprinkhanen erbovenop. Ook hier heeft de kunstenaar met rijke fantasie het natuurlijke kleurenpatroon van de steen benut voor de creatie van zijn kunstwerk.
Wij lopen verder en bekijken een schaal van grijsachtig-witte jade uit Hindoestan, die de vorm van een chrysant heeft en waarin een gedicht van de Tj’ing-keizer Tj’ièn-loeng (1735-1796) gegraveerd is. Het jade is zo dun dat het haast doorschijnend is. Daarnaast staat een schitterend scherm dat is samengesteld uit dunne schijfjes met uiterste zorg geslepen groene jade die in een houten frame zijn gezet. Gedachtig aan de hardheid van jade en de eenvoudige gereedschappen die beschikbaar waren, moet er een onvoorstelbare hoeveelheid tijd en werk in zijn gaan zitten om slechts één zo’n kunstwerk te vervaardigen.
„Is er afgezien van uiteraard de opvallende schoonheid van jade nog een andere reden waarom het altijd zo geliefd is geweest bij de Chinezen?” vraagt Jim.
„Van oudsher”, leg ik uit, „zijn onder invloed van het confucianisme en het taoïsme bepaalde morele deugden geïdealiseerd, en jade werd beschouwd als een passend symbool van die deugden. Confucius prees de kwaliteiten van jade op deze manier: ’Het is zacht, glad en glanzend — net als intelligentie. De randen lijken scherp maar snijden niet — zoals de gerechtigheid. Het hangt tot op de grond — net als nederigheid. Wanneer ertegen wordt getikt, geeft het een helder, tinkelend geluid — als muziek. De groeven erin zijn niet verborgen en dragen bij tot de schoonheid ervan — net als waarheidsgetrouwheid.’ Wat een verbeeldingskracht!”
Omdat men geloofde dat jade deze deugden symboliseerde, werd het zeer bewonderd en gebruikt door een ieder die ernaar streefde de ’volmaakte heer’ te zijn. Zo iemand droeg gewoonlijk hangers van jade om zijn middel, en de rinkelende klanken die werden voortgebracht wanneer hij liep, reguleerden zijn pas. Als hij opgewonden raakte of ongepaste haast kreeg — wat een echte heer hoe dan ook moest vermijden — zou het disharmonieuze gerinkel hem eraan herinneren dat hij van de juiste gedragsnorm afweek. Dit werpt misschien wat licht op het verkeerde beeld van de ’ondoorgrondelijke oosterling’. In werkelijkheid beschouwen oosterlingen het gewoon als ongemanierd om hun emoties openlijk te tonen!
„Ik zou hier wel een hele dag kunnen doorbrengen”, merkt Jim op als wij ons door de zalen heen naar de uitgang haasten en hier en daar een glimp opvangen van de uitgebreide collecties schilderijen, beeldhouwwerken, porseleinen en gelakte voorwerpen, enzovoort. „Bedankt dat je me hebt overgehaald om te komen. Ik heb er echt van genoten die prachtige jade voorwerpen te zien en de boeiende verhalen erover te horen.”
[Illustraties op blz. 24]
Archaïsche jade cicaden
Jadeïet kool
Wit jade kommetje om penselen te reinigen, in de vorm van blad met cicade erop
[Verantwoording]
Photos: Collection of the National Palace Museum, Taipei, Taiwan