Eens militante zwarten, nu Jehovah’s Getuigen
Een moeitevolle tocht van Black Power tot teleurstelling en vervolgens verlichting
BLANKE studenten lieten zich tijdens de oriëntatieweek op Tufts University (Boston, VS) inlichten over de colleges en over de campus. Zwarte studenten ontmoetten mensen zoals Angela Davis, Dick Gregory, Black Muslims. En, buiten medeweten van de schoolautoriteiten, criminelen van de militante beweging. Zij kwamen met hun lijfwachten om ons te vertellen wat er gaande was en hoe wij konden bijdragen tot de revolutie. Zij openden ons de ogen voor allerlei onrechtvaardigheden en brachten ons de overtuiging bij dat zwarten heel snel macht moesten krijgen. Iemand van 17 is snel in beroering over onrecht, en ik zag er de noodzaak van in meer als zwarte te denken en te handelen.
Het was 1969, mijn eerste jaar op Tufts. Er deed zich spoedig een kwestie voor die als test diende voor mijn zwart-zijn. Er werd een studentenhuis gebouwd waaraan te weinig zwarte bouwvakkers werkten. Bij zonsopgang waren wij op het bouwterrein. Wij hadden versterking van mensen van buiten de gemeenschap die pistolen en andere wapens hadden meegebracht. Wij wezen aanvoerders aan. Ik was aanvoerder op een van de posten. Er waren drie vrouwen in mijn groepje. Wij hadden portofoons en barricadeerden de toegang.
Maar toen die bouwvakkers op het werk aankwamen, man, wat waren zij kwaad! Dit was hun boterham. Het had niets met huidkleur te maken. Dit raakte hun gezin. Zij wilden ons aan stukken scheuren! De oproerpolitie verscheen precies op tijd, met wapenstokken die dertig centimeter langer waren dan normaal. Zij vormden een muur tussen ons en de bouwvakkers, waarmee de confrontatie tot een einde kwam.
Ik bezocht dat jaar de campus van twee universiteiten. Ik stond ingeschreven op Tufts maar nam deel aan een uitwisselingsprogramma tussen Tufts en het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Op het MIT werd ik benaderd door een zwarte natuurkundige die reeds zijn ’bachelors degree’ had en verder studeerde. In de bibliotheek van het MIT is verschrikkelijk veel informatie voorhanden over bommen en militaire verrichtingen. Nu zei die zwarte natuurkundige tegen mij: „Kijk, broeder, als je het [in aanbouw zijnde studentenhuis] plat wilt hebben, nou — je studeert toch voor ingenieur?” „Ja”, zei ik. Hij zei: „Ik kan wat nitro maken en laten wij het dan helemaal met de grond gelijkmaken.” Maar daar was ik nog niet klaar voor.
Mijn naam is Larry Whitehead. Ik ben geboren in Washington D.C. en ik groeide op in Arlington (Virginia). Ik heb de vele vernederingen, klein en groot, ondergaan waarmee zwarten overladen worden. Ik heb het eerste jaar van de rassenintegratie op de middelbare school meegemaakt — de aanwezigheid van de Ku Klux Klan en de nazi-partij in Virginia maakte dat proces er niet gemakkelijker op. Ik had toch al een uitgesproken mening over blanken, maar op Tufts leerde ik militant te zijn.
Madeline komt ook op Tufts
Het volgende jaar arriveerde Madeline op Tufts — een grote bos haar in Afro-look, posters met daarop omhooggestoken zwarte vuisten en al dat soort dingen die hoorden bij de Black Power. Zij legt uit hoe zij zover was gekomen:
„Voor mij was het anders. Toen ik naar Tufts kwam, was ik reeds militant. Ik groeide op in een blanke buurt; de middelbare school was overwegend blank; veel van mijn vrienden en vriendinnen waren blank. Maar in mijn derde jaar ontstond er een rel in de cafetaria — Martin Luther King was vermoord, en de gemoederen waren op veel plaatsen tot het kookpunt verhit. In de cafetaria raakten zwarten en blanken slaags. De school moest worden gesloten. Ik was ontzet toen mijn blanke vrienden met wie ik was opgegroeid, zo’n haat en vijandigheid toonden. Het maakte mij verbitterd. Ik onderging een drastische verandering. Ik knipte al mijn haar af en liet het groeien tot een Afro-kapsel, en werd vurig aanhangster van de Black Power-beweging. Toen ik op Tufts aankwam, was mijn haat tegen blanken op volle sterkte.”
Zowel Madeline als ik werden actief in de beweging van zwarte jongeren op Tufts. Het was een periode van grote veranderingen. Er was enorm veel gaande op de campus van de verschillende universiteiten. De oorlog in Vietnam was een brandende kwestie. De SDS (Students for Democratic Society) was actief. De drugcultuur begon net een hoge vlucht te nemen. Madeline en ik lieten ons beiden niet met drugs in, maar degenen met wie wij omgingen, gebruikten ze niet alleen maar verkochten ze ook.
Tufts was een school met overwegend blanken, maar men liet toe dat zwarte studenten zich afzonderden en wij hadden ook een Afro Society Black Orientation. Ik werd voorzitter van de Organisatie voor Afro-Amerikaanse eenheid en een over de hele stad verspreide broederschap. De moord op Martin Luther King bracht veel van deze zwarte activiteit op gang, de dood van Malcolm X gaf er verdere stuwkracht aan, en toen zowel John als Robert Kennedy werden vermoord (zij waren de opvallende „goede blanken”), overviel de zwarten een gevoel van hopeloosheid.
Wij wilden een eigen identiteit. Wij begonnen Marcus Garvey, Back to Africa en James Baldwin te lezen. De films die wij draaiden, toonden terroristische activiteiten, in armoede verkerende en gediscrimineerde zwarten. Ze toonden Arabische vrouwen en kinderen die op plaatsen konden komen waar andere mensen niet werden toegelaten, en die daar dan binnengingen met bommen op hun lichaam en het gebouw opbliezen — zij gaven hun leven voor de zaak. Op deze wijze werden wij geïndoctrineerd om hetzelfde te doen.
Wij onderwijzen „Zwarte religie”
Ik had altijd in God geloofd, naar hem getast (Handelingen 17:27). Maar ik verloor hem bijna helemaal in 1970. Wij gaven een cursus op Tufts genaamd Zwarte religie. In werkelijkheid was het een aanval op de bijbel. De Black Muslims oefenden er een sterke invloed op uit, en zij zeiden dat blanke mannen die met de bijbel naar je toe kwamen, duivels waren. Vooral degenen die blauwe ogen en blond haar hadden. Jezus daarentegen was een zwarte man met haar dat geleek op lamswol.
Juist toen wij op dit punt waren aangeland, ontmoette ik Tim Sieradski. Hij was groot, blond, had blauwe ogen en kwam met een bijbel in zijn hand — als dat geen blanke blauwogige duivel was! Tenminste dat dacht ik. Hij was een van Jehovah’s Getuigen. Toen hij aan mijn deur verscheen, dacht ik: ’Kijk nu eens, een grote blauwogige duivel die probeert mij wat uit de bijbel te leren.’ Maar ik ontdekte al gauw dat hij de bijbel inderdaad kende, en ik vroeg hem mij te laten zien waar in de bijbel stond dat Jezus’ haar gelijk lamswol was.
In plaats daarvan sprak hij over het einde van deze wereld, met schriftplaatsen die dat bewezen. Als ingenieur had ik mijzelf wetenschappelijk bewezen dat God bestond. Ik had echter mijn twijfels over de bijbel — die had ik nooit bestudeerd. Tim las mij een schriftplaats voor die mij intrigeerde: „Hij heeft uit één mens elke natie van mensen gemaakt om op de gehele oppervlakte der aarde te wonen” (Handelingen 17:26). Daarom bleef ik naar Tim luisteren.
Maar Madeline niet! Zij vertelt waarom niet: „Ik had totaal geen belangstelling meer voor de kerk”, legde zij uit. „Tegen de tijd dat ik 16 was, zag ik dat het allemaal heel hypocriet was. Ik wist dat ik verkeerd leefde — tegen deze tijd woonden Larry en ik samen — maar ik was niet van plan op de kerkelijke toer te gaan en te huichelen. Dus telkens wanneer Tim kwam, met zijn blonde haar en blauwe ogen en de bijbel in de hand, wilde ik niet met hem praten. Als hij kwam, vertrok ik.”
Wij verloren Tim uit het oog. Wij waren nog niet klaar om de Black Power te verlaten. De Organisatie voor Afro-Amerikaanse eenheid trof er regelingen voor om naar een groep te gaan kijken die zich The Last Poets noemden. Dit waren zwarten die poëzie op muziek zetten. Het enige waarover zij spraken was revolutie: ’Zwarten verenigt u, wordt sterk, werpt de blanke maatschappij omver en maakt het leven beter.’ ’Werkt samen, slaat de handen ineen’ luidde hun refrein. Madeline en ik besloten daarom alleen met zwarten om te gaan.
Twijfels ontstaan en worden sterker
Wij betaalden een waarborgsom voor een woning die verhuurd werd door zwarte mensen. Na drie maanden wachten en het aanhoren van veel excuses, zeiden zij ons dat zij de woning aan iemand anders hadden verhuurd. Voordien had ik een woning in een zwarte woonwijk, en zwarten braken bij mij in en stalen alles wat ik had. Op een avond stond ik in een ijssalon interlokaal met mijn moeder te telefoneren. Drie zwarte mannen kwamen binnen en beroofden de tent. Ik had er niets van gemerkt totdat ik een zwarte man achter mij hoorde zeggen: „Hou je kalm, broeder.” Toen ik omkeek, porde hij een kaliber .45 automatisch pistool in mijn rug. Mijn zwarte broeder, het mocht wat!
Wij zagen hoe zwarten zwarten beroofden en benadeelden net zoals blanken dat deden. Het heeft niets te maken met huidkleur of ras; het zijn gewoon mensen. Het is droevig en ontneemt je je illusies. Opnieuw bekeken wij de zwarten met wie wij omgingen op Tufts. In de studentenclubs bestond geen ware broederschap; en evenmin vonden wij die in de Organisatie voor Afro-Amerikaanse eenheid. Sommigen met wie ik omging, zagen er niets kwaads in zwarte vrouwen naar de ondergang te helpen. Er kwamen zwarte meisjes naar de universiteit. Hun ouders hadden jaren kromgelegen opdat zij geld zouden hebben om hen te laten studeren. Dan brachten zwarte mannen hen in contact met drugs. Enkelen kwamen uiteindelijk zelfs tot een zelfmoordpoging.
Toen keken wij naar al die jongeren om ons heen, zwart en blank. Sommigen waren drugverslaafden, anderen alcoholisten en zo velen van hen gingen helemaal in zichzelf op. En was dit de generatie in wier handen de toekomst lag? Waar wij ook keken, wij zagen geen antwoorden, niet van de zwarten, noch van de blanken.
Ontgoocheling
Twijfels veranderden in ontgoocheling. Madeline omschreef wat voor haar een steeds groter probleem werd: „Wij bezochten al die vergaderingen en daar hoorden wij maar steeds dat je geen regels nodig had. Alles wat je wilde, was oké. Dat is anarchie. Zo bereik je niets.”
Daar was ik het mee eens. Ik had altijd gezocht naar richtlijnen waarnaar de mensheid kon leven. Aanvankelijk had ik gedacht dat als wij allemaal zwart waren, allen dezelfde oorsprong hadden en verenigd waren in een gemeenschappelijk streven, het wel zou lukken. Toen zagen wij dat de zwarten in niets verschilden van de blanken — niet slechter, en niet beter, gewoon hetzelfde mengsel van goed en slecht. Eenheid moest een andere basis hebben dan alleen ras.
Het was duidelijk dat wij enkele dingen moesten veranderen. Wij zaten op de verkeerde weg. Eén avond kan ik mij herinneren: „Er werd een film op Tufts gedraaid die de omvang van het universum, de daarin aanwezige orde toonde. Het verbaasde mij, en ik herinner mij dat ik op dat moment dacht dat dat alles nooit bij toeval kon zijn ontstaan. Als in het hele universum die soort van orde heerst, dan moeten er richtlijnen zijn die God de mensheid heeft gegeven.”
Wij verlieten Tufts, trouwden, en begonnen aan onze speurtocht naar de God die dit ordelijke universum, de planeet Aarde en de mensheid daarop had gemaakt.
Tijdens onze speurtocht woonden wij een studiebijeenkomst bij van de African Methodist Episcopal Church. Wij namen het boek Aid to Bible Understanding (Hulp tot begrip van de bijbel) met ons mee dat Tim maanden daarvoor bij mij had achtergelaten. De discussie ging over de toevluchtssteden. Niemand wist wat die waren totdat ik het hun voorlas uit het Aid-boek. Iedereen was opgetogen totdat zij vernamen dat het boek was uitgegeven door Jehovah’s Getuigen. De kamer werd heel stil. En dit was zogenaamd een bijbelstudiegroep?
Verlichting verandert ons leven
Wij gingen daar weg en keerden nooit weer. Het deed ons inzien dat blijkbaar de enigen die wisten waarover zij spraken, Tim en de Getuigen waren. Ik herinnerde mij Tims achternaam, zocht zijn telefoonnummer op en belde hem. Hij startte een geregelde huisbijbelstudie met ons. En nu vond zelfs Madeline het een genoegen om met Tim te spreken — hij was niet langer die „blonde, blauwogige duivel”.
Er begonnen interessante dingen te gebeuren. Ik werkte voor een groot constructiebedrijf in Boston. Ik werd naar het kantoor geroepen en kreeg te horen dat als ik het Getuige-zijn zou opgeven en weer naar de universiteit zou gaan om mijn ’masters degree’ te halen, zij mij vice-president van het bedrijf zouden maken. Ik wees het van de hand. Madeline en ik lieten ons in 1975 als Getuigen dopen en Madeline begon als pionierster aan de volle-tijdprediking.
Ik had één ervaring bij dat constructiebedrijf die mij bijzonder veel voldoening schonk. Ik werkte samen met Mike, een zwarte ingenieur. Hij hield nogal van debatteren, en een van zijn stokpaardjes was evolutie. Op zekere dag, toen er nog vijf andere ingenieurs aanwezig waren, deed hij de sterke bewering dat evolutie te bewijzen was. Toen wendde hij zich tot mij en vroeg: „Is het niet zo, Larry?”
Zo werd ik gedwongen een standpunt in te nemen. Ik had nog nooit aan een groep getuigenis gegeven. Dat had ik moeten doen, maar omdat ik ingenieur ben, kwam ik nooit zo openlijk voor mijn mening uit. Maar Mike deed mij kleur bekennen. Daarom zei ik tegen hem: „Mike, ik kan het daarin niet met je eens zijn.” Hij viel bijna om van verbazing! Later gaf ik hem de Wachttoren-publikatie Is de mens ontstaan door evolutie of door schepping? Mike verslond dat boek! Thans is hij ouderling in de gemeente van Jehovah’s Getuigen in Richmond (Virginia).
Materialisme niet genoeg
Toen ik in 1977 ontslag nam bij het constructiebedrijf in Boston, werd ik op kantoor geroepen en kreeg ik te horen dat ik dwaas handelde. Zij wisten dat ik ontslag nam omdat ik meer wilde doen als Getuige. Ik zal nooit vergeten hoe die man daar voor dat raam stond met dat uitzicht over de stad, en zei: „Whitehead, je kunt rijk worden, je kunt geld verdienen, je kunt auto’s kopen.” En zo bleef hij maar doorgaan. Maar ik was 21 en had al twee nieuwe auto’s en een huis gekocht. Ik had bereikt wat destijds de meeste mensen dachten te zullen bereiken als zij veertig waren. Er viel in dat opzicht niets meer voor ons te bereiken. De maatschappij had in materieel opzicht niets anders te bieden.
Het was niet genoeg. Het bevredigde niet, zoals de bijbel al eeuwen geleden waarschuwde: „Iemand die enkel het zilver liefheeft, zal van zilver niet verzadigd worden, noch wie maar ook die rijkdom liefheeft, van inkomsten. Ook dit is ijdelheid.” — Prediker 5:10.
Later zond het Wachttorengenootschap ons ergens naar toe waar een grotere behoefte aan Getuigen bestond: Las Vegas. Daar zijn wij vijf en een half jaar gebleven. Wij werkten beiden van tijd tot tijd als volle-tijdbedienaren. Er waren periodes waarin wij weinig te eten hadden, maar wij veronachtzaamden nooit de fundamentele dingen: studie, dienst en gebed. Net als de apostel Paulus wisten wij wat het wilde zeggen overvloed te hebben en gebrek te lijden. — Filippenzen 4:12.
In Las Vegas nam ik werk aan als timmerman, toen als tekenaar voor de telefoonmaatschappij en ten slotte werd ik de coördinator van de staat voor het gecomputeriseerde project van de Central Telephone Company. Later keerde ik terug naar Alexandria (Virginia). Ik werkte voor Xerox als systeemanalist en werd door hen naar grote bedrijven gezonden. Nu heb ik mijn eigen adviesbureau als systeemanalist.
Madeline en ik dienen nu in een gemeente van Jehovah’s Getuigen in Alexandria. Ik ben daar ouderling en de secretaris van de gemeente. Zowel Madeline als ik zijn Jehovah dankbaar dat hij ons verlichting heeft geschonken en heeft doen begrijpen dat geen menselijke macht, zwart of blank, het antwoord vormt op de problemen van de mensheid (Psalm 146:2, 3). Wij zijn nu gelukkig om ’het licht van Zijn koninkrijk te laten schijnen’ tot verlichting van anderen die ogen hebben die willen zien (Matthéüs 5:14-16). — Zoals verteld door Larry Whitehead.
[Illustratie op blz. 21]
De Whiteheads met Tim, hun „blonde, blauwogige duivel” van weleer
[Illustratie op blz. 22]
De Whiteheads vinden voldoening in de christelijke bediening