Raciaal onrecht — Zullen wij er ooit van bevrijd worden?
Dit is een vraag die veel mensen thans stellen. Is revolutie het antwoord? Leest u eens hoe één neger de enige succesvolle manier vond om van onrecht bevrijd te worden.
IN HET vroege ochtendlicht keek ik vanaf het dek toe hoe kikvorsmannen geluidloos het ijskoude water van de Canadese haven ingleden. Zij onderzochten het onder water gelegen gedeelte van het schip op explosieven. Er waren mensen die ons vertrek wilden verhinderen, ook al betekende dit dat zij het schip moesten opblazen.
Het duurde echter niet lang of wij vertrokken, zonder dat er zich iets bijzonders voordeed. Ongeveer 500 passagiers, voor het merendeel zwarte Amerikanen, waren op weg naar Cuba, zogenaamd om met de suikerrietoogst te helpen. Er was in werkelijkheid echter meer bij betrokken.
Regeringsleiders wisten dit. Enkele weken later zei een Amerikaanse senator tot het Congres: „Amerikaanse burgers worden geïndoctrineerd en opgeleid om onze instellingen en onze regering aan te vallen en te vernietigen. Deze activiteit is op dit moment vlak bij onze deur aan de gang. Fidel Castro’s Cuba is de vijandelijke basis voor de operatie.” — Congressional Record, 16 maart 1970.
De senator had gelijk, althans wat mij betrof. Ik ging naar Cuba om een voortgezette opleiding in revolutionaire tactiek te volgen. Het was mijn doel een gewapende opstand tegen het Amerikaanse systeem op touw te zetten.
Aan boord van het schip vroegen wij elkaar, en in het bijzonder de paar blanken die zich onder ons bevonden: „Zou jij je eigen vader of moeder doden als zij de revolutie zouden trachten te belemmeren?” Degenen die aarzelden, werden in de gaten gehouden als personen die verder onderricht nodig hadden. Zij moesten naar onze mening beter gaan beseffen hoe noodzakelijk het was het lijden van de grote massa te verlichten door hun onderdrukkers uit het zadel te lichten.
„Wat kunnen mensen een verdraaide zienswijze ontwikkelen!” denkt u misschien. „De toestanden mogen dan weliswaar slecht zijn, maar ze vormen toch beslist geen rechtvaardiging voor een revolutie.”
Toch denken duizenden oprechte jonge mensen hier anders over. Zelfs jongelui van goeden huize sluiten zich, zoals de nieuwsberichten onthullen, aan bij wat volgens hen een strijd is om het onrecht op te heffen. Waarom? Wat brengt hen ertoe te denken dat de vernietiging van het bestaande stelsel de enige hoop vormt om een eind aan onrecht te maken?
Laat mij dit alstublieft aan u uitleggen. Het zal u misschien inzicht geven in de gedachtengang van anderen, in het bijzonder van miljoenen negers. Mijn eigen leven en gevoelens dienen naar ik meen ter illustratie hiervan.
ALS NEGER OPGROEIEN IN AMERIKA
Ik werd in 1945 in het verre Zuiden geboren; ons gezin telde elf kinderen. Wij waren deelpachters. Mijn eerste tehuis was een houten keet aan de rand van een katoenveld, en in de loop der jaren heb ik in een aantal van zulke keten gewoond. Wij plakten kranten tegen de muren om ’s winters de wind buiten te houden.
Louter het feit dat wij arm waren, was echter niet zo erg; er waren ook arme blanken. Het was de behandeling van de zwarten, ja de houding die men tegen hen aannam, die pijn deed. Wij mochten niet in scholen, restaurants en openbare toiletten van blanken komen, terwijl wij zelfs niet eens uit dezelfde waterfonteintjes mochten drinken als de blanken. En dan waren er de borden: „VERBODEN VOOR HONDEN EN KLEURLINGEN.”
In die dagen was het in het Zuiden zo dat openbare plaatsen — zoals busstations — in twee delen waren gescheiden, terwijl wij in de bussen achterin moesten zitten. Als bleek dat wij onze plaats waren vergeten, werd er op een pedanterige en kleinerende wijze gezegd: „Iedereen weet drommels goed dat hier geen nikkers behoren. Vooruit dan, naar achteren met jullie.”
Ik kan me nog goed herinneren dat de veertienjarige Emmett Till werd gedood. Het was groot nieuws in Amerika, maar voor mijn ouders en voor de meeste zwarten in het Zuiden, was het het oude verhaal — weer een neger die gedood was door blanken — met als enige bijzonderheid dat hij nog zo jong was. Hij werd dood uit de rivier de Tallahatchie opgehaald — blanken hadden hem boosaardig doodgeranseld omdat hij naar een blank meisje gefloten zou hebben. Maar moet iemand daarvoor vermoord worden?
Dit hielp mij te begrijpen waarom onze grootmoeder ons met zo’n angstige en smekende klank in haar stem had onderwezen altijd naar onze voeten te kijken als wij met blanken spraken, en „Ja mijnheer” en „Nee mevrouw” te zeggen, en bovenal alles met een glimlach te doen. Maar waarom, zo vroeg ik mij af, wilden de blanken ons laag houden? Wat mankeerde eraan, zwart te zijn?
Toen ik nog erg jong was, kreeg mijn zusje een astma-aanval, maar de blanke landeigenaar voor wie wij werkten, weigerde de moeite te nemen haar naar de dokter te brengen. Mijn vader, die altijd heel zachtaardig was, richtte toen in zijn wanhoop een revolver op de man en dwong hem medische hulp te gaan halen. Mijn vader kon vanzelfsprekend nooit meer thuiskomen, want dan zou hij gelyncht zijn. Hij vluchtte naar het Noorden en wij verhuisden naar het huis van mijn grootmoeder in een andere provincie. Ten slotte zond vader ons bericht dat wij in New York bij hem konden komen.
Het werk van mijn vader als huisschilder en conciërge had tot gevolg dat wij naar een blanke woonwijk in Sheepshead Bay in Brooklyn verhuisden, waar ik de enige neger in de klas was. Mijn onderwijzer scheen ervan uit te gaan dat ik dom zou zijn, maar ik was vastbesloten het tegendeel te bewijzen.
In de zesde klas las ik als een tweedejaars collegestudent, hetgeen tot gevolg had dat ik in speciale klassen voor uitzonderlijke leerlingen terechtkwam. Het volgende jaar werd ik uitgekozen om mee te doen aan een experimenteel programma dat „Project Talent” werd genoemd. Ik had voor een heleboel dingen een grote belangstelling en beschikte over een grenzeloze energie. Ik studeerde zang, ballet, journalistiek en ziekenverpleging, en ging ook naar een school voor beeldende kunsten.
Na de middelbare school doorlopen te hebben, werd ik een artiest die voor platenmaatschappijen optrad, en zodoende heb ik ook met Paul Simon van Simon en Garfunkle samengewerkt. Hierdoor werd ik in de gelegenheid gesteld naar andere steden te reizen om daar voor de televisie of bij andere gelegenheden op te treden. Ik volgde ook nog een opleiding aan een college.
HOE EEN REVOLUTIONAIR WERD GEMAAKT
Na verloop van tijd besefte ik echter dat ik het slachtoffer was van bedrog, voornamelijk zelfbedrog. Ik was zo irreëel geweest te denken dat iemands huidkleur er misschien niet toe deed. Het was een leugen dat het racisme alleen in het Zuiden bestond; het heerste ook in het Noorden, alleen werd het daar netjes gecamoufleerd. Ik had geprobeerd het beeld van het kleine negermeisje, dat in de bus naar achteren werd geduwd en dat niet welkom was in blanke huizen, scholen en restaurants, uit mijn geest te bannen. Maar nu werd ik gedwongen er weer aan te denken.
Ik moest heel wat moeite doen om een paar kamers in een blanke buurt te krijgen, terwijl ik zelfs genoodzaakt was naar de Commissie van Menselijke Rechten van de staat New York te gaan. Toen ik bij het volgen van mijn opleiding bepaalde werkkringen in gedachten had, bemerkte ik bovendien dat er deuren werden gesloten en barrières werden opgetrokken. Zo kan ik mij herinneren dat mij eens een ongewoon hoog salaris werd aangeboden toen ik naar een betrekking solliciteerde, niet wegens mijn bekwaamheden, maar alleen om het bedrijf een geïntegreerd uiterlijk te geven. Ik was woedend en zei hun dat ze hun baan konden houden.
ZIENSWIJZEN EN MENINGEN NEMEN EEN VASTE VORM AAN
In de jaren zestig stonden de kranten vol van schokkende gebeurtenissen, die elkaar in snel tempo opvolgden. Op een septembermorgen in 1963 werd een kerk in Birmingham, in de Amerikaanse staat Alabama, tijdens de zondagsschoollessen die daar werden gegeven, door een bomontploffing vernield. Tientallen angstige zwarte kinderen renden gillend naar buiten; anderen waren ernstig gewond en kreunden. Vier gaven helemaal geen geluid meer. Zij waren dood — vermoord door blanken. De volgende zomer werden drie werkers voor gelijke burgerrechten, Chaney, Schwerner en Goodman, in Mississippi vermoord.
Tegen deze tijd was ik in de strijd voor gelijke rechten verwikkeld geraakt. Ik werkte voor CORE (Congres van raciale gelijkheid) en SNCC (Geweldloos coördinerend studentencomité). Ik luisterde naar de meer gematigde zwarte leiders, zoals Dr. Martin Luther King. Ik schreef zelfs een serie artikelen over hem voor de Harlem Valley Times. Toen ook hij door een blanke werd gedood, moest ik mezelf afvragen, zoals dit ook met vele andere zwarten het geval was: „Wat is er door de geweldloosheid die hij voorstond tot stand gebracht?”
Ik begon uitvoerig over de geschiedenis van de negers te lezen. Ik las over de wrede slavenhandel en over de behandeling van negers als eigendom en hoe zwarte gezinnen werden verbroken doordat de gezinsleden aan verschillende meesters werden verkocht, zonder dat er rekening werd gehouden met menselijke gevoelens. Het maakte me kwaad te weten te komen dat bepaalde slaveneigenaars de gewoonte hadden een goedgebouwde, sterke man te gebruiken om kinderen te verwekken bij de slavinnen die zij in dienst hadden ten einde aldus nakomelingen voor de slavenmarkt of voor werk op de velden voort te brengen.
Zulke afschuwelijke onrechtvaardigheden kunnen maar het beste vergeten worden, zullen sommigen misschien zeggen. Maar ik kon ze niet vergeten, omdat het mij toescheen dat alhoewel de slavernij voorbij was, de houding nog steeds bitter weinig veranderd was.
WOEDEND OVER ONRECHTVAARDIGHEDEN
Waar ik maar keek, overal zag ik dezelfde situatie: zwarte mensen die in getto’s op elkaar gepakt zaten en te lijden hadden onder discriminatie, economische onderdrukking, onrechtvaardigheid, slechte behuizing, woningnood en hopeloosheid. Ik begon deze plaatsen te zien als kolonies van onderdrukte mensen, mensen die bevrijd moesten worden.
Ik bezag het toen zo dat wij zwarten niet verschilden van de Amerikaanse kolonisten die in 1776 tegen het Britse juk in opstand waren gekomen; ook wij waren, net als zij, een volk aan wie bepaalde „onvervreemdbare rechten” werden ontzegd. Aangezien de kolonisten in opstand waren gekomen, was het nu onze beurt om hetzelfde te doen. Zo zag ik het, en ik stond hierin niet alleen.
Toen gebeurde er iets wat mijn laatste aarzeling wegnam om tot handelen over te gaan.
Mijn eigen vader werd vermoord. De politie en degenen in het lijkenhuis die sectie op hem zouden verrichten, zeiden dat niemand wist wie hij was, dat hij een onbekend persoon was. Daarom gingen zij hun gang en sneden de organen uit zijn lichaam die zij wilden hebben. Maar het was niet waar dat zij niet wisten wie hij was, want zij hadden contact met ons opgenomen als gevolg van de identificatie die hij op zijn lichaam droeg!
Het was voor mij alsof hij tweemaal was gedood, eerst met een mes op straat en vervolgens in het lijkenhuis. Toen wij vader eindelijk mochten zien, zag hij er verschrikkelijk uit. Ze hadden niet eens het bloed van zijn tanden of van zijn ogen afgeveegd. Ik was er bitter van overtuigd dat hij met zo’n verachting was behandeld omdat hij zwart en arm was. Ik weigerde te huilen. In plaats daarvan legde ik in mijn hart een eed af. Ik zou iets gaan doen met betrekking tot het onrecht dat ik mijn volk zag lijden.
Naar mijn mening waren de blanken eraan gewend geraakt overeenkomstig een leugen te leven. Zij probeerden ons te laten geloven dat onze onderdrukte toestand aan onze eigen inherente inferioriteit te wijten was. Ik zag in dat hun racisme ons in een onderdrukte toestand hield. De zwarten hadden geprobeerd dit door middel van geweldloze manieren aan de blanken duidelijk te maken. Ik voor mij zou mij nu niet langer met de houding van de blanke bezighouden, maar zou mij uitsluitend en rechtstreeks met de onderdrukking zelf bemoeien.
Ik sloot mij aan bij de Harlem-afdeling van de Zwarte Panters. Tegen die tijd was ik het eens geworden met hun ideologie dat voor de zwarten de tijd was aangebroken om zich te bewapenen. Eind 1969 las ik in een radicale negerkrant over de reis naar Cuba. Cuba was met succes een revolutie te boven gekomen, en ik wilde erheen gaan om te weten te komen hoe ze dit hadden klaargespeeld. Ik bood mij onmiddellijk als vrijwilliger aan en werd voor de driemaandse reis uitgekozen.
EEN REVOLUTIONAIR IN ACTIE
Men had mij doen geloven dat Cuba een lelijk, klein, door armoede geteisterd eiland was. Maar mijn eigen indruk was dat het de mooiste plaats was die ik ooit had gezien. Tegen het einde van ons verblijf hebben wij er drie weken aan besteed om het eiland te bezichtigen, en op grond van wat ik toen persoonlijk zag, was ik ervan overtuigd geraakt dat Cuba een schoon eiland was, zonder afval, en ook zonder leeglopers, prostituées, dronkaards of werkeloze jongeren die op de straten rondslenteren. Iedereen scheen iets te doen te hebben, zowel jong als oud.
In ons militaire kamp op Cuba was alles op militaire leest geschoeid. Elke ochtend werden wij door een commando dat over de luidsprekers weerklonk, gewekt, en tegen 6.00 uur v.m. waren wij op weg naar de suikerrietvelden. Het was hard werk, maar ik genoot van de discipline en vond het prettig „het volk te dienen”, zoals de revolutionaire slagzin destijds luidde. Wij werkten schouder aan schouder met doorgewinterde communistische strijders uit Vietnam, Afrika, Korea en Rusland. Zij deelden hun ervaringen met ons, waardoor wij een internationale opvatting van de strijd voor de vrijheid kregen.
’s Avonds spraken veteranen die in Vietnam, op Cuba, in Afrika en op andere plaatsen voor de vrijheid hadden gestreden, ons toe. Wij zagen films, met inbegrip van „De strijd van Algiers”, waarin werd getoond hoe mohammedaanse vrouwen zich vermomden en er een actief aandeel aan hadden de Fransen te verdrijven. Ik genoot van de toespraken van Fidel Castro en kwam onder de indruk van de goede verstandhouding waarin hij tot het gewone volk scheen te staan.
Wij konden ook karate-onderricht ontvangen, maar aangezien ik dit reeds had geleerd, concentreerde ik mij op wapens. Ik wist hoe ik Molotov-cocktails moest maken en hoe ik met een revolver moest schieten, maar nu kreeg ik de kans, omdat ik ernaar vroeg, van een van de Cubaanse soldaten te leren hoe ik met een machinegeweer moest omgaan.
Tegen het einde van ons verblijf werd de nadruk gelegd op wat wij zouden gaan doen met hetgeen wij hadden geleerd. Ik was gereed en verlangend om het geleerde toe te passen. Ik was bereid te vechten en te sterven om de bevrijding van zowel de zwarte bevolking als alle onderdrukte volken over de gehele wereld tot stand te brengen.
REVOLUTIONAIRE ACTIVITEIT IN AMERIKA
Voordat ik in april 1970 Cuba verliet, werd mij door een revolutionaire groep gevraagd met hen samen te werken. Ik moest mijzelf camoufleren door een fatsoenlijke betrekking te nemen, en als de tijd er dan rijp voor was, zou er contact met mij worden opgenomen. Dit gebeurde inderdaad na verloop van tijd. Ik kreeg als toewijzing het militaire apparaat te ondermijnen, waarbij ik „alle noodzakelijke middelen” moest gebruiken om zwarte militairen met technische bekwaamheden die gebruikt konden worden, op te sporen en tot de revolutionaire zijde over te halen.
Zo kwamen wij bijvoorbeeld te weten dat er een zwarte luchtmachtkapitein was, een expert in karate en explosieven, aan wie promotie was ontzegd wegens zijn huidkleur. Ik nam contact met hem op en trof regelingen voor een ontmoeting. Ik praatte hem naar de mond en won na verloop van tijd zijn vriendschap. Ten slotte kreeg ik hem zover dat hij enthousiast werd voor het idee zwarte militairen te organiseren ten einde het militaire systeem te ondermijnen. De volgende paar maanden nam ik contact op met een aantal jongemannen — allen goed onderlegd en bekwaam, althans voor de doeleinden waarvoor wij ons interesseerden.
Het duurde echter niet lang of de manier waarop ik te werk ging, begon mij met afschuw te vervullen. Bovendien bemerkte ik dat de revolutionairen, ook als er geen strategie in het spel was, niet overeenkomstig het morele idealisme leefden dat ik van de bevrijdingsbeweging was gaan verwachten. Zij leidden een bijzonder losbandig leven. Nadat een kameraad op een zekere avond betrekkingen met zijn vriendin had gehad, wilde hij het met mij aanpappen. Ik vond dit verre van revolutionair, maar veeleer revoltant (weerzinwekkend).
Deze dingen begonnen mij te verontrusten. Ik was nog steeds van mening dat de verwijdering van het bestaande stelsel noodzakelijk was om verbetering van de toestanden te bewerkstelligen, maar ik begon twijfel te koesteren met betrekking tot onze methoden. Ik had nu tijd om na te denken — wanneer ik mij schuilhield en wachtte totdat mij nieuwe opdrachten werden gegeven, en wanneer ik van plaats tot plaats trok om niet ontdekt te worden — en ik begon na te denken over alternatieve manieren om bevrijding van onrecht tot stand te brengen. Toen ik op zekere dag alleen thuis was in een woning in een Newyorkse achterbuurt, werd er een bijzonder aantrekkelijke manier onder mijn aandacht gebracht.
BEVRIJDING VAN ONRECHT — HOE?
Er werd op de deur geklopt en toen ik opendeed stond er een ongeveer één meter tachtig lange zwarte vrouw voor mij die vijf trappen was opgeklommen om mijn woning te bereiken. Ze zei iets over het leiden van een zinvol leven en liet een blauw boek zien, De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Ik was een fervent lezer en nam het. Zij beschreef toen een gratis studiecursus en bood aan terug te komen. Ik vroeg haar te demonstreren wat zij bedoelde.
Het eerste hoofdstuk begon met de vraag: „Wilt u in vrede en geluk leven?” Ik dacht: „Wel, daar vecht ik nu al zo lang voor, opdat de zwarten en alle onderdrukte mensen in vrede en geluk kunnen leven.” De tweede vraag luidde: „Wenst u een goede gezondheid en een lang leven voor uzelf en uw geliefden?” „Natuurlijk! En dat heb ik op Cuba gezien”, dacht ik bij mezelf — „betere medische voorzieningen, zodat mensen naar een langer leven in goede gezondheid kunnen uitzien.”
Nog een vraag was: „Waarom is de wereld zo vol moeilijkheden?” Ik had een antwoord: „Deze kapitalisten willen alles voor zichzelf.” De volgende vraag in het boek luidde: „Wat heeft het allemaal te betekenen?” Dat was nogal eenvoudig, vond ik. Het betekende dat het bestaande stelsel vernietigd moest worden. Het was door en door rot.
De laatste vraag van de eerste paragraaf luidde ten slotte: „Bestaat er enige deugdelijke reden om te geloven dat de toestanden tijdens ons leven werkelijk beter zullen worden?” „Reken maar”, dacht ik bij mezelf. „Er worden over de hele wereld revolutionaire oorlogen gevoerd om hiervoor zorg te dragen. Cuba heeft het voor elkaar gekregen; het heeft de imperialisten van zich afgeschud. De zwarte volken zullen zich ook van hen ontdoen.”
Ik had nog nooit een boek gezien met zulke tot nadenken stemmende vragen. Ik dacht de antwoorden te weten, maar was benieuwd wat het boek erover te zeggen had. Toen wij verder studeerden, deed paragraaf tien mij verstomd staan; de inhoud ervan trof me werkelijk als een donderslag. Ik las hem hardop:
„Al de vele dingen die in Gods Woord der waarheid zijn voorzegd, duiden erop dat wij thàns voor een wereldverandering staan! Wat wij thans als een vervulling van bijbelprofetieën in de gehele wereld zien gebeuren, toont aan dat wíj in de tijd leven die de vernietiging van dit gehele goddeloze samenstel zal zien. De huidige regeringen zullen verwijderd worden om plaats te maken voor de heerschappij over de gehele aarde door Gods regering (Daniël 2:44; Lukas 21:31, 32). Niets kan deze verandering tegenhouden, omdat het Gods voornemen is.”
„Gods regering”? Heeft God dan een regering? Het was voor het eerst in mijn leven dat ik over Gods regering hoorde. Tja, alles wat ik van de kerken had geleerd, was dat God ergens in de lucht was en dat hij alle slechte mensen in het hellevuur zou laten branden en de goede mensen in de hemel zou opnemen. Nu zei dit boek echter dat God de tegenwoordige regeringen zou vernietigen.
De vrouw nodigde mij uit deze gedachte aan de hand van de bijbel te beschouwen. Zij sloeg Daniël 2:44 op. Ik las het zelf: „En in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. En het koninkrijk zelf zal aan geen ander volk worden overgedragen. Het zal al deze koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan.”
„Nou moet je toch meemaken!” dacht ik bij mezelf. „God houdt ook niet van deze regeringen. En hij gaat ze vernietigen!” Ik kon er gewoon niet over uit! Deze gedachte, hoe vergezocht ze ook leek, liet mij niet meer los.
WAS HET WERKELIJK DE MOEITE WAARD?
Later werd ik achterdochtig. Ik vroeg me af of de vrouw misschien een handlangster van de regering was. Aangezien ik geen enkel risico wilde lopen, vertrok ik de volgende dag.
Hoewel ik ermee was opgehouden het leger te ondermijnen, begon ik jongeren uit de getto’s te recruteren voor een opleiding op Cuba. Toch bleef de gedachte dat God een regering heeft mijn geest bezighouden. Ik was gelovig opgevoed, maar de dingen die ik om me heen zag, hadden me sceptisch gemaakt. De kerken schenen God als baatzuchtig af te beelden; ze schenen de mensen altijd maar geld af te troggelen en hen te verblinden voor de bron van hun onderdrukking. Het verontrustte me daarom helemaal niet dat op Cuba religie enigszins werd onderdrukt. Maar nu ging ik me werkelijk afvragen of God wel reëel was.
Ik besloot te bidden en af te wachten wat er zou gebeuren. Ik wist niet hoe. In ieder geval vergewiste ik mij ervan dat de gordijnen goed gesloten waren, zodat niemand mij zou kunnen zien, en ging op mijn knieën. Ik zei iets wat hierop neerkwam: „God, wie u ook bent, als u nog steeds leeft, help mij dan alstublieft. Ik weet niet wat ik nodig heb, maar als u datgene hebt waaraan ik behoefte heb, zend het mij dan alstublieft.”
De volgende morgen reeds, op een zaterdag, kwam een echtpaar bij mij op bezoek om met mij te praten over Gods regering; ik wist dus dat zij het antwoord op mijn gebed vormden. Zij nodigden mij uit naar de Koninkrijkszaal van Jehovah’s getuigen te komen, en de volgende dag ging ik erheen.
Ik kwam diep onder de indruk van de hartelijke wijze waarop ik zowel door kleurlingen als blanken werd verwelkomd en door de oprechte vriendelijkheid die er onder hen bestond. Sceptisch ging ik naar andere Koninkrijkszalen. Maar de situatie was identiek. Ik vond de eenheid en hartelijkheid die er onder de Getuigen bestond prachtig. Bovendien bezaten zij toewijding, rechtschapenheid en een bereidheid om voor hun overtuiging te sterven. Ik kwam te weten hoe Getuigen in Nazi-Duitsland, Malawi en andere plaatsen verschrikkelijk hadden geleden maar hadden geweigerd ten aanzien van wat zij als rechtvaardige beginselen beschouwden, te schipperen.
Dit verbijsterde mij. „Wat houdt deze mensen bijeen? Wat bezielt hen en drijft hen aan?” Ik kwam er niet uit. Het was duidelijk dat dit niet de een of andere nationalistische regering kon zijn, want de Getuigen leren dat God deze zal vernietigen. Ik ging ook beseffen dat zij geen geheime organisatie waren met leiders die achter de schermen werkten.
EEN WERKELIJKE REGERING MET ONDERDANEN
Tegen deze tijd begon ik ernstig na te denken over de gedachte dat God een hemelse regering heeft met aardse onderdanen. Zou het mogelijk kunnen zijn dat deze Getuigen aardse onderdanen van Gods regering zijn? En als God alle aardse regeringen verbrijzelt, zijn zij dan de mensen die door Hem gespaard zullen worden om een nieuwe aardse maatschappij te beginnen?
Het idee fascineerde mij en ik was vastbesloten dit verder te gaan onderzoeken.
Ik kon me herinneren dat ik als kind het gebed had geleerd dat Jezus Christus zijn volgelingen leerde bidden: „Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde” (Matth. 6:9, 10, Nieuwe Vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap). Voor het eerst begon het me nu duidelijk te worden dat dit koninkrijk een werkelijke regering is met een koning die over een rijk met onderdanen regeert. Jezus Christus is zelf Gods aangestelde koning; hij heeft dit in feite zelf tegen Pontius Pilatus gezegd (Joh. 18:36, 37). Ik leerde ook dat de bijbel over deze regeerder voorzei: „Want . . . een zoon is ons gegeven: en de regering zal zijn schouder zijn . . . Aan de toename van zijn regering en vrede zal geen einde zijn.” — Jes. 9:6, 7, Authorized Version.
DE BESTE GRONDWET
Wil een regering reëel zijn, dan moest ze, zoals ik wist, een grondwet of een wetstelsel hebben waaraan haar onderdanen zich moeten houden. Wij revolutionairen hadden bij het ontwerpen van een nieuwe regering veel aandacht geschonken aan de wetten ervan. Nu begon ik de bijbel te bezien als de feitelijke grondwet van Gods regering. Maar wie laten zich door dit Wetboek leiden?
Ik was ervan overtuigd dat het niet de vele belijdende christenen waren die zich erdoor lieten leiden, niet de christenheid, niet de mensen die de bloedigste oorlogen in de geschiedenis hebben gevoerd en die, aangezien zij zichzelf superieur achtten, op schandelijke wijze minderheidsgroepen hebben beroofd en onderdrukt. Ik kon echter zien dat Jehovah’s getuigen werkelijk anders zijn. De bijbel is waarlijk hun grondwet, hun Wetboek. Wat hierin staat, beheerst elk aspect van hun leven.
Er wordt in de bijbel in het geheel geen rassensuperioriteit geleerd. „God [is] niet partijdig”, zegt de bijbel, „maar in elke natie is de mens die hem vreest en rechtvaardigheid werkt, aanvaardbaar voor hem” (Hand. 10:34, 35). U kunt u niet voorstellen hoeveel het voor me betekende deze dingen te leren.
De blanke kerken hadden ons gezegd dat wij kleurlingen een vervloekt ras en derhalve inferieur en dierlijk zijn. Er zijn zelfs talloze mythen in omloop die erop neerkomen dat wij een rudimentaire staart hebben en dat wij als ras dom zijn en een kwalijk riekende lichaamsgeur hebben, enz. Wat geweldig, deel uit te maken van een groep mensen die zich door Gods Woord de bijbel laten helpen zich van zulke minderwaardige leugens te ontdoen!
Verstaat u mij niet verkeerd. Ik zeg niet dat Jehovah’s getuigen volmaakt zijn. Soms ontdek ik bij enkelen van hen overblijfselen van het raciale superioriteitsgevoel, en ik heb af en toe opgemerkt dat sommigen van hen zich onbehaaglijk voelden wanneer zij nauw in contact kwamen met personen van een ander ras. Maar wat kan men na eeuwen van zorgvuldig geïndoctrineerde haat van de zijde van deze wereld eigenlijk verwachten?
Het is zoals het lied vertolkt in de welbekende musical „South Pacific”, waarin een jonge soldaat diep bedroefd is omdat hij verliefd is geworden op een jong meisje van een ander ras en dan zingt dat haar jaar in en jaar uit zorgvuldig is geleerd te haten en bang te zijn voor mensen met een andere huidkleur, ja, dat haar voordat zij nog maar zes of zeven of acht jaar oud was, al zorgvuldig werd geleerd alle mensen te haten die door haar familieleden werden gehaat.
Aangezien Jehovah’s getuigen overeenkomstig de grondwet van Gods regering leven, hebben zij zich echter in een mate die door geen enkel ander volk op aarde wordt geëvenaard, van raciaal vooroordeel bevrijd. Zij streven er beslist naar elkaar ongeacht hun ras lief te hebben, zoals de bijbel zegt: „Wie zijn broeder, die hij heeft gezien, niet liefheeft, kan God, die hij niet heeft gezien, niet liefhebben” (1 Joh. 4:20). Soms word ik tot tranen toe geroerd door de oprechte liefde die blanke Getuigen mij betonen, mensen die ik kort geleden nog zonder aarzeling gedood zou hebben om de zaak van de revolutie te bevorderen.
DE BEVRIJDING NABIJ
Het spijt mij thans heel erg dat ik een aandeel heb gehad aan het beramen van plannen tot het omverwerpen van menselijke regeringen. Door een studie van de bijbel heb ik geleerd dat zulk een handelwijze niet alleen nutteloos is, maar ook in strijd is met wat de bijbel in Romeinen 13:1-7 zegt. Geen enkele regeringsfunctionaris behoeft er dus ooit bang voor te zijn van mijn zijde moeilijkheden te ondervinden. Toch ben ik er terzelfder tijd van overtuigd dat degenen die naar menselijke regeringen blijven opzien voor bevrijding van onrechtvaardigheden, niet alleen bedrogen zullen uitkomen, maar in gevaar verkeren vernietigd te worden wanneer Gods regering binnenkort ’al deze koninkrijken verbrijzelt en er een einde aan maakt’.
Dit betekent vanzelfsprekend dat ook communistische regeringen door God vernietigd zullen worden. Hoewel zulke regeringen naar mijn mening veel hebben gedaan om de toestand van de arme bevolking te verbeteren, hebben menselijke heersers er eenvoudig blijk van gegeven niet in staat te zijn iedereen recht te verschaffen. Sommige communistische regeringen hebben zich zelfs aan afschuwelijke wreedheden schuldig gemaakt. Bovendien worden de mensen onder die regeringen nog altijd ziek; ook worden zij oud en sterven zij. Menselijke heersers kunnen niets doen om dit te voorkomen. Maar God kan en zal dit wel doen! Zijn Woord zegt: „God zelf zal bij [de mensheid] zijn. En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.” — Openb. 21:3, 4.
Bevrijding voor de mensheid van alle vormen van onderdrukking, zelfs met inbegrip van de vijand de dood, is dus mogelijk. Maar alleen op Gods wijze, niet op die van de mens. In plaats van menselijke pogingen tot uitroeiing van onderdrukking en onrecht te ondersteunen, zie ik hiervoor dus nu naar God op. En ik gebruik al mijn tijd om mensen aan te tonen dat de enige ware hoop op bevrijding van onrecht is gelegen in Gods koninkrijk, dat deze langverwachte bevrijding nu binnenkort zal brengen. — Ingezonden.
[Inzet op blz. 132]
„Waarom, zo vroeg ik mij af, wilden de blanken ons laag houden? Wat mankeerde eraan, zwart te zijn?”
[Inzet op blz. 135]
’Ik was bereid te vechten en te sterven om de bevrijding van de zwarte bevolking tot stand te brengen.’
[Inzet op blz. 137]
’De kerken schenen de mensen altijd maar geld af te troggelen en hen te verblinden voor de bron van hun onderdrukking.’
[Inzet op blz. 138]
„Er wordt in de bijbel in het geheel geen rassensuperioriteit geleerd.”
[Inzet op blz. 139]
’Jehovah’s getuigen streven ernaar elkaar ongeacht hun ras lief te hebben.’