Kanker — Hoe kunt u de patiënt tot steun zijn?
„Aan elke klinische behandelingsmethode ligt de noodzaak ten grondslag dat de arts blijk geeft van medegevoel en de patiënt helpt zijn of haar ziekte te begrijpen.” — Holistic Medicine.
DE ZORG voor kankerpatiënten is een grote uitdaging, vooral voor het medisch personeel dat in direct contact staat met de patiënt. Zij zijn gevangen tussen twee moeilijke opgaven — de noodzaak om medegevoel te tonen en optimisme uit te stralen en de noodzaak om terzelfder tijd een subjectieve en sentimentele benadering van de zieke te vermijden. Wat betekent dit in de praktijk?
Artsen en verplegend personeel die voortdurend te maken hebben met kankerpatiënten, kunnen zich niet veroorloven met elke patiënt mee te lijden, anders zou een groot aantal van hen emotioneel opgebrand raken. Ontwaakt! vroeg een gewezen ziekenhuisapotheker naar deze factor. Hij verklaarde: „Ik had in het ziekenhuis te maken met allerlei artsen en specialisten. Degenen die altijd gedrukt of neerslachtig schenen, waren de kankerspecialisten.”
Evenmin kan het medisch personeel simpelweg onpersoonlijk en onbewogen zijn, want de patiënt ziet naar hen op voor hoop. Maurice Finkel schreef in Fresh Hope in Cancer: „Bovenal heeft de kankerpatiënt behoefte aan hoop. Hoop die hem de kracht geeft om tegen zijn ziekte te vechten — zelfs als zijn strijd vruchteloos is. . . . Wie opgeeft, gaat in ieder geval dood, de vechter heeft een kans in leven te blijven.”
De rol van de arts vereist grote fijngevoeligheid; het is alsof hij op een gespannen koord zijn evenwicht moet bewaren. Hij moet peilen hoeveel hij de patiënt over de ziekte moet vertellen om hem te helpen ertegen te vechten. Als hij te veel zegt, zal de patiënt dan de moed verliezen? Deze factoren verschillen ook van de ene cultuur tot de andere.
Ontwaakt! interviewde Tomojosji Hirano uit Japan, die onlangs zijn schoonouders aan kanker verloor. Hij legde uit: „In onze Japanse cultuur is men geneigd niet te spreken over onplezierige feiten. De arts weigerde mijn schoonvader te vertellen dat hij kanker had. Hij wilde het zelfs niet aan de dochters vertellen. Hij was alleen bereid aan mij, een ’buitenstaander’, de onverbloemde feiten over de situatie te vertellen. Van mij werd verwacht dat ik alle beslissingen zou nemen zonder daar ooit mijn vrouw of haar vader in te kennen. Ik voelde mij echter als christen verplicht de waarheid op een tactvolle manier te vertellen en de feiten niet te verhullen.”
Zou aan de andere kant een arts in de westerse cultuur, wanneer hij de situatie niet voldoende verheldert, later niet verweten kunnen worden dat de patiënt beslissingen heeft genomen zonder voldoende door de arts geïnformeerd te zijn? In feite zal veel afhangen van wat de patiënt wil weten en wanneer hij dat wil weten. Dr. Charles F. McKhann zei: „Ik besefte dat als mensen in staat zijn nuchtere vragen te stellen, zij op zijn minst verdienen dat hun artsen bereid en in staat zijn om redelijke antwoorden te geven.” — The Facts About Cancer.
Het is daarom heel aanmoedigend wanneer het medisch personeel oprecht met hun patiënten meeleeft. Dit benadrukt hoe belangrijk het is een arts te kiezen met wie u een goede verstandhouding kunt hebben. Dr. McKhann voegt eraan toe: „Een arts op wie u werkelijk vertrouwt, kan alles draaglijker maken. Uw arts dient meedogend te zijn en begrip en belangstelling te hebben voor u als persoon en als patiënt.”
Dat niet al het medisch personeel altijd gevoelig is voor de noden van de patiënt, blijkt uit wat een verpleegster van kankerpatiënten aan The New York Times schreef: „Wat mij het meest verbaast, is niet het feit dat patiënten en families de kanker te boven komen, maar dat zij de beroepskrachten en instellingen in de gezondheidszorg overleven, wier organisatie en structuur ontworpen schijnen om hen te frustreren, terneer te drukken en te beroven van de verdedigingsmiddelen en steun die in hun situatie zo uitermate belangrijk zijn.” Zij besloot haar brief met de overweging dat „wij goed moeten bedenken dat fijngevoeligheid, normale wellevendheid, lachen en menselijke zorgzaamheid ook ’wapens’ zijn in de oorlog tegen kanker”.
Anderen, naaste familieleden en vrienden bijvoorbeeld, spelen ook een hoogst belangrijke rol in het steunen van de zieken. Dit geldt vooral voor de echtgenoot, de vrouw of de kinderen van een patiënt. Om te illustreren op welke manier zij steun kunnen geven, interviewde Ontwaakt! enkelen die hun zieke huwelijkspartner hebben bijgestaan en enkele personen die kanker hebben overleefd.
’Ik moest mijn prioriteiten veranderen’
De vitale rol van de gezinsleden wordt geïllustreerd door het geval van Terry. Zij was 28 toen zij op de laatste dag van 1982 te horen kreeg dat zij een „agressieve” vorm van terminale kanker had. Artsen gaven haar nog zes tot twaalf maanden te leven. Hoe heeft zij samen met haar man Paul het hoofd geboden aan de situatie?
Paul vertelde aan Ontwaakt!: „Ik vond dat wij de werkelijkheid onder de ogen moesten zien. Zij had nog slechts zoveel maanden te leven, en ik wilde gewoon haar einde zo waardig mogelijk laten zijn. Want chemotherapie kan zo verwoestend zijn en haaruitval en voortdurende misselijkheid en braken veroorzaken.”
Ontwaakt!: Hoe beïnvloedde dit uw leven als echtgenoot?
„Het betekende dat ik de prioriteiten in mijn leven moest veranderen. Bezittingen en geld werden minder belangrijk. Ik besefte dat ik een bijna full-time verpleger voor haar moest zijn om haar te verzorgen. Ik leerde ook geduld te oefenen en mijn verlegenheid van mij af te zetten als zij in het bijzijn van anderen misselijk werd en moest braken of plotselinge aanvallen kreeg. Gelukkig was zij heel realistisch en ging zij zich niet te buiten aan zelfbeklag. Dat maakte mijn taak wat lichter.”
Ontwaakt!: Welke andere suggesties zou u familieleden en vrienden van kankerpatiënten willen geven?
„Geef uw geliefde nooit het gevoel dat hij of zij een last voor u is. Toon medegevoel. Leer af te stemmen op hun gevoelens zodat u weet waarover te praten en wanneer. Soms willen zij hun hart uitstorten en op andere momenten zijn hun gevoelens het laatste waar zij over willen praten.”
Ontwaakt!: Wat hielp Terry haar beproeving te verduren?
„Onze mede-Getuigen waren een grote steun door hun bezoekjes en de maaltijden die zij klaarmaakten. En een permanente bron van kracht was haar studie van de bijbel, die haar een duidelijke kijk op de opstandingshoop gaf en op de tijd waarin er geen dood of ziekte meer op aarde zal zijn.”
Zoals de artsen hadden voorspeld, stierf Terry in oktober 1983, voor het jaar verstreken was.
De kwaliteit van het leven en doelstellingen
Wanneer iemand door een dodelijke ziekte wordt getroffen, rijst de vraag: Hoeveel langer heb ik nog te leven? Weken? Maanden? Jaren? In dat stadium wordt de kwaliteit van het leven belangrijker. Prestaties, zelfs kleine, zoals het schrijven van brieven en het lezen van boeken, worden belangrijk en maken het leven de moeite waard. Activiteiten zijn in de mate waarin ze mogelijk zijn een vorm van therapie.
Dit standpunt wordt gedeeld door de 46-jarige Barbara uit Engeland. In 1980 ontdekte zij dat zij borstkanker had. Sindsdien heeft de ziekte zich uitgebreid tot andere delen van haar lichaam. Chemotherapie en radiotherapie hebben haar echter geholpen. Hoe houdt zij zich op de been? „Ik bemerk dat het hebben van doeleinden op korte termijn goed voor mij is. Ik maak plannen, maar alleen voor gemakkelijk te bereiken doeleinden in de nabije toekomst. Dan bemerk ik dat ik redelijk gelukkig en tevreden kan zijn.
Proberen aan anderen te denken en mij om hen te bekommeren, helpt mij beslist. Daarom ben ik druk bezig met het versturen van kaarten om anderen die zich niet goed voelen op te monteren. Ik put ook vreugde uit het schrijven van brieven aan anderen.”
En hoe steunt haar man Stephen haar? „Door werkelijke, oprechte belangstelling te tonen voor de toestand waarin Barbara zich bevindt, wordt ook zij geholpen. Wij ondernemen alles samen. Hoewel wij bijvoorbeeld beiden van lezen houden, vinden wij het fijn om elkaar voor te lezen en zo samen de ervaring te delen.”
Een hartaanval, vervolgens kanker
Doris’ man, Charles, een forse man van in de zestig, werd in 1985 geveld door een zware hartaanval. Hij bleef negen dagen op de hartbewakingsafdeling maar was zo vastbesloten beter te worden, dat hij binnen zes weken weer aan het werk was. Toen kreeg hij in september van dat jaar last van een onbedwingbare hik tijdens het eten. Na onderzoek vermoedde men dat hij maagkanker had. Hij werd in december geopereerd. Vier weken later was hij weer aan het werk!
Hoe heeft Doris getracht haar man gedurende deze moeilijke maanden te steunen? Zij antwoordt: „Wij verspilden geen tijd en emotionele energie aan negatieve speculaties. Wij wachtten totdat wij wisten waar wij aan toe waren voordat wij erover spraken of onze koers bepaalden.
In aanvaarding van wat onze artsen en chirurg ons als de noodzakelijke behandeling aanraadden, handelden wij in volledig vertrouwen. Wij hielden onze gesprekken positief en dachten in termen van genezing. Mijn man heeft een vechtersmentaliteit, en ik was vastbesloten hem te helpen.”
Ontwaakt!: Wat deed u nog meer om hem positief gestemd te houden?
Doris: „Ik ontmoedigde bezoek tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis of beperkte het. De bezoeken werden gebracht volgens afspraak en moesten kort zijn. Op die manier kon ik de goedbedoelende mensen uitziften die hem zouden kunnen vermoeien. De honderden kaarten die hij ontving waarin hem beterschap werd toegewenst, deden hem trouwens meer goed dan de bezoekjes die hij kreeg.”
Ontwaakt!: Wij weten dat u verpleegster bent geweest en met veel artsen hebt samengewerkt. Maar hoe denkt u nu, als vrouw van een patiënt, dat artsen tot steun kunnen zijn?
Doris: „Ik geloof dat de arts, zoals dat in ons geval ook gebeurde, een positieve kijk op de patiënt dient over te brengen. Hij moet slechts vertellen wat de patiënt wil weten en antwoorden overeenkomstig zijn vragen. Natuurlijk verwachtte ik van de artsen dat zij tegen mij openhartig waren. Maar ik wilde dat zij bij mijn man zaadjes van hoop, niet van wanhoop, zouden zaaien. Dus tenzij een patiënt een antwoord eist, vind ik niet dat je iemand moet vertellen dat hij nog maar zoveel maanden te leven heeft. Laat dat afhangen van de toestand en vastberadenheid van de patiënt.”
Ontwaakt!: Wat helpt u om dag na dag door te komen?
Doris: „Medeleven! De huwelijkspartner die steun moet geven, staat onder voortdurende spanning omdat hij of zij moet proberen sterk te zijn. Daarom is het fijn wanneer iemand vraagt: ’Hoe gaat het met jou, Doris?’ Dan weet ik dat zij ook begrijpen welke beproeving ik doormaak.
Ook bemerk ik dat gevoel voor humor ons helpt. Aangezien wij beiden van golf houden en hij heel veel is afgevallen, zei ik op een dag tegen hem: ’Ik weet niet of jouw benen nu houten nummer-drie-, of stalen nummer-vier-clubs zijn!’ Hij lachte. En weet u, binnen zes weken na de operatie speelde hij een partij golf met mij over 18 holes!”
Wat zijn volgens Charles de factoren geweest die hem als patiënt het meest hebben aangemoedigd?
„Ik kan er drie noemen — mijn vrouw, de ziekenhuisstaf en al onze vrienden. Wij werden fantastisch gesteund door de medische staf. Zij verklaarden ons van tevoren elke stap van de operatie en behandelden ons als mensen, niet als nummers. Dientengevolge hadden wij het volste vertrouwen in hen en dat hielp ons om optimistisch te blijven.
Natuurlijk was mijn vrouw de beste steun. En haar achtergrond als verpleegster maakte het nog beter voor mij. Ook gebed gaf mij veel troost en kracht. Ik bad dat ik in staat zou zijn te blijven werken . . . en zoals u ziet, zit ik hier op mijn kantoor!”
Realistisch zijn, leven met hoop
Ontwaakt! interviewde Ethel, wier echtgenoot Stan onlangs op 65-jarige leeftijd aan kanker is overleden.
Ontwaakt!: Wat voor soort behandeling onderging Stan?
Ethel: „De kanker aan zijn heup werd voor het eerst vastgesteld in januari 1985. Kort daarop ontdekten wij dat hij ook tumoren in een long, een oog en in de hersenen had. Hij kreeg chemotherapie voor de long en kreeg vervolgens bestralingen voor de andere plekken. Een tijdlang scheen hij vooruit te gaan en wij maakten plannen voor een reisje. Toen moest hij op een dag erg braken, en wij wisten dat het een terugval was. Min of meer vanaf die tijd wisten wij beiden dat hij niet kon blijven leven.”
Ontwaakt!: Hoe reageerde u beiden op dat feit?
Ethel: „Wij spraken openhartig over onze situatie, en Stan bezag de dingen realistisch. In feite hielp hij mij door zijn houding om de waarheid van de situatie onder de ogen te zien.
Ik ben geen emotioneel type, en ik probeerde het te vermijden in zijn bijzijn in tranen uit te barsten. Maar ik herinner mij dat ik hem op een dag huilend aantrof, en dat brak mij ook. Ik zei tegen hem: ’Als je voelt dat je moet huilen, kunnen wij net zo goed samen huilen. Dan hebben wij het gehad.’ Zo huilden wij samen, en ik denk dat het ons opluchtte. Nadien glimlachte hij schaapachtig, maar ik weet dat het ons goeddeed.
Een andere uiterst belangrijke factor was onze bijbelse hoop op een opstanding. Wij spraken daar vaak over. Hij zei altijd: ’Ik ga gewoon een poosje slapen. En dan zal ik er weer zijn wanneer de nieuwe ordening op deze aarde is.’ Ons geloof maakte een enorm verschil.”
Kanker en geloof
Aangezien de strijd tegen kanker een zeer persoonlijke strijd is, kan een sterk geloof een hulp zijn. Gebed, wat communicatie met God is, kan een zeer kalmerende invloed hebben. De bijbel verklaart: „Weest over niets bezorgd, maar laat in alles door gebed en smeking te zamen met dankzegging uw smeekbeden bij God bekend worden; en de vrede van God, die alle gedachte te boven gaat, zal uw hart en uw geestelijke vermogens behoeden door bemiddeling van Christus Jezus.” — Filippenzen 4:6, 7.
Volgens de vervulde bijbelprofetieën is de tijd nabij waarin God „elke traan uit hun ogen [zal] wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.” Ja, onder Gods Koninkrijksheerschappij zal kanker, te zamen met alle andere plagen, verwijderd zijn. Die tijd is nabij. — Openbaring 21:3, 4; Lukas 21:29-33.
[Kader op blz. 25]
Positieve zelfhulp voor kankerpatiënten
1. Laat ontkenning niet de overhand krijgen. Wees realistisch en zie de kwestie onder de ogen. Op die manier kunt u de tijd die rest het best benutten.
2. Heb uitvoerbare plannen of doeleinden met betrekking tot dingen die u wilt bereiken. Blijf een doel in uw leven houden. Een leven zonder doel is leeg. Zo hoeft het niet te zijn — dat hangt van uzelf af.
3. Blijf actief in de mate waarin dat mogelijk is. Zelfs als uw lichamelijke mogelijkheden beknot zijn, betekent dat nog niet het einde van uw geestelijke leven. Waarom zou u daar dan een vroegtijdig einde aan laten komen? Houd uw geest actief — door te lezen, te schrijven, te schilderen, te leren. Waarom begint u niet aan iets nieuws?
4. Ontwikkel een positieve houding zodat u uw energie verstandig kunt gebruiken. Zelfmedelijden is op uzelf gericht en zelfvernietigend. Bedenk wat u voor anderen kunt doen. U kunt vrienden en familieleden opbouwen door uw positieve houding.
5. Probeer uw gevoel voor humor te behouden en niet te vergeten af en toe om uzelf te lachen. Zie de rozen, niet slechts de doornen. Waardeer het feit dat u leeft en sta niet slechts stil bij de gedachte dat u, net als ieder ander, sterft.
[Illustratie op blz. 24]
Medisch personeel, geliefden en vrienden kunnen allen steun geven