Ten slotte vond ik het — het werkelijke leven!
Maclean’s, een belangrijk Canadees blad, berichtte op 13 november 1978 onder zijn sportnieuws: „Tom Edur, 23 jaar oud, bezat alles, hèt Canadese ideaal — vrouwen, geld en een plaats in de NHL. Hij was de hoogst-scorende verdediger voor de Pittsburgh Penguins in het afgelopen seizoen. Hij stapte eruit om leden te gaan werven voor de Jehovah’s Getuigen in Denver.”
Zes maanden later schreef The Denver Post van 14 juni 1979 over Edur: „Tom Edur schijnt nog steeds niet iedereen te hebben overtuigd dat zijn beslissing om zich op 23-jarige leeftijd terug te trekken uit de professionele ijshockeysport niet slechts een tijdelijke bevlieging was.
De voormalige verdediger van de Colorado Rockies en de Pittsburgh Penguins werd woensdag jongstleden door de Edmonton Oilers opgevraagd bij de Penguins voor de vorming van de nieuwe divisie. . . .
Edur was in zijn tweede seizoen bij de Rockies toen hij werd doorverkocht aan Pittsburgh . . . Hij speelde de laatste 58 wedstrijden van dat seizoen voor Pittsburgh en verwierf een van de beste plus-minusverhoudingen in de NHL voordat hij aankondigde dat hij zijn jaarlijkse hockeysalaris van naar schatting $92.000 opgaf en zich uit de sport terugtrok.”
Hoe kwam Tom Edur tot die beslissing? Wat heeft hij gevonden dat zoveel beter was dan tophockey? Laat hij het u uitleggen:
IK BEN met ijshockey opgehouden — maar niet omdat ik niet van die sport houd. Dat doe ik namelijk wel. Mijn droom was een speler te worden in de National Hockey League. Ik weet nog goed hoe ik als een jongen van een jaar of tien trouw zat te kijken als mijn favoriete hockeyteam op de tv was. Soms, wanneer hun wedstrijden op de radio werden uitgezonden, lag ik daar op bed naar te luisteren tot ik in slaap viel.
Ik speelde na school en tot laat in de avond — totdat de lichten van de ijsbaan uitgingen. Uiteindelijk speelde ik in de georganiseerde Canadese amateurklasse, en ik klom gestaag omhoog. Op mijn zeventiende had ik mij omhooggewerkt tot in het beste team, de Toronto Marlboros. In 1973 wonnen wij de felstbegeerde amateurtitel in Canada, de Memorial Cup.
Ik word ’prof’
Omstreeks deze zelfde tijd werd een tweede divisie voor professionals gevormd, de World Hockey Association. Wedijverend met de reeds lang bestaande National Hockey League zocht men naar goede jonge spelers. Ik werd benaderd door de Cleveland Crusaders uit de nieuwgevormde divisie. Dit was iets geheel nieuws, want bij de oudere NHL gold een afspraak dat geen spelers onder de 20 jaar werden aangetrokken. Voor een tiener als ik was dit dus de kans van zijn leven!
De Crusaders boden mij een driejarig contract voor $250.000, heel wat geld in die tijd. Dit was voor een 18-jarige inderdaad een aantrekkelijk aanbod! Maar ik hield zoveel van ijshockey, dat ik voor veel minder zou hebben toegehapt.
In juli 1973 tekende ik dus een contract voor drie jaar met de Cleveland Crusaders van de pasgevormde World Hockey Association. Een deel van mijn droom was werkelijkheid geworden — ik was een ijshockeyprof! Het „werkelijke leven” waarnaar ik op zoek was, stond op het punt te beginnen. Spoedig zou ik op het ijs staan samen met enkele van de hockeysterren die ik altijd op de tv had gezien — de helden uit mijn jeugd!
De schokkende realiteit
Zo gauw ik echter in het trainingskamp van het team aankwam, wachtte mij een schok. Hier zag ik voor het eerst hoe het „werkelijke leven” van een professioneel hockeyteam eruitzag. Het eerste wat ik leerde, betrof niet hockey, maar welke de plaatselijke drinklokalen waren die men bezocht. Toegegeven, toen ik in de amateurklasse zat, waren wij ook wel eens dronken. Maar hier gingen wij na een training of een wedstrijd rechtstreeks naar de bar. Volgens de wet was ik hiervoor nog te jong, maar aangezien ik een van de spelers was, werd ik toegelaten.
Dan was er het overspel dat door zo velen van de profspelers werd bedreven. Dat had ik gewoon niet verwacht. Toch vond ik het spoedig heel gewoon en dacht ik dat het allemaal bij het „werkelijke leven” hoorde. Daarom besloot ik een echte ’prof’ te worden, net als zij. Hoe gemakkelijk was het om mijn zienswijze in deze kwesties te veranderen, alleen maar om te worden geaccepteerd!
Mijn eerste seizoen verliep goed, zowel op de ijsbaan als daarbuiten — tenminste dat dacht ik. In mijn tweede seizoen waren echter de tekenen te zien van mijn activiteiten buiten de ijsbaan. De laatste maand van dat seizoen was ik dertig dagen lang elke avond dronken. De manier waarop ik speelde en mijn instelling gingen echt achteruit.
Het derde seizoen begon nog slechter. Ik dacht zelfs dat ik mijn plaats in het team niet meer kon behouden. Mijn kamergenoot hielp mij mijn instelling te verbeteren. Hij deed niet mee met de andere kerels; hij was zijn eigen baas. Dit maakte indruk op mij, en ik begon meer regel in mijn leven te brengen. Ik was niet zo gemakkelijk meer door mijn maats over te halen wanneer zij zeiden: ’Laten we een borrel pakken’, of ’Laten we wat vrouwen opscharrelen.’ Mijn spel verbeterde.
Eindelijk — de NHL!
Mijn contract met de Cleveland Crusaders liep aan het eind van dat jaar af. Ik wilde in de al lang bestaande National Hockey League spelen, maar het team van de NHL dat mij had overgenomen — de Boston Bruins — had naar mijn zin niet genoeg geboden. Zoals u ziet, was mijn houding ten opzichte van geld veranderd. Mijn trainer had een baan gevonden in de NHL en wilde dat ik voor zijn nieuwe team zou gaan spelen, de Colorado Rockies. Ik nam het aanbod aan.
Nu was ik werkelijk in de hoogste divisie aangeland — de NHL! Mijn jeugddroom was volledig vervuld. Nu zou ik over heel Canada op de tv verschijnen en meer erkenning krijgen. Dit zou beslist het „werkelijke leven” gaan worden! In mijn persoonlijke leven hadden zich ook veel veranderingen voorgedaan. Ik had de raad van een vriend opgevolgd en had in de tijd buiten het seizoen een cursus persoonlijke ontwikkeling gevolgd. Dit hielp mij wat positiever te zijn.
Denkend dat ik nu alles voor elkaar had, begon ik aan mijn eerste seizoen bij de NHL. Ik dronk inmiddels veel minder, en ik veranderde mijn zienswijze ten aanzien van immorele activiteiten. Het werd wel steeds onaangenamer om te zien hoe alle dronkenschap en immoraliteit om mij heen maar doorging, met de droevige gevolgen in de vorm van stukgelopen huwelijken van teamgenoten.
Ik begon mij af te vragen of ik ooit een loyale echtgenote zou kunnen vinden met wie ik een gelukkige en vertrouwelijke band zou kunnen hebben. Was er niemand anders die net zo over morele maatstaven dacht als ik? Vooralsnog liet ik al dat piekeren voor wat het was en concentreerde ik mij op het hockeyen. Dit resulteerde in mijn beste jaar tot dan toe.
Hulp van een voormalige schoolvriendin
Nadat het seizoen in 1977 was afgelopen, keerde ik met het overlijden van mijn grootmoeder terug naar huis in Toronto. Met mijn nieuwe positieve houding en het vertrouwen dat ik in mijzelf had, voelde ik mij heel slecht op mijn gemak met alle tranen en rouw bij de begrafenis. Ik dacht: ’Mijn grootmoeder moet dan nu in een betere plaats zijn, naar mijn familieleden oprecht geloven, waarom dus die instelling tegenover de dood?’
Later in die week ontmoette ik Liz, een voormalige schoolvriendin. Ik vertelde haar hoe ik mij voelde. Ze zei dat ik, in plaats van op mijzelf en mijn zogeheten positieve instelling te vertrouwen, moest leren mij op God te verlaten en hem te vertrouwen.
Dat trof mij omdat ik niet noemenswaard in God geloofde, hoewel ik op mijn zestiende in de Lutherse Kerk was aangenomen. Mijn reactie was: ’Je kunt niet op God vertrouwen; je moet het zelf doen. Het geld komt niet uit de hemel vallen!’
Liz legde uit dat zij net was begonnen met Jehovah’s Getuigen de bijbel te bestuderen. Dit zei mij niets, aangezien ik nooit van de Getuigen had gehoord. Daarom las zij mij enkele schriftplaatsen voor waaraan, zo zei zij, alle christenen zich volgens de Getuigen moesten houden. Dat waren onder andere Efeziërs 5:3-5; 1 Korinthiërs 6:9, 10 en Galáten 5:19-21, waarin wordt getoond dat hoererij en overspel werken van het vlees zijn die iemand van God en het toekomstige leven vervreemden.
Zo gauw ik deze teksten hoorde, vond ik dat iets prachtigs, want nu had ik iets gevonden waardoor mijn zienswijzen over de maatstaven voor gedrag werden ondersteund — precies wat ik wilde horen! Ik hoefde niet langer alleen op mijzelf te vertrouwen maar ik werd gesteund door de bijbel. ’Welke betere bron is er?’ redeneerde ik. ’De bijbel bestaat al duizenden jaren.’ En er is een volk dat werkelijk probeert naar deze zelfde maatstaven te leven.
Liz gaf mij een bijbel en de boeken De waarheid die tot eeuwig leven leidt, Ware vrede en zekerheid — Uit welke bron? en Is de bijbel werkelijk het Woord van God? Binnen een maand had ik ze uit. Daarna probeerde ik Liz te vinden maar slaagde daar niet in. Ik was wanhopig omdat ik meer wilde weten. Toen herinnerde ik mij dat zij had gezegd: „Ergens in Toronto drukken ze deze boeken.”
Dus zocht ik Jehovah’s Getuigen in het telefoonboek op en maakte een afspraak om naar het bureau van het Wachttorengenootschap te gaan. Daar kocht ik alles wat er in pocketformaat beschikbaar was, en ging op weg naar het noorden om te gaan kanovaren en eens serieus te gaan lezen. Ik las die zomer alle boeken uit, en ze lieten werkelijk een diepe indruk op mij achter. Ik kwam tot de conclusie dat bijbelse beginselen en profhockey gewoon niet te verenigen zijn. Op het ijs wordt er vaak grof, opzettelijk geweld gebruikt en buiten de ijsbaan is een immorele levensstijl gewoon. — Matthéüs 22:39; Spreuken 10:23.
Bij mijn terugkomst in Toronto lukte het mij contact op te nemen met Liz. Ik zei haar: „Ik weet dat wat ik gelezen heb, de waarheid is. Ik ben van mening dat ik met hockey moet ophouden en deze dingen aan anderen moet onderwijzen.” Zij zelf zou nog maar twee weken later worden gedoopt als een getuige van Jehovah, en ik zou over een week weer naar het trainingskamp moeten, terwijl ik niet werkelijk wilde gaan. Zij verwees mij voor raad naar het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Toronto.
Een beslissing nemen
Ik hoopte werkelijk dat men mij daar onmiddellijk zou zeggen met het professionele ijshockey op te houden. Maar dat deden zij niet. In plaats daarvan lazen zij mij enkele schriftplaatsen voor om mij de noodzaak te laten inzien dat ik zelf een beslissing moest nemen en zeker moest weten wat ik deed (Spreuken 21:5; 29:20). Ik begreep dat ik meer in de bijbel moest studeren voordat ik een beslissing nam.
Ik ging op weg naar het trainingskamp in Colorado. Het eerste wat ik deed, was in het telefoonboek Jehovah’s Getuigen opzoeken om met hen af te spreken dat zij met mij de bijbel zouden bestuderen. Alles ging goed vooruit. Mijn bijbelkennis nam toe, en ik had nog nooit zo goed gehockeyed.
Plotseling werd ik, zoals zo vaak in de profsport gebeurt, doorverkocht aan de Pittsburgh Penguins. Mijn trainer in Cleveland en Colorado was buiten het seizoen zelf naar Pittsburgh gegaan en probeerde mij nu in zijn ploeg te krijgen. Dit was een stap vooruit in mijn carrière als hockeyer aangezien Pittsburgh een beter, ervarener team was, maar in geestelijk opzicht betekende het een achteruitgang.
Deze inzinking duurde echter niet lang. Opnieuw zocht ik de Getuigen op in het telefoonboek en trof regelingen voor een bijbelstudie. Hier was het echter wat moeilijker om van de andere spelers weg te komen om te gaan studeren, aangezien enkelen van ons gezamenlijk in het hotel woonden. Het werd echter gemakkelijker toen ik een huis huurde in een buitenwijk en mijn eigen auto had om mij te verplaatsen.
Met de kennis die ik verwierf, beschouwde ik het hockeyseizoen slechts als een kwestie van aftellen. Dat wil niet zeggen dat mijn spel eronder te lijden had. Dit was mijn beste seizoen als een van de topscorers van het team, wat voor een verdediger als iets heel goeds wordt beschouwd. Niettemin wist ik in mijn hart dat profhockey voor mij van de baan was. ’Waarom zou ik mijn tijd, energie en kracht verspillen in het najagen van zoiets,’ redeneerde ik, ’wanneer ik Jehovah God kan dienen?’
Het seizoen eindigde en ik trof voorbereidingen om te worden gedoopt op het internationale congres van Jehovah’s Getuigen in Montreal in juli 1978. Bij wijze van voorproefje van wat de volle-tijddienst inhoudt, besteedde ik er in de maand voor mijn doop zo’n 60 uur aan om mijn nieuwe geloof met anderen te delen. Mijn gebeden tot God om mij te helpen en op te leiden bleven niet onbeantwoord. In die tijd toonde hij mij vele dingen en gaf een opleiding voor toekomstige voorrechten als volle-tijd pionierbedienaar.
Pogingen om mij om te praten
Deze vorderingen werden niet gemaakt zonder dat er druk werd uitgeoefend door welmenende familieleden en anderen die dachten dat ik op een verkeerde weg zat. Ik trachtte hun duidelijk te maken wat ik geloofde en hen terzelfder tijd geestelijk te helpen. Niettemin vonden zij mij een dwaas dat ik roem en zoveel geld wilde opgeven. Met Jehovah’s hulp verdroeg ik hun kritiek echter. Intussen vroeg ik Liz, die voor het eerst mijn interesse voor de bijbelse boodschap had opgewekt, ten huwelijk. Twee weken nadat ik werd gedoopt, trouwden wij en vertrokken kort daarna naar Colorado om daar als pioniers te dienen.
Ik had de hockeyclub nog niets over mijn nieuwe carrière verteld. Dus in september, een week voordat het trainingskamp begon, liet ik hun weten dat ik mij uit de sport terugtrok. Zij waren geschokt. Zij deden hun uiterste best om mij ertoe over te halen terug te komen. Daar mijn contract nog een jaar geldig was, dachten zij dat ik op meer geld uit was. Zij boden mij een open contract aan — ik kon elk bedrag vragen dat ik maar wenste. Om mij ter wille te zijn zeiden zij ook dat ik de zondag vrij kon hebben voor mijn religie.
Maar het dienen van Jehovah, de Allerhoogste God, is geen zaak die je met één dag per week kunt afdoen. Het is een levenswijze. Hockey is ook een carrière die alle tijd opslokt. Je moet eraan toegewijd zijn, en altijd bezig zijn met het spelen van wedstrijden en trainen. En nu had ik mij opgedragen aan Jehovah (Matthéüs 16:24). Zoals ik het voelde, zou hockeyen als een professional en tegelijkertijd proberen Jehovah te dienen, zijn alsof ik twee meesters diende — iets of iemand zou eronder moeten lijden. Ik liet het team dus weten dat ik ophield met profhockey. — Matthéüs 6:24.
Zelfs vier maanden later, toen wij Pittsburgh bezochten, trachtte het team mij ertoe te verleiden om weer te gaan spelen. Zij boden mij $20.000 voor het spelen in twee wedstrijden op het weekend. Dit was werkelijk een test, omdat wij in die tijd krap bij kas zaten. Maar ik hield mij aan mijn beslissing en speelde niet. Kort daarop liet mijn accountant ons weten dat een van onze beleggingen was verkocht. Zo waren wij in staat in onze behoeften te voorzien. Jehovah zorgt beslist goed voor ons als wij dicht bij hem blijven.
Ons verheugen in het werkelijke leven
Wat ik dacht dat het werkelijke leven was, bleek het niet te zijn. Ik had de top bereikt in de hockeywereld, en wat vond ik daar? Geen tevredenheid en geluk. Nee, de glans en de roem van de sportwereld is niet het werkelijke leven. Terwijl het van de buitenkant bezien misschien gelukkig en rooskleurig lijkt, vindt men binnenin gewoonlijk extreme zelfzucht en geen werkelijk doel in het leven.
Dit betekent niet dat ik mijn carrière heb verruild omdat ijshockey op zich een slechte sport is. Ik vond het heerlijk om te spelen en af en toe doe ik het nog wel als ontspanning. Maar „godvruchtige toewijding” is nuttiger dan „lichamelijke oefening”, zegt de apostel Paulus, „daar ze een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven” (1 Timótheüs 4:8). Ja, mijn huidige carrière biedt iets wat met geld en roem niet te koop is — een kostbare verhouding met Jehovah God, alsook zijn beloofde geschenk van het toekomstige leven, eeuwig leven!
Hoe gelukkig ben ik en wat ben ik Jehovah dankbaar nu een echtgenote te hebben met dezelfde geest en hetzelfde doel als ik! Na samen twee jaar in de Verenigde Staten te hebben gepionierd, werden wij in 1980 uitgenodigd om mee te werken aan de bouw van de nieuwe bijkantoorfaciliteiten in Canada. Sinds de voltooiing van de mooie nieuwe woon- en kantoorgedeelten en de drukkerij zijn wij hier gebleven als vaste leden van het bijkantoorpersoneel.
Samen kunnen Liz en ik de Allerhoogste God dienen, niet door „onzekere rijkdom” na te jagen, maar geestelijke belangen, ten einde „het werkelijke leven stevig [te] mogen vastgrijpen” (1 Timótheüs 6:17-19). Ja, ik ben dankbaar dat ik eindelijk „het werkelijke leven” heb gevonden! — Zoals verteld door Tom Edur.
[Illustratie op blz. 14]
Hier speelde ik in de National Hockey League
[Illustratie op blz. 16]
Liz en ik bereiden ons samen voor op christelijke vergaderingen en dienst