De zienswijze van de bijbel
Geloofsbelijdenissen — Hebben ze enige functie in de ware aanbidding?
„IK GELOOF in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus . . .”
Herkent u deze woorden? Zo, of met geringe variaties, worden ze door miljoenen katholieken en protestanten opgezegd als verklaring of belijdenis van hun geloofsovertuigingen. Deze geloofsbelijdenis, die gewoonlijk de Apostolische geloofsbelijdenis wordt genoemd, heeft evenals andere zoals de Athanasiaanse en de Niceaanse geloofsbelijdenis, bij de openbare eredienst in de kerken van de christenheid altijd een belangrijke plaats ingenomen.
In het licht hiervan rijzen de vragen: Zijn geloofsbelijdenissen van essentieel belang voor het christelijk geloof en de christelijke eenheid? Zeiden Jezus Christus en de apostelen geloofsbelijdenissen op? Worden ze in de bijbel genoemd?
Gerenommeerde naslagwerken zoals Hastings’ Encyclopædia of Religion and Ethics en McClintock & Strongs Cyclopedia delen ons mede dat de kerkelijke geloofsbelijdenissen zoals wij die thans kennen, hun oorsprong vonden in de belijdenissen die in de vroege kerken bij de doop werden gebruikt. De kandidaten moesten er blijk van geven dat zij ten minste de fundamentele geloofsovertuigingen hadden aanvaard, door een of andere formele samenvatting daarvan na te zeggen. Er bestonden veel van zulke belijdenissen, en kerken in verschillende gebieden hadden hun eigen versies. Pas in de vierde eeuw begonnen bepaalde geloofsbelijdenissen andere te overvleugelen.
Tegen deze achtergrond bezien, is het duidelijk dat geloofsbelijdenissen werden gebruikt om de geloofsovertuigingen van een kerk te definiëren ten einde haar van andere kerken te onderscheiden. Er ontstonden verschillende geloofsbelijdenissen wanneer er leerstellige veranderingen werden aanvaard. Tijdens het Concilie van Nicea bijvoorbeeld werd de verklaring dat de Zoon ’één van wezen’ was met de Vader, toegevoegd aan een eerdere doopbelijdenis. En tijdens het Concilie van Constantinopel werd er nog de verklaring aan toegevoegd dat de heilige geest „met den Vader en den Zoon samen aanbeden en verheerlijkt” wordt.
Het is interessant dat, ook al heeft de ontwikkeling van geloofsbelijdenissen een heel lange historie, volgens Avery Dulles van de Katholieke Universiteit van Amerika „waarschijnlijk geen enkele periode in de geschiedenis zoveel nieuwe geloofsformules heeft zien ontspruiten als onze eigen tijd”. Er zijn thans in de kerken van de christenheid „meer dan 150 officieel erkende geloofsbelijdenissen”, zegt de Encyclopædia Britannica.
Gebruikten Jezus en de apostelen geloofsbelijdenissen?
Op de avond voordat zijn lijden begon, bad Jezus tot zijn hemelse Vader met betrekking tot zijn discipelen: „Heilig hen door middel van de waarheid; uw woord is waarheid” (Johannes 17:17). Hij bad of zijn discipelen geheiligd, of afgezonderd, mochten worden. Maar verwees hij naar een of andere geschreven formule of geloofsbelijdenis? Neen! Hij maakte daarentegen duidelijk dat wat God heeft gezegd, zoals het in de bijbel opgetekend staat, hen van anderen afzonderde.
Toen Jezus de kwestie van gebed besprak, zei hij: „Zegt . . . niet steeds weer dezelfde dingen” (Matthéüs 6:7). Als Jezus dus het herhalen van geschreven of uit het hoofd geleerde gebeden niet goedkeurde, spreekt het dan niet vanzelf dat hij ook het opzeggen van geloofsbelijdenissen bij de openbare eredienst zou afkeuren? In feite vinden wij nergens in de bijbel vermeld dat Jezus geloofsbelijdenissen bij de aanbidding gebruikte of iemand opdroeg dat te doen. „God is een Geest,” zei hij, „en wie hem aanbidden, moeten hem met geest en waarheid aanbidden.” — Johannes 4:24.
Hoe zit het dan met de Apostolische geloofsbelijdenis? Wegens die benaming denken velen dat deze belijdenis door de apostelen van Jezus Christus zelf is opgesteld. Sommigen beweren zelfs dat elk van de apostelen een zin heeft bijgedragen voor de samenstelling van deze geloofsbelijdenis.
Over dit punt schreef professor G. C. Stead in The Expository Times: „Iedereen die zich ook maar iets uitvoeriger in vroeg-christelijke lectuur heeft verdiept, moet onvermijdelijk tot een andere conclusie komen.” Hij redeneerde dat het, indien er een door de apostelen formeel ontworpen en goedgekeurde geloofsbelijdenis bestond, moeilijk te verklaren zou zijn waarom bij de vroege kerken zoveel verschillende ’belijdenissen’ en ’geloofsverklaringen’ bestonden. De waarheid is dat „een verklaring van christelijk geloof die in grote trekken overeenstemt met de Apostolische geloofsbelijdenis, in geen enkel geschrift uit de tijd vóór A.D. 340 te vinden is”.
De bijbel spreekt in Handelingen hoofdstuk 15 wel over een vergadering van de apostelen en oudere mannen in Jeruzalem. Die bijeenkomst had echter niet ten doel een geloofsbelijdenis op te stellen of te herzien, maar te beschouwen of het noodzakelijk was dat christenen uit de heidense natiën besneden werden.
Hoe te bewijzen wat „ik geloof”
De beginwoorden van een geloofsbelijdenis luiden onveranderlijk: „Ik geloof” of ”Wij geloven”. Deze uitdrukking is een vertaling van het Latijnse woord „credo”. Maar betekent het herhalen van dergelijke woorden dat iemand werkelijk gelooft?
In de beroemde Bergrede verklaarde Jezus: „Niet een ieder die tot mij zegt: ’Heer, Heer’, zal het koninkrijk der hemelen ingaan, maar hij die de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is.” Ook veroordeelde hij de religieuze leiders van zijn tijd omdat zij vasthielden aan de overleveringen van mensen. — Matthéüs 7:21; 15:8.
Wat leren wij uit Jezus’ woorden? Dat het in Gods ogen geen waarde heeft wanneer iemand alleen maar herhaalt wat hij beweert te geloven. Iemand zal daarentegen Gods goedkeuring verwerven indien hij „de wil doet van [Jezus’] Vader”.
Als iemand wil weten wat Gods wil is, moet hij zich tot de bijbel wenden en er naarstig in studeren. In plaats van geloofsbelijdenissen van buiten te leren of op te zeggen, moeten wij dus doen wat Jezus in gebed tot zijn Vader zei: „Dit betekent eeuwig leven, dat zij voortdurend kennis in zich opnemen van u, de enige ware God, en van hem die gij hebt uitgezonden, Jezus Christus.” — Johannes 17:3.
[Illustratie op blz. 23]
Ik geloof . . . Ik geloof . . .