Van droefenis tot hoop
„Deze raad van commissarissen wenst uit naam van al haar leden en collega’s uitdrukking te geven aan haar innige deelneming met de dood van uw moeder. De eigenschappen die zij bezat, haar intense overtuiging en geloof, bewegen ons ertoe u van ganser harte onze gevoelens van medeleven te betuigen.”
DEZE vriendelijke woorden stonden in een condoléancebrief die ik na de dood van mijn moeder ontving. Hij was afkomstig van enige katholieke heren uit de parochie van St. Johannes de Evangelist, Casa Verde in São Paulo (Brazilië). Toch was Moeder tot haar dood in mei 1966 een van Jehovah’s Getuigen. Zelfs die katholieke heren moesten de onvermoeibare ijver erkennen waarmee Moeder haar Schepper had gediend.
Vluchten voor hun leven
Moeder was een Armeense. Hoewel de Armeniërs eeuwenlang onder Turkse heerschappij hadden geleefd, hielden zij zich afgezonderd, want zij belijden christenen te zijn. Maar de Turken zijn moslems.
In Stanoz, een stad in de buurt van Ankara in Turkije, had Moeder met haar familie een vredig leven geleid. Maar in 1915 werd voor de Armeense bevolking eensklaps alles anders. Een plotselinge verordening van de Turkse regering beval de Armeniërs alle instrumenten in te leveren die als wapen konden worden gebruikt, zoals messen en tuinbouwgereedschap. Vervolgens werden er Turkse soldaten gestuurd om alle fysiek gezonde mannen uit hun huizen te halen. Velen van de mannen in Moeders familie werden weggehaald, onder wie haar vader, en zouden nooit meer thuiskomen. Later werd bekend dat zij onthoofd of doodgeknuppeld waren.
Hierdoor bleef mijn grootmoeder alleen achter met haar bejaarde moeder en vijf kinderen, onder wie mijn moeder. Toen kwam de dag dat allen moesten vluchten, want hun huizen werden met benzine overgoten en de hele stad werd platgebrand. De mensen renden voor hun leven, en moesten vrijwel alles achterlaten. Moeder vertelde dat zij in de verwarring vergaten hun koe los te maken en dat het angstige gebrul van het dier hen nog lang achtervolgde. Dagenlang was de lucht met zwarte rookwolken bedekt.
Als vluchtelingen trokken zij van het ene land naar het andere, totdat zij in Frankrijk terechtkwamen. Uiteindelijk ontmoette Moeder daar mijn vader, en in 1925 trouwden zij. In de daaropvolgende jaren kregen zij een zoon en vier dochters. Vader was ook een Armeniër, uit Kayseri in Klein-Azië. Wat zijn familie had meegemaakt, was nog vreselijker, want zij waren verbannen, gedwongen hun huizen te verlaten, in zoals zij het noemden een aksor (gedwongen uittocht). De mensen moesten dus alles achterlaten en het onherbergzame binnenland intrekken, waar velen van hen van de honger of door ziekte gestorven zijn of vermoord werden.
Het tijdschrift Time van 23 augustus 1982 verklaarde: „Het besluit tot deze volkenmoord werd door de minister van Binnenlandse Zaken, Talaat Pasha, in 1915 aan de plaatselijke leiders bekendgemaakt. Een van zijn edicten verklaarde dat de regering had besloten ’alle in Turkije woonachtige Armeniërs volledig te vernietigen. Er moet een eind gemaakt worden aan hun bestaan, hoe misdadig de genomen maatregelen ook mogen zijn, en ongeacht leeftijd, of sekse of gewetensbezwaren’.”
Wat zal het heerlijk zijn als er onder Gods koninkrijk geen haat of oorlog meer bestaat en het Paradijs op de gehele aarde hersteld zal zijn! Dan zullen Armeniërs, Turken en mensen uit alle natiën voor eeuwig in vrede met elkaar leven.
Maar laat mij u vertellen hoe mijn familie en ik die schitterende hoop leerden kennen.
Wanneer een geliefde sterft
In 1938, toen ik pas acht jaar was, verhuisde ons gezin naar Brazilië. Ons gezin koos São Paulo, een groot handelscentrum, als woonplaats. Hier brachten wij het tot materiële voorspoed door de produktie van torrão, een soort pindasnoepje, waar erg veel vraag naar was.
Wij hadden het plan de fabriek uit te breiden. Toen werd plotseling mijn broer, die toen twintig jaar was, getroffen door een ziekte die bacteriële endocarditis heet. De artsen zeiden dat hij nog maar enkele maanden te leven had, maar zij zeiden dat zij zouden kunnen experimenteren met penicilline, wat toen nog iets nieuws was. Hij bleef echter koorts houden. Spoedig daarna kwam de streptomycine beschikbaar. Wij dachten dat dit het wondermiddel zou zijn. Helaas was mijn broer er blijkbaar allergisch voor; zijn temperatuur steeg tot 40 °C en hij had een verschrikkelijke hoofdpijn.
Wij namen contact op met een arts in de Verenigde Staten, en hij vertelde ons over een middel dat in combinatie met penicilline gebruikt kon worden. Het werd ons per luchtpost toegezonden. Toen wij op het punt stonden ons ermee naar het ziekenhuis te haasten, werden wij opgebeld met de mededeling dat mijn broer gestorven was. Hij was 22 jaar. Wij huilden dag en nacht en er was niemand om ons te troosten.
Een stralend licht van hoop
In diepe wanhoop begon Moeder te lezen in de bijbel en de Wachttoren-publikaties die Vader in de loop der jaren had aangeschaft. Zij smeekte ons meisjes ze ook te lezen. Dat had Vader gedaan, en hij had gezegd dat er een opstanding van de doden zou zijn. Dat wekte onze belangstelling. Mijn drie zusjes begonnen die publikaties te lezen. Wat mij betrof, ik wilde alleen maar de bijbel lezen, want ik wilde mij door geen enkele religie laten beïnvloeden.
Ik herinnerde mij een gesprek dat ik met mijn broer had gehad voordat hij stierf. Hij zei dat hij, als er een leven na de dood bestond, contact met mij zou opnemen. Maar na zijn dood had hij nooit enig teken gegeven dat hij waar dan ook nog voortleefde. Dus toen ik in Prediker 9:5 las dat ’de doden zich van helemaal niets bewust zijn’, wist ik dat mijn broer niet nog ergens in leven was. En hoe vertroostend was het Jezus’ woorden te lezen: „Allen die in de herinneringsgraven zijn, [zullen] zijn stem . . . horen en te voorschijn . . . komen” (Johannes 5:28, 29). Maar toen ik aan Openbaring 20:5 kwam, vroeg ik mij af wat dat kon betekenen. Daar staat: „De overigen der doden kwamen niet tot leven totdat de duizend jaren geëindigd waren.”
„Dat betekent niet dat de doden pas uit de graven komen als de duizend jaar voorbij zijn”, zei mijn oudere zus.
„Hoe weet je dat?” vroeg ik.
„Dat staat in de boeken die jij niet wilde lezen.”
„In welk?”
Dat wist zij niet meer. Dus begon ik ze stuk voor stuk te lezen — en wij hadden er meer dan een dozijn! Soms las ik de hele nacht door om een of andere verklaring voor Openbaring 20:5 te vinden. Wat had ik veel gemist doordat ik die Wachttorenboeken niet had willen lezen!
Wij stonden op het punt per brief het tweede deel te bestellen van het boek Licht, dat over Openbaring ging, alsook andere publikaties, toen er een Getuige bij ons aan de deur kwam. Hij zei dat wij die boeken in de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen konden krijgen en nodigde ons uit om daarheen te komen. Wij besloten te gaan. Na de vergadering namen de Getuigen er liefdevol de tijd voor om tot middernacht met ons te praten en onze vragen over de opstanding te beantwoorden.
Zij legden uit dat de in Openbaring 20:5 genoemde doden tot leven zullen komen tijdens de Duizendjarige Regering van Christus, maar dat hun pas eeuwig leven zal worden toegekend nadat zij zich getrouw hebben betoond tijdens de laatste beproeving aan het einde van de duizend jaar. De belofte van de opstanding werd nu een stralend licht van hoop.
„Je gaat veel te diep”
Nog datzelfde weekeind, terwijl wij nog in de rouw waren over de dood van onze broer, begonnen wij van huis tot huis te prediken. Grootmoeder had de Tweede Wereldoorlog overleefd en was uit Frankrijk bij ons komen wonen. Zij was protestant. Toen ik haar liet zien hoezeer de bijbel verschilde van haar religie, zei ze: „Waarom ga je niet met de predikant van mijn kerk praten?” De predikant stemde toe in een gesprek met ons en er werd afgesproken dat wij hem thuis zouden bezoeken.
„In welke zin is Jezus onze Redder?” vroeg ik hem eerst.
„Hij redt ons van onze zonden, en na de dood gaan wij naar de hemel”, was zijn antwoord.
„En degenen die niet gered worden?”
„Die gaan naar de hel.”
„Waar gingen de getrouwen heen die leefden voordat Jezus naar de aarde kwam, zoals Abraham en David?”
„Naar de hemel.”
„En waar gingen de trouwelozen heen voordat Jezus gestorven was?”
„Naar de hel.”
„In welke zin is Jezus dan een Redder, als vóór zijn dood de goede mensen naar de hemel en de slechte mensen naar de hel gingen, en het na zijn offerandelijke dood nog precies zo gaat? En waar gingen de mensen heen die nooit van Jezus hadden gehoord? Kunnen zij zonder Christus naar de hemel gaan? Als dat zo is, waarom moet Christus dan tot hen gepredikt worden? Of gingen zij naar de vurige hel zonder zelfs maar Jezus’ naam gehoord te hebben? Als dat zo is, dan is Jezus niet gekomen om hen ook te redden. Is Jezus niet de Redder van de wereld?”
„Je gaat veel te diep”, antwoordde de predikant. „Zo diep hoef je niet in de bijbel te studeren. Ik studeer er niet eens zo diep in. Alles wat je hoeft te doen, is eerlijk zijn, een goed leven leiden en respectvol zijn. Dan zul je je beloning ontvangen, waar dat ook mag zijn.”
„Bedoelt u dat de bijbel alleen maar een boek over goede zeden en goede manieren is?” vroeg ik. „Zelfs mensen die niet in God geloven, weten dat zij zich zo moeten gedragen!”
Ik was toen pas achttien jaar, en hij was een grijze, bejaarde Armeense predikant. Grootmoeder is nadien nooit meer naar de protestantse kerk gegaan. Zij werd een Getuige en wij werden op 22 augustus 1948 samen gedoopt, als een symbool dat wij ons leven aan Jehovah hadden opgedragen.
Van rouw tot hoop
Moeder, mijn zusters en ik, die altijd huilden als wij aan de droevige lotgevallen van ons gezin dachten, vertelden anderen nu vol vreugde over de Nieuwe Ordening en de opstandingshoop. Wat moesten wij doen, nu wij zo’n onvergelijkelijke hoop hadden? Teruggaan naar ons werelds werk, en voor onze snoepfabriek zorgen? Zou ik concertpianiste worden, zoals mijn doel was geweest? Of een volle-tijdverkondigster van het goede nieuws van Gods koninkrijk worden?
Er was geen sprake van twijfel. Een maand nadat ik in 1948 mijn eerste grote congres van Jehovah’s Getuigen had meegemaakt, werd ik pionierster (evangeliste in volle-tijddienst) en kort daarop gingen mijn drie zusters ook in de pioniersdienst. Wat een voldoening schenkende levenswijze is dat geweest!
In 1953 kreeg ik een nieuw voorrecht toen ik werd uitgenodigd voor de 22ste klas van de Gileadschool, waar Jehovah’s Getuigen tot zendeling worden opgeleid. Maar Moeders gezondheid liet te wensen over. Toen wij op een dag alleen waren, vroeg ik haar: „Moeder, als Jehovah jou vroeg te doen wat hij Abraham vroeg, zijn enige zoon Isaäk als slachtoffer te brengen, wat zou je dan zeggen?”
Zij dacht even na en antwoordde na een poosje: „Ik zou tegen Jehovah geen nee kunnen zeggen.”
„Stel je voor dat hij iets veel gemakkelijkers zou vragen,” vervolgde ik, „dat wil zeggen, een van je dochters als zendelinge naar een of ander deel van deze wereld te laten gaan. Zou je haar dan laten gaan?”
Ze zei ja. Toen vertelde ik haar dat ik weg zou gaan om als zendelinge te worden opgeleid. Mijn oudste zuster, Siranouche, bleef achter om voor onze ouders te zorgen.
Toen ik na Gilead weer aan Brazilië werd toegewezen, heb ik iets minder dan twee jaar gewerkt in Lages in Santa Catarina, waar slechts twee Getuigen waren, en daar heb ik de oprichting van een nieuwe gemeente beleefd. Toen werd mij in 1956 een nieuw voorrecht aangeboden, dat mij altijd buitengewoon dierbaar is gebleven — dienen op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Brazilië, en daar ben ik altijd gebleven. Moeder heeft mij nooit gevraagd weer thuis te komen, zelfs niet toen zij in 1962 weduwe werd en weinig bestaansmiddelen had. Zij was met weinig tevreden en schreef mij altijd hoogst aanmoedigende brieven.
Nadat ik twintig jaar op het bijkantoor had gewerkt, kwam een van mijn zusters, Vehanouch, die de 33ste klas van Gilead had doorlopen, ook op het bijkantoor werken. Wij dienen nu allebei op de vertaal- en correctieafdeling.
Mijn beide andere zusters zijn ook in de volle-tijddienst gebleven. Gulemia, de jongste, begon in 1949 op veertienjarige leeftijd als pionierster en sedert 1960 is zij speciale pionierster (dat wil zeggen dat zij 140 uur per maand aan het predikingswerk besteedt). In 1966, na de dood van mijn moeder, is mijn oudste zuster Siranouche Gulemia’s partner in de speciale pioniersdienst geworden. Op het ogenblik dienen zij in Caconde, een stadje in het hartje van de bergen, in de staat São Paulo.
Geen ander werk had ons grotere vreugde kunnen schenken dan de verkondiging van Gods koninkrijk. Wij danken Jehovah en Christus dat zij ons hebben gebruikt zoals de ’vier dochters van Filippus’ (Handelingen 21:9). Wij vieren hebben het voorrecht gehad meer dan 400 personen te helpen deze zelfde vreugde te vinden. Wij hebben het aantal Getuigen hier in Brazilië van 1300 zien uitgroeien tot meer dan 170.000.
In 1978 zagen wij in het Olympisch Stadion in München, in de Turkse afdeling van het Internationale „Zegevierend geloof”-congres iets wat voor ons van speciaal belang was. Het was iets dat ons diep in het hart trof — Armeniërs en Turken die in vrede en ware liefde samen naar bijbelse raad zaten te luisteren! Wie denkt u dat na afloop van het programma die dag aanbood ons in zijn auto naar ons logeeradres te brengen? Juist, een Turkse Getuige! Jehovah kan werkelijk wonderen verrichten!
Hoeveel meer vreugde zullen wij nog mogen smaken als wij onze liefdevolle Schepper getrouw blijven! Dan zullen wij de zegepraal van zijn Koninkrijk zien en klaarstaan om onze geliefden in de opstanding te verwelkomen! — Zoals verteld door Hosa Yazedjian.
[Inzet op blz. 16]
Veel van de mannen uit Moeders familie werden weggehaald en wij hebben nooit meer iets van hen gehoord
[Inzet op blz. 17]
’Er moet een eind komen aan hun bestaan, ongeacht gewetensbezwaren’
[Inzet op blz. 17]
Aangezien ik mij door geen enkele religie wilde laten beïnvloeden, weigerde ik de lectuur van Jehovah’s Getuigen te lezen
[Inzet op blz. 20]
Armeniërs en Turken zaten samen in vrede en liefde naar bijbelse raad te luisteren!
[Illustraties op blz. 18]
Hosa Yazedjian in het Braziliaanse bijkantoor van het Wachttorengenootschap waar zij werkt