Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g98 8/6 blz. 18-20
  • Mijn keuze tussen twee vaders

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn keuze tussen twee vaders
  • Ontwaakt! 1998
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik groei op in een van haat vervulde wereld
  • Verandering van denken
  • Een moeilijke beslissing voor een zeventienjarige
  • Een krachtiger standpunt
  • Represailles
  • Ontsnapt naar Griekenland
  • Hereniging na zes jaar
  • De familie die echt van mij hield
    Ontwaakt! 1995
  • Wanhoop maakt plaats voor vreugde
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
  • Na elf jaar vond ik de echte schat
    Ontwaakt! 1984
  • Van droefenis tot hoop
    Ontwaakt! 1985
Meer weergeven
Ontwaakt! 1998
g98 8/6 blz. 18-20

Mijn keuze tussen twee vaders

„Je bent mijn zoon niet meer! Verlaat dit huis onmiddellijk en kom niet terug voordat je die religie vaarwel hebt gezegd!”

MET niets dan de kleren die ik aanhad, ging ik weg. Die nacht ontploften in de omgeving granaten en ik had geen idee waar ik naar toe moest. Er gingen meer dan zes jaar voorbij voordat ik naar huis terugkeerde.

Wat kon een vader zo woedend maken dat hij zijn eigen zoon het huis uitzette? Nu, laat ik vertellen hoe het allemaal is begonnen.

Ik groei op in een van haat vervulde wereld

Mijn ouders wonen in Beiroet, in Libanon, een land dat eens beroemd was als toeristische trekpleister. Van 1975 tot 1990 was de stad echter het middelpunt van een verwoestende oorlog. Ik werd in 1969 geboren als oudste in een Armeens gezin met drie kinderen. Dus mijn vroegste herinneringen zijn tijden van vrede.

Mijn ouders behoorden tot de Armeense Apostolische Kerk, maar Moeder nam ons maar twee keer per jaar mee naar de kerk — met Pasen en Kerstmis. Ons gezin was dus niet zo religieus. Toch werd ik naar een evangelische middelbare school gestuurd, waar ik godsdienstonderwijs kreeg. In die tijd interesseerde religie mij evenmin.

Een van de dingen die veel Armeniërs van kleins af aan leerden, was Turken te haten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden Turken honderdduizenden Armeniërs uitgemoord en het grootste deel van Armenië ingenomen. In 1920 werd het overgebleven, oostelijke deel een republiek van de Sovjet-Unie. Als jonge man was ik vastbesloten te vechten voor gerechtigheid.

Verandering van denken

Maar in de jaren ’80, halverwege mijn tienerjaren, begonnen de dingen die mijn oom van moederszijde me vertelde, mijn denken te veranderen. Hij zei dat de Almachtige God spoedig alle onrecht zou herstellen. Hij legde uit dat door middel van het Koninkrijk waar Jezus Christus zijn volgelingen om had leren bidden, zelfs degenen die in slachtpartijen waren vermoord, een opstanding tot leven op aarde zouden krijgen. — Mattheüs 6:9, 10; Handelingen 24:15; Openbaring 21:3, 4.

Ik was diep onder de indruk. Omdat ik meer wilde weten, bleef ik hem vragen stellen. Dit leidde tot een bijbelstudie, die bij een andere Getuige thuis werd gehouden.

Naarmate ik meer over mijn hemelse Vader, Jehovah, te weten kwam en hem steeds meer ging liefhebben, bekroop mij de vrees dat ik op een dag voor een moeilijke beslissing zou komen te staan — kiezen tussen mijn familie en Jehovah God. — Psalm 83:18.

Een moeilijke beslissing voor een zeventienjarige

Uiteindelijk hoorde Moeder dat ik contact had met Jehovah’s Getuigen. Zij was heel erg van streek en beval me met mijn bijbelstudie te stoppen. Toen zij besefte dat mijn overtuiging mij ernst was, dreigde zij het Vader te vertellen. Op dat moment kon het me niet schelen, omdat ik dacht dat ik de situatie wel aan zou kunnen en tegenover Vader voet bij stuk zou kunnen houden. Maar ik had het mis.

Toen Vader vernam dat ik met Jehovah’s Getuigen omging, werd hij woedend. Hij dreigde me het huis uit te zetten als ik niet met mijn bijbelstudie stopte. Ik zei hem dat ik er niet mee zou stoppen, omdat wat ik leerde de waarheid was. Nadat hij uitgetierd en uitgevloekt was, begon hij te huilen als een kind. Hij smeekte me letterlijk niet meer met de Getuigen om te gaan.

Ik was emotioneel verscheurd en werd heen en weer geslingerd tussen twee vaders — Jehovah en hem. Ik wist dat beiden heel veel van mij hielden en ik wilde hen beiden tevredenstellen; maar het leek onmogelijk. Ik kon de druk niet meer aan. Ik vertelde Vader dat ik zou doen wat hij wilde, terwijl ik bij mezelf redeneerde dat ik mijn studie zou kunnen hervatten en een Getuige worden wanneer ik ouder was. Ik was toen maar zeventien.

De dagen die daarop volgden, schaamde ik me over wat ik had gedaan. Ik besefte dat Jehovah niet blij was en dat ik geen vertrouwen in de woorden van de psalmist David had gesteld, die zei: „Ingeval mijn eigen vader en mijn eigen moeder mij werkelijk verlieten, zou toch Jehovah zelf mij opnemen” (Psalm 27:10). Maar ik zat nog op de middelbare school en mijn ouders betaalden mijn opleiding.

Een krachtiger standpunt

Meer dan twee jaar ging ik niet bij mijn oom op bezoek en had ik geen enkel contact met de Getuigen, omdat ik wist dat mijn ouders me constant in de gaten hielden. Op een dag in 1989 kwam ik — ik was toen twintig — een Getuige tegen die ik kende. Heel vriendelijk vroeg hij of ik hem wilde opzoeken. Daar hij met geen woord repte over bijbelstudie, ging ik uiteindelijk bij hem langs.

Na verloop van tijd ging ik de bijbel bestuderen en vergaderingen van Jehovah’s Getuigen in de Koninkrijkszaal bezoeken. Ik studeerde op mijn werk, waar niemand me kon storen. Daardoor kreeg ik een beter begrip van Jehovah’s liefdevolle persoonlijkheid en ging ik beter inzien hoe waardevol het is om onder alle omstandigheden een nauwe band met hem te hebben en te bewaren. In augustus van dat jaar ging ik zelfs het geleerde met anderen delen.

Tot die tijd wist mijn familie nergens van. Maar een paar dagen later stonden mijn vader en ik weer tegenover elkaar, maar deze keer was ik beter voorbereid op de confrontatie. Hij probeerde rustig te vragen: „Jongen, is het waar dat je nog steeds met Jehovah’s Getuigen omgaat?” Hij had tranen in zijn ogen toen hij op mijn antwoord wachtte. Mijn moeder en mijn zus huilden zachtjes.

Ik legde uit dat ik pas sinds kort met de Getuigen omging en dat ik vastbesloten was een van hen te worden. Daarna ging alles heel snel. Vader schreeuwde de woorden die in de inleiding van dit artikel staan. Toen greep hij me en brulde dat hij me niet levend het huis uit zou laten gaan. Ik slaagde erin me los te rukken en toen ik de trap afrende, hoorde ik dat mijn jongere broer Vader probeerde te kalmeren. „Van nu af aan bent u mijn Vader”, bad ik tot Jehovah. „Ik heb voor u gekozen, dus zorg alstublieft voor mij.”

Represailles

Een paar dagen later ging Vader naar het huis van mijn oom, in de veronderstelling dat hij me daar zou treffen. Hij viel hem aan en wilde hem doden, maar een paar Getuigen die op bezoek waren, kwamen tussenbeide. Vader ging weg maar dreigde dat hij zou terugkomen. Kort daarna kwam hij ook terug, vergezeld door de met vuurwapens gewapende militie. Zij namen de Getuigen en mijn oom, die heel erg ziek was, mee naar hun militaire hoofdkwartier.

Daarna werd een zoektocht georganiseerd naar andere Getuigen in de omgeving. Ook bij een van hen werd een inval gedaan. Boeken, met inbegrip van bijbels, werden op straat op een hoop gegooid en verbrand. Maar dat was nog niet alles. Zes Getuigen werden gearresteerd, alsook enkele mensen die alleen maar met hen studeerden. Allen werden in een kleine ruimte gestopt, ondervraagd en vervolgens geslagen. Sommigen werden brandwonden toegebracht met sigaretten. Het nieuws over deze gebeurtenissen ging als een lopend vuurtje door de buurt. De militie zocht me overal. Mijn vader had hun gevraagd me te zoeken en me tot andere gedachten te brengen, ongeacht de methoden die zij daarbij zouden gebruiken.

Een paar dagen later drong de militie de Koninkrijkszaal binnen, waar een van de gemeenten een vergadering hield. Zij lieten de hele gemeente — mannen, vrouwen en kinderen — de zaal verlaten. Zij namen hun bijbels in beslag en lieten hen naar het hoofdkwartier van de militie lopen, waar zij werden ondervraagd.

Ontsnapt naar Griekenland

Al die tijd was ik onder de hoede van een Getuige-gezin, ver van het toneel van onrust. Een maand later vertrok ik naar Griekenland. Toen ik daar aankwam, droeg ik mijn leven aan Jehovah God op en werd ik gedoopt als symbool van mijn opdracht.

In Griekenland ervoer ik de liefdevolle zorg van een geestelijke broederschap van mensen van verschillende nationaliteiten — ook Turken. Ik ondervond de waarheid van Jezus’ woorden: „Niemand heeft huis of broers of zusters of moeder of vader of kinderen of velden ter wille van mij en ter wille van het goede nieuws verlaten, die niet nu, in deze tijdsperiode, honderdvoudig zal ontvangen, huizen en broers en zusters en moeders en kinderen en velden, mèt vervolgingen, en in het komende samenstel van dingen eeuwig leven.” — Markus 10:29, 30.

De volgende drie jaar bleef ik in Griekenland. Hoewel ik Vader verschillende keren schreef, reageerde hij nooit. Ik hoorde later dat wanneer vrienden langskwamen en hem naar mij vroegen, hij altijd zei: „Ik heb geen zoon die zo heet.”

Hereniging na zes jaar

In 1992, nadat de oorlog was afgelopen, ging ik weer in Beiroet wonen. Via een vriend liet ik mijn vader weten dat ik naar huis wilde terugkomen. Hij antwoordde dat ik welkom zou zijn — maar alleen als ik mijn geloof vaarwel had gezegd. Vandaar dat ik de volgende drie jaar in een gehuurde flat woonde. Toen, in november 1995, verscheen Vader plotseling op mijn werk en vroeg naar mij. Ik was er toen niet, dus liet hij de boodschap achter dat hij wilde dat ik thuiskwam. Aanvankelijk kon ik het nauwelijks geloven. Dus heel aarzelend ging ik naar hem toe. Het was een emotionele hereniging. Hij zei dat hij het niet langer erg vond dat ik een Getuige ben en hij wilde dat ik thuis kwam wonen!

Nu dien ik als christelijke ouderling en volle-tijddienaar in een Armeenssprekende gemeente. Ik kom vaak mensen als mijn vader tegen die hun familieleden tegenstand bieden omdat deze Jehovah willen dienen. Ik besef dat Vader oprecht geloofde dat hij er goed aan deed mijn aanbidding tegen te staan. De bijbel bereidt christenen zelfs voor door te zeggen dat zij tegenstand van hun familie kunnen verwachten. — Mattheüs 10:34-37; 2 Timotheüs 3:12.

Ik hoop dat mijn vader en de rest van mijn familie eens mijn bijbelse hoop op een komende betere wereld zullen delen. In die wereld zullen er geen oorlogen of bloedbaden meer zijn en mensen zullen niet langer uit hun land verdreven worden of ter wille van rechtvaardigheid vervolgd worden (2 Petrus 3:13). En dan zullen mensen niet hoeven te kiezen tussen twee dingen die hun zo na aan het hart liggen. — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen