Mijn wonden van Hirosjima zijn verdwenen!
Zoals verteld door Taeko Enomoto uit Hirosjima
EEN vreemde kwam naar ons huis met een verschroeid flard van een overhemd dat was gedragen door een schooljongen. De boord met het bovenste gedeelte van het hemd was het enige dat ervan overgebleven was. Maar de op de borst geschreven naam, Mijakawa Sjiro, was nog steeds duidelijk te lezen. Het was het hemd van mijn broer.
In de morgen van 6 augustus 1945 ging ik zoals gewoonlijk naar het werk. Ik was toen 19, en als zo veel meisjes van mijn leeftijd was ik meegesleurd door de koorts van het patriottisme die het land destijds in zijn greep had en had ik mij aangesloten bij het Vrouwelijke Vrijwilligerskorps. Mijn broer, nog een schooljongen, was het centrum van de stad ingegaan om te werken. Mijn vader was gesneuveld in Mantsjoerije. Zo kwam het dat moeder alleen thuis was.
Vroeg in de morgen waren er vijandelijke vliegtuigen waargenomen in de buurt van Hirosjima, en er was een paar keer luchtalarm gegeven. Toen wij klaar waren met onze militaire exercities en op het punt stonden het gebouw binnen te gaan, schokte de omgeving door een enorme explosie. Alles werd rood voor mijn ogen. De hitte van de ontploffing gaf mij het gevoel alsof ik in een hete vuuroven was gevallen — op dat moment raakte ik bewusteloos.
Zo gauw ik weer bijkwam, dacht ik aan ons gezin. Hoewel het klaarlichte dag was, zag alles er door de sluier van stof heel spookachtig uit. Spoedig begon er een zwarte, roetachtige regen te vallen die ongeveer twee uur aanhield. Wat ik op weg naar huis zag, was beangstigend. Er waren mensen bij wie het bloed uit de hals spoot en anderen die de handen voor hun ogen hadden geslagen terwijl het bloed tussen hun vingers door stroomde. Ik zag velen die over hun hele lichaam roodverbrand waren. Bij sommigen bungelde de huid van armen en handen aan hun vingertoppen naar beneden, terwijl anderen de huid meesleepten die van hun benen had losgelaten. Er waren mensen wier haar gekroesd was en recht overeind stond.
Toen ik mijn huis bereikte, bemerkte ik dat de hele buurt met inbegrip, van ons huis, door de ontploffing met de grond gelijkgemaakt was. Wat was ik blij dat ik mijn moeder nog levend aantrof, hoewel zij door rondvliegend glas lelijke snijwonden had opgelopen! Maar wat was er met mijn broer gebeurd? Wij besloten tot de volgende zonsopgang te wachten en dan zodra het licht werd de stad in te gaan om naar hem te zoeken.
De speurtocht naar mijn broer
De aanblik van de stad de volgende dag deed mij beseffen dat dit geen gewone luchtaanval was geweest. Deze bom was iets heel groots geweest. De verwoesting was ongekend.
Op de brug die naar de binnenstad leidde, lagen over de hele lengte de verkoolde lichamen opgestapeld van degenen die gedood waren, zodat er in het midden slechts een smalle doorgang overbleef. Af en toe hoorde ik gekerm uit die stapels lichamen en soms bewoog er zich plotseling iemand. Zonder te denken rende ik er dan op af om te kijken of het mijn broer was. Maar zij waren allemaal zo ontzettend verbrand en opgezwollen dat het moeilijk te zeggen was wie zij waren. Toen ik daarna bij de verschillende opvangcentra kwam, bleef ik de naam van mijn broer roepen, maar hij was nergens te vinden.
Na twee, drie dagen begon men lijsten samen te stellen van de doden. Soldaten verzamelden de verkoolde lijken, gooiden er benzine overheen en verbrandden ze. Voor de gewonden en stervenden kon heel weinig worden gedaan. Men gaf hun wat water en een dagelijks rantsoen van één kommetje rijst. Verbandmiddelen, medicijnen, een medische behandeling, het was er allemaal niet.
Binnen een paar dagen begon het haar van mensen uit te vallen. Vliegen en maden kropen over de open wonden van degenen die te zwak waren om ze te verwijderen. De stank van de lijkverbranding en de onbehandelde wonden vervulde de lucht. Al gauw begonnen degenen die gezond genoeg waren om voor de gewonden te zorgen, schijnbaar zonder reden een voor een dood te gaan. Klaarblijkelijk waren zij bezweken aan de uitwerking van de straling. Ook ik begon last te krijgen van diarree, zwakheid en zenuwstoornissen.
Na ongeveer twee maanden te hebben gezocht, kwam ik uiteindelijk te weten wat er met mijn broer was gebeurd. De onbekende over wie ik eerder vertelde, kwam ons opzoeken. Hij legde uit dat hij water had gegeven aan een jongen die door de bom ernstige brandwonden had opgelopen en blind geworden was. Toen mijn broer ten slotte stierf, was deze persoon zo vriendelijk geweest het hemd uit te trekken en de moeite te nemen ons te zoeken en het ons te brengen.
Dit alles had op mij, een meisje van 19, een traumatische uitwerking. Ik verloor de kracht om over wat dan ook na te denken. Ik verloor ook elk gevoel van angst. Ik kon slechts onophoudelijk huilen. Telkens als ik mijn ogen sloot, zag ik de slachtoffers, met een wezenloze blik op hun gezichten, doelloos rondzwervend in het halfduister. Wat haatte ik oorlog! Ik haatte de Amerikanen om de bom die zij hadden laten vallen, en ik haatte de Japanse leiders omdat zij het zo ver hadden laten komen met de oorlog.
Ik vond iets beters
In de tien jaar die volgden, trouwde ik en kreeg drie kinderen. Maar mijn hart bleef branden van haat. Hoewel ik deze gevoelens verschrikkelijk graag kwijt wilde, vroeg ik mij af hoe ik dit alles ooit zou kunnen vergeten.
Ik probeerde verschillende religieuze groeperingen en sloot mij ten slotte aan bij de Seitjo No Ie-religie daar die mij het meest liefdevol en edelmoedig toescheen. Maar zij konden mij geen bevredigende antwoorden geven. Toen ik vroeg waarom mijn broer moest sterven, zeiden zij slechts: „Mensen die goede dingen doen, sterven jong. Het was zijn lot.”
Toen verhuisden wij naar Tokio. Op een dag kwam er een getuige van Jehovah aan de deur. Hij sprak over Gods koninkrijk en las mij iets uit de bijbel voor over mensen die hun zwaarden tot ploegscharen zullen slaan (Jesaja 2:4). Ik was onder de indruk van zijn vriendelijkheid en zijn bijbelkennis en nam twee tijdschriften van hem. Later kwam ik te weten dat ook hij het grootste deel van zijn familie in Hirosjima had verloren. Hij trof er regelingen voor dat ik door een vrouw werd bezocht.
De dame kwam vele keren, altijd met een warme glimlach op haar gezicht. Maar ik was nog steeds verbitterd en koud. Hoewel ik naar haar boodschap uit de bijbel luisterde, kon ik gewoon niet geloven dat er enige reddende kracht kon schuilen in een religie uit een land dat die dag van ellende over Hirosjima had gebracht. Maar zij had iets waardoor ik naar haar bleef luisteren.
„Denkt u”, zo vroeg ik haar op een dag, „dat iemand zoals ik, die een hart vol haat heeft, net zo’n warm hart kan krijgen als u hebt?”
„Ja, dat is mogelijk”, zei zij vol vertrouwen. „Ik ben geworden zoals ik ben na een studie van de bijbel”, legde zij uit.
Zo begon ik dus met een systematische studie van de bijbel aan de hand van een brochure getiteld „Zie! Ik maak alles nieuw”. Uit de studie leerde ik dat de daden van de zogenoemde christelijke naties niet overeenkwamen met het christendom zoals dat in de bijbel wordt geleerd, en dat ook die christenheid Gods oordeel te wachten staat.
Mijn enthousiasme groeide naarmate ik verder studeerde. Ik begon te begrijpen waarom God tot in onze tijd goddeloosheid heeft toegelaten en dat slechts Gods koninkrijk de macht bezit de mensheid van lijden te verlossen. Ik was ook diep bewogen door de liefde die Jezus Christus toonde door ten behoeve van alle mensen zijn leven aan een martelpaal te gegeven. Geleidelijk aan veranderde de bijbelse boodschap mijn gevoelens, en spoedig was de haat in mijn hart uitgedoofd. In plaats daarvan voelde ik een warme liefde voor anderen en een sterk verlangen hun over Gods koninkrijk te vertellen.
Ik begon de bijbelse bijeenkomsten in de Koninkrijkszaal regelmatig te bezoeken en werd in juni 1964 gedoopt. Gedurende de daaropvolgende zeven jaar was ik in staat als pionierster (een volle-tijdbedienaar van Jehovah’s Getuigen) te dienen en smaakte ik het voorrecht 12 personen te mogen helpen de enige ware God, Jehovah, te leren kennen.
Mijn ervaring benutten
Mijn man en ik zijn nu naar Hirosjima teruggekeerd. Hier ontmoet ik nog steeds veel mensen die zich net als ik de bom herinneren. Daar ik hetzelfde heb doorgemaakt als zij, ben ik in staat hen te helpen inzien dat de enige ware hoop op een wereld zonder oorlog gelegen is in de bijbelse boodschap van de komende Koninkrijksregering van Christus Jezus.
Tegenwoordig zijn in Hirosjima de littekens van de bom grotendeels verdwenen. Maar wat belangrijker is, ik heb de wonden en de haat die ik zo veel jaren in mijn hart meedroeg, kunnen uitbannen en heb ze vervangen door hoop en liefde. Nu verlang ik naar de tijd waarin God al degenen zal opwekken wier gedachtenis hem dierbaar is. Het is mijn verlangen de onvergelijkelijke vreugde die ik nu bezit, te delen met de velen die 40 jaar geleden in Hirosjima stierven — met inbegrip van mijn dierbare jonge broer.
[Inzet op blz. 10]
De stank van de lijkverbranding en de onbehandelde wonden vervulde de lucht
[Inzet op blz. 10]
Telkens als ik mijn ogen sloot, zag ik de slachtoffers, met een wezenloze blik op hun gezichten
[Illustratie op blz. 9]
Taeko als 19-jarige in 1945
[Illustratie op blz. 11]
Taeko met haar dochter