Mijn hart was vervuld van haat
HOE levendig staat mij het voorval nog bij! De jonge soldaat was achtergelaten toen zijn patrouille het gebied verliet. Om hem heen een dichte groep honende en dreigende vrouwen. Toen openden hun rijen zich om een man met een pistool door te laten. Hij schoot en maakte zich snel weer uit de voeten. Ja, de jonge soldaat was doodgeschoten.
Vanwege mijn bittere haat tegen alles wat Brits was, voelde ik weinig bedroefdheid of medelijden toen de jonge man werd weggedragen, een arm omlaagbungelend van de draagbaar. Dit was de vijand. Zijn uniform was het symbool van hen die ik als de onderdrukkers van mijn volk bezag. Hij was soldaat en wij waren in oorlog.
Dat gebeurde enkele jaren geleden in een door twist verscheurd Belfast in Noord-Ierland. Laat ik u vertellen hoe ik van haat vervuld raakte — en belangrijker, hoe ik leerde alle haat uit mijn hart te verwijderen.
Een atmosfeer van haat
Toen ik nog een heel jong meisje was, woonde ons gezin in een wijk van Belfast waar protestantse en katholieke gezinnen met elkaar in vrede konden wonen en werken. Maar de sektarische geschillen werden verbitterder toen demonstraties voor burgerrechten plaats maakten voor geweld en moord. Vaak zaten benden protestantse jongelui mijn broers achterna en ranselden hen af met riemen die met metaal beslagen waren. Deze benden stroopten ons stadsgedeelte af, bedreigden de inwoners en brachten schade toe aan eigendommen. Na vele dreigementen, die een hoogtepunt bereikten in het plaatsen van een bom op de vensterbank van ons huis, waren wij gedwongen de buurt te verlaten en te verhuizen naar wat een republikeins-katholiek getto werd.
Het was een tijd van brute sektarische moorden, van wraak en weerwraak. Zo werd de broer van een schoolvriendinnetje van mij vermoord terwijl hij ergens op het trottoir stond. Dergelijke beangstigende gewelddaden en de achterstelling die katholieken naar mijn mening ondervonden op het gebied van huisvesting en werkgelegenheid, deden bij mij de wens ontstaan alles te doen wat in mijn vermogen lag om de situatie te veranderen.
Deelname aan paramilitaire activiteiten
Na mijn vrienden en vriendinnen in een uniform te hebben gezien, wilde ik dat ook. Als jong schoolmeisje sloot ik mij daarom aan bij de jeugdafdeling van een katholieke paramilitaire organisatie. Terwijl ik luisterde naar al de propaganda, raakte mijn jonge hart vervuld van haat jegens degenen die ik als de vijanden van mijn land zag. Samenkomsten met anderen die soortgelijke idealen koesterden, deden mij gloeien van vuur voor ’de zaak’ — vrijheid voor de Ieren! Wat mijn taak was? Uitkijken naar legerpatrouilles, propagandamateriaal verspreiden en opletten wie vriendelijkheid betoonden jegens de veiligheidstroepen.
Later mocht ik lid worden van de vrouwenafdeling van de organisatie. Daar kon ik vollediger uiting geven aan mijn haat voor alles wat Brits was. Samen met anderen viel ik leger- en politiepatrouilles lastig, deed ik mee aan het uitjouwen en bespugen van leden van de veiligheidstroepen en nam ik deel aan demonstraties ten gunste van de republikeinse zaak. Soms had ik vuurwapens bij mij voor de mannelijke leden van onze groep wanneer zij deelnamen aan een schietpartij of beroving. Als wij door een legerpatrouille werden aangehouden, kon een jonge vrouw zich gemakkelijker aan een fouillering onttrekken.
Ik redeneerde nooit echt door en keek niet verder dan het beperkte doel, de Engelsen Ierland uit te krijgen. Naar mijn idee hadden wij gelijk en zij ongelijk. Ik onderdrukte ieder gevoel van medeleven voor de slachtoffers van terreurdaden. Wij zagen onszelf als vrijheidsstrijders die oorlog voerden tegen een vijand van ons volk, en de filosofie was dat oorlog elke gewelddaad rechtvaardigt. Als ook onschuldigen het slachtoffer werden van gewelddaden die uit haat voortvloeiden . . . jammer, maar daar was niets aan te doen!
Mettertijd werd ik gearresteerd en beschuldigd van het dragen van wapens voor een strafactie. Twee leden van onze groep zouden de straf voltrekken en het slachtoffer de knieën verbrijzelen door hem een kogel door beide knieën te schieten. Vanwege mijn jeugd kwam ik er uiteindelijk met een voorwaardelijke straf vanaf. De korte tijd die ik in de Armagh-gevangenis doorbracht voordat mijn zaak voorkwam, bewerkte slechts dat ik nog meer haat ging koesteren jegens de politie, het gevangenissysteem en de rechtspraak, die ik als instrumenten van onderdrukking zag.
Religieuze opvoeding
De haat die in mijn hart groeide, werd niet beteugeld door de religieuze opvoeding die ik had meegekregen. Ja, mijn religie was onontwarbaar verweven met mijn nationalisme. Ik groeide op met de gedachte dat de protestanten een bedreiging en een gevaar voor mij en mijn familie vormden. Mijn haat was niet minder dan die welke fanatici van de andere partij aan de dag legden jegens degenen die tot onze katholieke gemeenschap behoorden.
Het kwam nooit in mij op dat er sprake kon zijn van een tegenstrijdigheid als ik naar de mis ging en als katholiek tot God bad, en een intense haat koesterde jegens een Britse soldaat die misschien ook katholiek was. Als er ooit een conflict zou ontstaan tussen mijn nationalisme en mijn religie, zou nationalisme het winnen. Zo kon ik het idee aanvaarden dat een van mijn metgezellen een medekatholiek doodschoot als hij een Brits uniform droeg.
Natuurlijk waren er oprechte priesters die in toespraken geweld veroordeelden. Dit had echter weinig effect omdat er maar zelden enige actie werd ondernomen tegen degenen die bij het terrorisme betrokken waren. Wat moest ik met mijn jonge ontvankelijke geest ervan denken als ik zag hoe een terrorist met volledige kerkelijke eer begraven werd? Bij een zo’n gelegenheid maakte ik deel uit van de begrafenisstoet voor een dode kameraad. Er werden schoten afgevuurd over zijn met een driekleur bedekte kist. Ik marcheerde in uniform naar de kapel en hoorde daar de mis. In mijn ogen was het een militaire begrafenis en de betrokkenheid van de priester betekende voor mij dat God zijn goedkeuring gaf aan onze zaak.
Ik had geen enkel schuldgevoel voor iets wat ik deed. Nooit heeft een priester mij rechtstreeks de raad gegeven mij uit de paramilitaire activiteiten terug te trekken.
Ik leer de waarheid kennen
Tegen die tijd ging ik helemaal op in de strijd voor de zaak, in de stellige overtuiging dat ze rechtvaardig was. Ik zag de onrechtvaardigheden van de andere partij, lichtgelovig alle verhalen van gruweldaden en verwerpelijkheden voor waar aannemend en voorbijgaand aan de wrede excessen van mijn eigen kant. Toch begonnen gezond verstand en fatsoen mij het gevoel te geven dat er iets helemaal verkeerd zat.
In die periode dat ik worstelde met dat dilemma van nationalistische geschillen en gewelddadige pogingen om onrecht te verhelpen, kwam ik in contact met Jehovah’s Getuigen. En zij spraken over de dingen waar ik voor meende te strijden — vrede, rechtvaardigheid en vrijheid! Vertegenwoordigden zij gewoon een vorm van protestantisme? Nee, ondanks aanvankelijk wantrouwen bemerkte ik dat zij heel anders waren. Zij hielden zich werkelijk afgescheiden van de politiek, en zij beriepen zich uitsluitend op de bijbel.
Een illustratie daarvan: Al in een beginfase van onze gesprekken vroeg ik de Getuige die ons gezin bezocht, wat zij dacht van de protestantse religieuze leider die in mijn ogen de aandrijvende kracht was achter de anti-katholieke en anti-republikeinse acties. In plaats van partij te kiezen vroeg zij: „Wat zou Jezus onder deze omstandigheden hebben gedaan? Wiens zijde zou hij hebben gekozen?”
Die vraag, „Wat zou Jezus hebben gedaan?” hielp mij aan het juiste antwoord op vele vragen die bij mijn studie van de bijbel rezen. Zo moest ik bijvoorbeeld gaan overwegen wat Jezus zou hebben gedaan, toen ik nadacht over mijn betrokkenheid bij gewelddadige protesten tegen wat ik als onrecht zag. In het begin leek ik wel wat op de joodse nationalisten van Jezus’ tijd die de Romeinen Judéa uit wilden hebben. Ik ging echter beseffen dat Jezus neutraal zou zijn geweest, zoals hij ook zijn volgelingen opdroeg neutraal te zijn. Zijn Koninkrijk was geen deel van deze wereld. — Johannes 15:19; 17:16; 18:36.
Mettertijd werd mij duidelijk dat Gods koninkrijk onder Jezus Christus een veel grootser doel heeft. Het zal alle onderdrukkende regeringsvormen en alle soorten van onrecht verwijderen (Daniël 2:44). En denk eens aan! Dit zal verwezenlijkt worden zonder dat er onschuldige slachtoffers vallen, en ik zou een goede kans kunnen maken het te beleven!
Omdat ik niet weer geïndoctrineerd wilde worden, controleerde ik steeds allerlei dingen in mijn katholieke bijbel. Ik kwam te weten dat Gods naam Jehovah is, en ik vernam met opwinding van zijn voornemen de hele aarde tot een paradijs te maken waar zachtmoedige mensen zullen genieten van een overvloed van vrede (Psalm 37:10, 11; Lukas 23:43). Maar kon ik Jehovah’s Getuigen werkelijk vertrouwen? Wel, ik begon hun vergaderingen in hun Koninkrijkszaal te bezoeken, en mijn omgang met hen versterkte mijn vertrouwen. Hier waren mensen die werkelijk neutraal zijn en die in praktijk brengen wat zij prediken.
Onder Jehovah’s Getuigen ontmoette ik mensen die een protestantse paramilitaire achtergrond hadden. Geweld, eens in hun ogen een manier om vrede en rechtvaardigheid te bewerken, hadden zij afgezworen. Aanvankelijk waren zij net zo overtuigd geweest van de juistheid van hun zaak als ik ten aanzien van de mijne, en zij hadden vroeger een bittere haat gehad tegen alles wat katholiek of republikeins was. Maar zij hadden zich losgemaakt van nationalistische ideeën en de haat die deze ideeën hadden voortgebracht. Dit hielp mij echt naar waarde te schatten wat Jezus had gezegd: „Gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.” — Johannes 8:32.
Bevrijd van haat
In mijn hart wist ik dat Jezus Christus niet betrokken zou raken bij politieke strijd en terrorisme. Maar ik leek in een strik gevangen te zitten, en het was niet gemakkelijk ermee te breken. Mettertijd staakten andere leden van ons gezin hun omgang met Jehovah’s Getuigen, en om onze bijbelstudie voort te zetten moesten mijn zuster en ik de „vredeslijn” passeren die het katholieke en het protestantse deel van Belfast scheidt. In het begin vreesden wij iedere keer voor onze veiligheid, maar naarmate wij groeiden in ons begrip van de bijbel ging deze vrees geleidelijk over in werkelijk vertrouwen in Jehovah’s bescherming.
Op een keer, toen ik nog maar pas met de bijbelse waarheid bezig was, zat ik met anderen in een republikeinse club toen daar het nieuws binnenkwam van een bijzonder dodelijke hinderlaag die een aantal Britse soldaten in Noord-Ierland het leven had gekost. Ik merkte dat ik niet meer mee kon doen met het gejuich dat dergelijke berichten begroette. Jezus zou stellig niet gejuicht hebben. Zijn raad was: „Alle dingen dan die gij wilt dat de mensen voor u doen, moet ook gij insgelijks voor hen doen” (Matthéüs 7:12). Ik wist dat het niet juist was mij erover te verheugen dat mensen door een bomontploffing aan flarden werden gereten.
Dat incident maakte mij duidelijk wat blinde haat mensen kan aandoen en ik wilde er geen deel meer aan hebben. Wanneer ik nu terugkijk, ben ik heel gelukkig dat ik een liefdevolle Schepper heb leren kennen die een prachtig en liefdevol voornemen met betrekking tot deze aarde en de mensheid heeft! Nu is het een werkelijke vreugde voor mij om al mijn tijd te gebruiken om anderen te helpen deze zelfde op de bijbel gebaseerde hoop te verwerven. En ik ben inderdaad dankbaar dat mijn hart niet langer vervuld is van haat. — Ingezonden.
[Inzet op blz. 9]
„Beangstigende gewelddaden . . . deden bij mij de wens ontstaan alles te doen wat in mijn vermogen lag om de situatie te veranderen”
[Inzet op blz. 10]
„Wat moest ik met mijn jonge ontvankelijke geest ervan denken als ik zag hoe een terrorist met volledige kerkelijke eer begraven werd?”
[Inzet op blz. 10]
„Wat zou Jezus onder deze omstandigheden hebben gedaan? Wiens zijde zou hij hebben gekozen?”
[Inzet op blz. 11]
„Onder Jehovah’s Getuigen ontmoette ik mensen die een protestantse paramilitaire achtergrond hadden. Geweld, eens in hun ogen een manier om vrede en rechtvaardigheid te bewerken, hadden zij afgezworen”