„Zonder bloed gaat u dood!”
IK STOND op om de lunch te gaan klaarmaken en voelde rechts onder in mijn buik iets knappen. Ik sloeg dubbel van de pijn, maar dacht dat het gewoon een van die scheuten was die je in de laatste fase van de zwangerschap zo vaak krijgt.
De pijn werd echter heviger. Ik had kloppingen in mijn buik, en lopen ging moeilijk; er was iets heel erg fout gegaan. Een buurvrouw naast ons in Arlington (Texas, VS) — tijdens de hele beproeving een schat van een vriendin — bracht mij ijlings naar het ziekenhuis.
„Nee!” protesteerde ik luidkeels, toen de medische staf opperde dat ik vermoedelijk gewoon met de baring was begonnen. Omdat ik al twee kinderen had gehad, wist ik hoe barensweeën voelden, en dit waren geen barensweeën. Dus ging men proeven nemen.
Tegen de tijd dat Mike, mijn echtgenoot, kans zag te komen, was ik razend van de pijn. Ik kreunde en huilde, niet alleen van de pijn maar ook omdat niemand scheen te geloven dat er iets ernstigs met mij aan de hand was. Mike wierp echter één blik op mij, draaide zich op zijn hielen om en vroeg de hoofdzuster om alsjeblieft snel een dokter te halen — het deed er niet toe wat voor dokter. Toen de dienstdoende arts kwam opdagen, was hij niet alleen. Hij had een gynaecoloog, mijn huisarts en een kinderarts bij zich.
Zachtjes legde de gynaecoloog zijn hand op mijn onderbuik. Ik gilde het uit. Zijn zachte aanraking voelde aan alsof ik met een mes werd opengesneden. „Mijn God!” riep hij ontzet. „Ze heeft nu al minstens een liter bloed in haar buik zitten. Waarschijnlijk een abruptio placentae [voortijdig losraken van de placenta uit de baarmoeder]. We moeten onmiddellijk een keizersnede doen.”
Plotseling wendde ik mij tot mijn man en spontaan gooide ik eruit: „Oh, Mike, geen bloed!”
Ons standpunt werd op de proef gesteld
Zo rustig als hij kon, nam Mike de drie artsen ter zijde en legde hun in het kort uit hoe wij als Jehovah’s Getuigen bloedtransfusies bezagen.
„Het bijbelboek Handelingen gebiedt christenen zich te onthouden van bloed”, zei hij. „Dat betekent dat men op geen enkele manier bloed tot zich mag nemen. Mijn vrouw mag onder geen voorwaarde bloed toegediend krijgen.” — Handelingen 15:20, 29.
Volgens de artsen was mijn bloedbeeld gevaarlijk laag. Toen ik opgenomen werd, was mijn hemoglobinegehalte 10 en mijn hematocriet 30. Zij waren ervan overtuigd dat het beeld nu lager lag. (Het normale hemoglobinegehalte is 12 tot 16; een normale hematocriet is 34 tot 50.)
Nu volgde een misschien wel heel oprecht gemeend pleidooi, maar in mijn ogen was het een tactiek om mij bang te maken. „Zonder bloed gaat u dood, weet u dat?” vroeg een van de artsen.
„Ja”, antwoordde ik. „Maar ik kan niet tegen Gods wet en mijn geweten in handelen.”
Vreemd genoeg viel het mij gemakkelijk te zeggen: „Ja, ik weet dat ik misschien dood zal gaan.” Er kwam een soort kalmte over mij omdat ik weet dat de doden vredig rusten in het graf en dat sterven net zo iets is als inslapen. De doden „zijn zich van helemaal niets bewust”, had ik uit de bijbel geleerd. — Prediker 9:5, 10.
Het enige wat mij verdrietig stemde, was de gedachte dat ik mijn man en kinderen zou verlaten. Mijn hart ging uit naar Mike. ’Hoe zal hij het aanleggen om voor (mogelijk) drie kinderen te zorgen?’ vroeg ik mij af. ’Hoe zullen mijn dochtertjes op mijn dood reageren?’ Voor mij was het eenvoudig. Ik zou hetzij hier in het ziekenhuis wakker worden of in Gods Nieuwe Ordening door middel van de opstanding. Maar voor mijn gezin zou het moeilijk worden.
Ik tekende een wettelijke verklaring waarmee het ziekenhuis en de artsen werden ontheven van alle aansprakelijkheid bij een operatie zonder bloed, en vijftien minuten later werd ik de operatiezaal binnengereden, waar een keizersnede werd uitgevoerd. Om 6.01 n.m. werd Megan geboren, een meisje van bijna vijf pond. Zij werd op de intensive care baby-afdeling gelegd.
Nu kwam de dokter de operatiekamer uit en vertelde Mike dat ik een diepe shock had. Zij wisten niet wat de oorzaak van de bloeding was, en tenzij die snel werd gevonden, zou ik op de operatietafel doodbloeden.
„Het spijt me”, begon Mike. „Wij hebben u al gezegd dat wij geen bloed willen, zelfs niet als Sherry doodgaat. Niet alleen zou ik in strijd handelen met wat ik zelf geloof als ik ja zou zeggen, maar ik zou ook het geweten van mijn vrouw geweld aandoen. Daar zou ik niet mee kunnen leven. Het is niet een beslissing die wij in een impuls genomen hebben. Wij zijn lang geleden op grond van bijbelse beginselen tot dit besluit gekomen. Er zijn andere dingen die u wel kunt gebruiken, zoals bloedvolume-vergrotende middelen.”
Hoewel hij het met ons standpunt niet eens was, beloofde hij mijn man dat hij voor mij zou doen wat hij kon zonder bloed te gebruiken.
Een crisis kan helder denken vertroebelen. Zo’n beslissing uitstellen totdat het probleem zich voordoet, zou iemand er gemakkelijk toe kunnen brengen onder druk van artsen of verplegend personeel een compromis te sluiten. Ik ben blij dat mijn man en ik hadden ingezien hoe belangrijk het was van tevoren beslissingen te nemen om in zulke noodgevallen stand te kunnen houden.
De arts ging terug naar de operatiekamer en vond de oorzaak van mijn inwendige bloeding — een gescheurde ader in de baarmoeder, kennelijk verzwakt door mijn vorige zwangerschappen. Er waren twintig hechtingen voor nodig. Hoewel ik meer dan de helft van mijn bloed verloren had, hielp Ringers lactaat, een vloeistof die geen bloed bevat, het vloeistofvolume op peil houden.
„Het grootste probleem nu is infectie”, zei de arts tegen mijn man. Hij legde uit dat een infectie dodelijk voor mij zou zijn omdat mijn bloedspiegel te laag was om een ziekte te kunnen afweren. Weer werd een bloedtransfusie aangeraden.
„Bedoelt u dat u kunt garanderen dat mijn vrouw geen infectie zoals hepatitis of iets anders zal oplopen als u haar bloed geeft?” vroeg Mike.
„Nee”, antwoordde de dokter.
Mike trok de conclusie dat er minder kans op infectie bestond als ik geen bloed nam. De arts stemde erin toe het besluit van mijn man te respecteren.
„Megan leeft!”
Er waren twee dagen voorbijgegaan en nog had ik mijn baby niet gezien. Ook al was mij verteld dat ons dochtertje wel leefde maar ernstig ziek was, diep in mijn hart had ik het gevoel dat zij dood was. Toen mijn oom uit Houston arriveerde met een Polaroidcamera bij zich, kreeg Mike een idee. ’Als Sherry maar een bewijs heeft dat Megan leeft’, bedacht hij, ’zou dat haar helpen beter te worden.’ Dus leende hij de camera van mijn oom en haalde de zuster van de baby-afdeling over een foto van Megan te nemen. „Ze leeft echt!” riep ik uit, overgelukkig toen ik mijn kleine Megan voor het eerst te zien kreeg, al was het maar op een foto. Ik moest blijven leven, want niet alleen de rest van mijn gezin had mij nodig, dit kleine wezentje ook.
Ik had uitstekende verpleegsters en artsen. De hoofdzuster van de intensive care baby-afdeling kwam mij tweemaal per dag verslag uitbrengen over Megans vorderingen, hoe onbelangrijk die ook mochten schijnen.
Tegen de vierde dag voelde ik mij wat beter. Mijn bloedbeelden werden stabieler. Voor het eerst sinds het begin van deze beproeving begon het er vrolijk uit te zien. Maar Mike zag er uitgeput uit. Hij had de afgelopen twee dagen en nachten aan mijn zijde doorgebracht. Nu kon hij naar huis om uit te rusten.
Op de vijfde dag was ik zo goed dat alle buisjes die ik op de tweede dag ingebracht had gekregen, verwijderd konden worden. Wat een vreugde toen ik te horen kreeg dat ik naar de intensive care baby-afdeling mocht! Voor het eerst kon ik mijn Megan in mijn armen nemen en voeden. Daar was ze, naakt en ach, zo klein! Eindelijk waren wij dan ondanks alle tegenspoed bij elkaar — wat een ontroerend moment! Ik huilde van geluk, en de verpleegster ook.
Een terugval
Later die avond, toen Mike en ik zaten te praten, begon ik mij slechter te voelen. ’O nee! Dit mag niet waar zijn’, dacht ik. ’Als ik naar het toilet ga, voel ik me misschien beter.’ In plaats daarvan begon ik hevig over te geven. Mike hielp mij weer in bed en belde om de verpleegster.
Mijn buik zwol weer op van het bloed. Terwijl de dokter beval alle buisjes weer in te brengen, veegde Mike voorzichtig mijn voorhoofd af en hield mijn hand stijf vast. Plotseling werd alles stil. Al onze opgewektheid was verdwenen. Mike hield het niet meer en barstte in snikken uit.
Nu ik een terugval had gehad, merkte ik dat ik steeds meer op Jehovah ging vertrouwen om mijn gezin en mij de kracht te geven door te gaan. Dikwijls kwamen mijn lieve vader en schoonvader aan mijn bed een hoogst welkom gebed uitspreken. Daaruit bleken wij nog meer kracht te putten. Ook de telefoontjes, beterschapskaarten en gebeden van onze broeders en zusters in het geloof gaven ons kracht.
Op de negende dag werden alle buisjes weer weggehaald. Ik was opgetogen, want Mike zou komen en ik wilde hem verrassen. Dus dofte ik mijzelf op en ging rechtop in bed zitten. Wat was hij gelukkig toen hij mij zonder die buisjes zag! Arm in arm wandelden wij de gang door naar onze Megan, die nu op de gewone baby-afdeling lag, bij alle andere gezonde baby’s.
Weer een terugval
Later die avond begon dat afgrijselijke misselijke gevoel weer. ’Ik kan Mike domweg niet laten merken dat ik weer misselijk word’, zei ik bij mijzelf. ’Ik weet al wat ik doe. Ik zal hem aanmoedigen vroeg naar huis te gaan en eens lekker lang te slapen.’ Hij ging direct op mijn voorstel in. Hij was de deur nog niet uit of ik begon over te geven.
Ik trok aan het alarmkoord. De zuster kwam aangehold. Ik werd in bed geholpen en de dokter werd geroepen.
De dokter kwam mijn kamer in, boog zich over mij heen en zei: „Sherry, ik hoop dat je niet boos wordt. Ik laat alle buisjes weer inbrengen en laat morgen een specialist naar je kijken.” Plotseling werd ik verschrikkelijk bang en ik begon onbedaarlijk te huilen. Dit zou de derde keer worden dat de buisjes werden ingebracht. Ik had schoon genoeg van de ijdele hoop, de pijn, de naalden. Ik kon niet meer!
Toen de verpleegsters weg waren, naderde ik in gebed tot God. ’Ging het Jehovah vervelen dat ik zo veel vroeg?’ schoot het door mij heen. Ik had het gevoel dat ik misbruik maakte van zijn liefderijke goedheid, aangezien hij mij tot hier toe had geholpen het vol te houden.
Toen Mike de volgende ochtend mijn kamer binnenkwam, was de teleurstelling hem van het gezicht af te lezen. Bij zijn vertrek de vorige avond was het zo goed met mij en nu — ik had zo met hem te doen. We huilden even en baden toen.
De specialist kwam en bevestigde wat de andere arts al vreesde. Ik had een gedeeltelijke obstructie van mijn dunne darm. Aangezien mijn bloedbeelden nog steeds te laag waren, waarschuwde de specialist: „Het zal echt nog wel even duren, mevrouwtje, voordat u weer een operatie kunt ondergaan.”
Ik kreeg een enorme dosis ijzer toegediend om mijn bloed op te bouwen — twee injecties van 5 cc elk, die erg pijnlijk waren. Een gezond mens zal zo’n hoge dosis misschien niet verdragen, maar ik wel vanwege mijn zware bloedarmoede.
Goed nieuws
Op de elfde dag van mijn verblijf in het ziekenhuis toonden de röntgenfoto’s aan dat de obstructie in mijn darmen kleiner werd. En Megan werd gezond verklaard. Ik moest opschieten met beter worden want Megan wachtte op mij om haar mee naar huis te nemen.
De volgende dagen brachten nog meer goed nieuws. Ik kon nu vloeistoffen binnen houden. Mijn bloedbeelden stegen. De röntgenfoto’s wezen uit dat mijn gedeeltelijke darmobstructie verdwenen was. En voor het eerst in dertien dagen zag ik mijn twee andere dochters door een raam. Wat waren zij opgewonden! En ik niet minder.
Nog meer goed nieuws. Na zeventien dagen in het ziekenhuis mocht ik naar huis — morgen!
De dag waarom wij allemaal hadden gebeden, brak aan. ’Voorwaar, God heeft gehoord; hij heeft aandacht geschonken aan de stem van mijn gebed’, dacht ik (Psalm 66:19). Ik bedankte de dokter voor alles wat hij gedaan had, ook voor het feit dat hij mijn door de bijbel geoefende geweten had gerespecteerd en dat hij mij niet in de steek had gelaten. Ik vertelde hem hoe dankbaar ik was voor zijn pogingen om mijn leven te redden. „U hebt geluk gehad”, zei hij vriendelijk. Natuurlijk gaf ik de eer aan Jehovah.
Megan werd aangekleed en binnengebracht, gevolgd door een hele stoet verpleegsters. Wij omhelsden elkaar en namen afscheid. Toen de auto in en naar huis voor de met de nodige tranen gepaard gaande hereniging met onze dochters en ouders. Wat een heerlijk gevoel was het, levend en wel weer thuis te zijn! — Zoals verteld door Sherry Flemming.
[Illustratie van Sherry Flemming op blz. 12]
[Illustratie op blz. 15]
Ons gezonde dochtertje Megan