Jonge mensen vragen . . .
Is godsdienst iets voor mij?
„WIL je een rol spelen in de toekomst, de vooruitgang, de echte wereld, laat je geloof dan schieten. Als je ouderwets wilt blijven, houd je dan maar vast aan de Kerk! Daar staat of valt je succes in het leven mee.”
Van alle kanten krijgen jonge mensen die waarschuwing toegeroepen. Velen zijn van mening dat de beginselen van de godsdienst naast de opgepoetste waarden van de huidige, ontwikkelde samenleving maar een ouderwetse, doodse indruk maken. En ook jij vraagt je misschien af of religie wel enige zin heeft. Maar hoe komt het dat zo veel jonge mensen het belang van godsdienst niet meer inzien? Velen hebben genoeg gekregen van de religie door de
Religieuze huichelarij
Het woord „huichelen” wordt gedefinieerd als „voorwenden”, „zich anders en beter voordoen dan men is”. Een zeventienjarige schreef: „Moet ik soms naar de kerk gaan, waar net als op het toneel iedereen doet alsof?” Omdat hij liever niet iedereen over één kam wilde scheren, vervolgde hij: „Ik neem aan dat sommigen wel oprecht zullen zijn; maar wat ik walgelijk vind, is dat anderen hun rol slecht spelen. Ik haat dat hypocriete gedoe.” In dezelfde trant zei een achttienjarige: „Ik zie hoe de christenen in mijn omgeving leven. Ik probeer echte christenen te vinden, ik speur in hen naar liefde, naar de zekerheid die het geloof hun zou moeten geven.” Maar zij vond „niets dan egoïsme, kleingeestigheid en gehuichelde liefde”.
Tot veler verrassing bracht een onlangs onder tieners in de VS gehouden enquête echter aan het licht dat 95 procent van de ondervraagden nog steeds verklaarde in God of een „universele geest” te geloven! De conclusie van The Adolescent (De puber) door F. Philip Rice luidt: „Hoewel de moderne generatie anti-kerk is, is ze niet onverschillig, noch is ze . . . irreligieus.”
Ofschoon de belangstelling voor de bijbel onder jongeren hier en daar wat is opgeleefd, hebben velen de „traditionele” godsdienst radicaal de rug toegekeerd. Dikwijls zoeken zij het bij oosterse religies of sluiten zij zich aan bij bizarre sekten.
Wat maakt de sekten zo aantrekkelijk?
Het boek Those Curious New Cults (Die merkwaardige nieuwe sekten) zet uiteen: „Duidelijker dan ooit tevoren begonnen jonge mensen de huichelarij van de oudere generatie te zien. Zij zagen huichelarij . . . in de manier waarop hun ouders met religie omsprongen . . . Waar zij ook keken, overal leek het of de mensen iets anders deden dan zij zeiden.” Bij de sekten leek dat niet zo te zijn. Die schenen de gelegenheid tot zinvolle bezigheid en betrokkenheid te bieden — ware verknochtheid aan de grondregels van religie.
Sommige jonge mensen zeggen over de sekten: „Ze stralen een warmte en een kameraadschap uit die je in de grote kerken maar zelden tegenkomt.”
In een wereld die zozeer is ingekapseld door hebzucht en materialisme lijkt de simpele levensstijl van de sekten erg aanlokkelijk. Those Curious New Cults zegt: „De jeugd, die zich afzet tegen de hedendaagse meedogenloze, op succes gerichte cultuur, ziet dat geld en materiële bezittingen hun ouders geen voldoening hebben gebracht.” Maar ook al lossen de sekten sommige problemen schijnbaar op, toch hebben ze nieuwe veroorzaakt, die even ernstig zijn. Zo wordt bijvoorbeeld de persoonlijke identiteit vervangen door een groepsidentiteit. De tragedie van Jonestown laat duidelijk zien hoe gevaarlijk dat is. Toch blijkt uit deze gefascineerde belangstelling voor de sekten duidelijk dat jonge mensen wel degelijk om religie geven en proberen te voorzien in een
Geestelijke behoefte
In Man, God and Magic verklaarde Dr. Ivar Lissner dat een „fundamenteel verschil tussen mens en dier” is, dat „de mens er niet tevreden mee is alleen maar te slapen, te eten en zich te warmen”. De mens heeft een „vreemde en aangeboren drang” die spiritualiteit (geestelijke levenshouding) genoemd kan worden. Daarom werd in Great Religions of the World opgemerkt: „De antropologen hebben nog nooit een cultuur zonder religie gevonden.”
De Zoon van God heeft dan ook verklaard: „Gelukkig zijn zij die zich bewust zijn van hun geestelijke nood” (Matthéüs 5:3). Door zich bij een sekte aan te sluiten, proberen jongeren alleen maar een geestelijke leegte te vullen waar de kerken niets aan weten te doen. Maar zoals Fred Graham, hoogleraar in de godsdienstwetenschap, opmerkte: „Een geestelijke leegte kan met van alles worden gevuld, met gezonde maar ook met demonische dingen.”
Misschien erken jij wel dat je zo’n geestelijke nood hebt. Maar hoe zit het nu met de mening van sommigen dat godsdienst uit de tijd is? Heeft het wel voordelen om oprecht een religie te beoefenen? De bijbel verklaart: „Ze is ongetwijfeld een middel tot groot gewin, deze godvruchtige toewijding” (1 Timótheüs 6:6). „Godvruchtige toewijding” is eerbiedige aanbidding en dienst voor God. Ligt daarin „gewin”?
De voordelen van godvruchtige toewijding
Sommige jonge mensen die nu een religieus leven leiden, zeggen dat het hen heeft geholpen vijandige gevoelens en opvliegendheid te beteugelen. De negentienjarige Tyrone bekende: „Ik was een driftkop. Als mijn jongere zusje ook maar iets zei wat me niet aanstond, gaf ik haar een stomp. Dat deed ik ook bij mijn klasgenoten; ik stond altijd klaar met mijn vuisten.” Nu hij heeft besloten Jehovah te dienen, zegt hij: „Ik heb geleerd me te beheersen, zelfs als ik oneerlijk word behandeld.”
Is dat een voordeel? Sommigen vinden van niet. ’Het is laf om je kalm te houden; je moet je woede luchten!’ zeggen zij. Is dat verstandig? Nee! Onbeheerste woede kan erop uitdraaien dat je overgaat tot geweld waar je later misschien spijt van krijgt (Genesis 4:5, 8). Werkelijk wijs is de bijbelse raad: „Laat af van toorn en laat de woede varen; betoon u niet verhit enkel om kwaad te doen.” — Psalm 37:8.
Andere jongeren zeggen dat hun religie hen heeft geholpen de verleiding te weerstaan om het criminele pad op te gaan. Uit zijn schooltijd herinnert de 21-jarige Victor zich: „In de lunchpauze gingen mijn klasgenoten altijd met een heel stel naar de winkels om het personeel af te leiden terwijl anderen eten, snoep, stripboeken en andere dingen stalen.” Waarom deed hij niet mee? Was hij voornamelijk bang om betrapt te worden, of was hij bang voor wat zijn ouders zouden denken of doen? „Ja”, antwoordt hij. „Ik dacht wel aan de reactie van mijn ouders en aan de gevolgen, maar ik dacht toch nog meer aan de uitwerking die het zou hebben op mijn vriendschap met God.”
Victor werd geholpen door bijbelse raad zoals: „Mijn zoon, laat je niet overhalen door misdadigers, door mensen zonder geweten, ga op hun voorstellen niet in. Ze zullen je zeggen: ’ . . . Sluit je bij ons aan, we delen alles eerlijk!’ Mijn zoon, blijf bij hen vandaan, ga hun uit de weg” (Spreuken 1:10-15, Groot Nieuws Bijbel). Ook jij zult er voordeel van hebben als je die raad opvolgt.
In 1979 kwam men bij een studie tot de interessante ontdekking: „Personen uit de categorie ’zeer religieus’ . . . zijn over het algemeen gelukkiger . . . en hun prestaties liggen op een hoger niveau.” Belangrijker is echter dat de apostel Paulus godvruchtige toewijding aanbeval als een levenswijze, met de woorden: „Godvruchtige toewijding is nuttig voor alle dingen, daar ze een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven” (1 Timótheüs 4:8). Maar als je deze voordelen wenst te plukken, moet je godvruchtige toewijding beoefenen. Toch vragen sommigen zich misschien af: ’Waarom zou je godsdienstig zijn zolang je nog jong bent?’
Waarom de jeugd de beste tijd is
De wijze koning Salomo maande: „Geniet van je jeugd, neem het ervan zolang je nog jong bent. . . . Je bent maar één keer jong. Maar denk wel aan de God die je gemaakt heeft, ook als je nog jong bent. Eens komen de slechte dagen en breekt de tijd aan dat je zult zeggen: ’Ik kan niet meer genieten van het leven.’” — Prediker 11:9, 10; 12:1, GNB.
Er zijn tienduizenden jonge mensen zoals Tyrone en Victor, die ’aan de God die hen gemaakt heeft denken’. Zij zijn zich er scherp van bewust dat de periode van jeugdige energie en uithoudingsvermogen slechts van korte duur is. Maar zij weten dat het dienen van hun God en Weldoener blijvende voordelen met zich meebrengt. Deze jonge mensen hebben niet genoeg gekregen van religie, want zij gaan om met mensen die in praktijk brengen wat zij prediken. Als Jehovah’s Getuigen voelen zij zich gelukkig, omdat hun geestelijke nood wordt gelenigd. Waarom zou je dat niet eens onderzoeken? Godsdienst kan ook iets voor jou zijn.
[Inzet op blz. 11]
„Moet ik soms naar de kerk gaan, waar net als op het toneel iedereen doet alsof?”
[Illustraties op blz. 12, 13]
Vroom in de kerk . . . . . . maar thuis anders