Een avontuurlijke speurtocht naar de reuzenotter
Door Ontwaakt!-correspondent in Suriname
DE DAGERAAD is aangebroken. Kalmpjes gaan onze peddels door het colakleurige water van de Kapoerikreek. IJle morgenmist drijft als een fijn waas over het water en omhult het langzaam ontwakende bos rondom ons. Terwijl onze kroejara (boomkano) door de smaller wordende stroom glijdt, komen ook onze kapmessen eraan te pas en hakken wij op de groene junglebegroeiing los die ons af en toe de weg dreigt te versperren. Aan armen en benen lopen wij pijnlijke schrammen op van het vlijmscherpe gras dat ons belaagt.
Onze speurtocht betreft een dier dat door toedoen van de mens bijna was uitgestorven — de reuzenotter, of bigi watradagoe (grote waterhond) zoals de plaatselijke bevolking hem noemt. Omdat ze zo’n weelderige pels bezitten, is er onophoudelijk op deze zeldzame dieren gejaagd. Sinds 1954 zijn de otters in Suriname echter wettelijk beschermd, waardoor dit land een van de weinige plaatsen is geworden waar er nog steeds een aanzienlijk aantal van voorkomt. „De Kapoerikreek herbergt naar schatting twintig tot dertig otters”, werd mij enige tijd geleden verteld door de heer G. Plak, een inspecteur bij de dienst voor natuurbescherming. Hij legde uit dat er al bepaalde gebieden waren aangewezen als reservaten waar dit bijna uitgestorven dier zich zou kunnen handhaven. „Wij zouden graag zien dat hun aantal toeneemt en tegelijkertijd willen wij uniek gebied behouden waar deze interessante dieren nog in hun natuurlijke omgeving kunnen worden geobserveerd.”
Wel, dat hopen wij vandaag te doen. Maar zullen wij een paar otters te zien krijgen? Marius, onze Indiaanse gids, is optimistisch. En dat geldt ook voor mijn vrienden Henk en Jacqueline die mijn vrouw en mij vandaag vergezellen. Niettemin, hoe eerder wij ze vinden, hoe beter. De langbenige Henk, net een krakeling zoals hij daar opgevouwen op het kleine houten bankje zit, vraagt: „Moeten wij de hele afstand peddelen?” „Ik denk het niet”, stelt Marius hem gerust, „omdat het nu het droge seizoen is. Het water staat laag en dat houdt de watradagoes dicht in de buurt. En deze vijver is een favoriete visplek voor de otters.” Een opgeluchte Henk gaat in een wat gemakkelijker houding zitten terwijl wij voortpeddelen.
Onze eerste ontmoeting
„A-a-a-ah, a-a-a-a-ah”, is de ontstellende kreet die onze gids Marius plotseling slaakt!
„Is alles goed met je?” vragen wij, denkend dat hij onwel is geworden.
„A-a-a-a-ah”, herhaalt Marius, ondertussen met heftige bewegingen naar een hoge oeverwal wijzend. Wij keren ons zo snel om dat wij de kano bijna laten kapseizen. Een heel koor van a-a-a-a-ah’s vanaf de oeverwal verklaart het vreemde gedrag van Marius. Hij imiteerde de alarmkreet van de otters! Nu wij zijn bedoeling begrijpen, doen wij met hem mee in het nabootsen van hun kreet.
En daar zijn ze dan! Een familie van negen reuzenotters komt geheel in het zicht. Wat zien ze er bijzonder uit! Ongeveer een derde van hun anderhalve meter lengte bestaat uit staart — een fraai ontworpen aanhangsel, rond beginnend, in het midden platter wordend en eindigend in een soort speerpunt. Hun met zwemvliezen uitgeruste voor- en achtervoeten zitten vast aan korte pootjes die op hun beurt een gestroomlijnd lichaam ondersteunen. Vanwege hun smalle schouders en neerhangende kopjes lijkt het net alsof ze gebocheld zijn. Hun vreemde lichaamsbouw geeft ze op het land een plomp en onhandig aanzien, maar in het water zijn ze zo gracieus als zeehonden.
En daar gaan ze dan ook het water in, van de oeverwal naar beneden glijdend en voorover het water induikend. Enkele ogenblikken later zien wij hun koppen uit het water opduiken. Een stel ’watertrappende’ otters neemt ons onderzoekend op en dat levert ons het buitenkansje op de familie Otter van heel dichtbij te kunnen bekijken — ronde koppen met hier en daar wat snorharen, kleine oren en grote, uitdrukkingsvolle bruine ogen. Op hun lippen, kin, hals en borst zien wij roomkleurige vlekken van verschillende vorm die de ene otter van de andere onderscheiden. Hun donkerbruine fluweelachtige pels glinstert in het zonlicht en herinnert ons eraan waarom de mens ze heeft opgejaagd totdat ze bijna uitgestorven waren.
Wij steken onze peddels uit om te zien of ze daarin zullen bijten of die zelfs zullen breken, een reactie die vroegere onderzoekers naar verluidt af en toe hebben waargenomen. Maar in plaats daarvan laten de mannetjes korte, luidruchtige snuif- en gromgeluiden horen, daarmee de andere leden van de groep gebiedend zich te hergroeperen: mannetjes voorop, wijfjes en jongen veilig daarachter. Zich nu veilig voelend, trekken ze zich kalm in de kreek terug — al duikend en elegant weer boven water komend op de manier van dolfijnen.
Een „tafel” voor meerdere doeleinden
Op de oever stuiten wij op een open stuk in de vorm van een halve cirkel, zes meter lang en vier meter breed, waar de junglebegroeiing verwijderd is. Ik herinnerde mij dat sommigen deze plekken waterhond-tafels noemen. Eddie, een Arawak-Indiaan uit het naburige Guyana, had mij dit op een vorige tocht verteld. „Deze landingsplaatsen zien er zo mooi glad en schoon uit”, had Eddie gezegd, „en de otters slepen soms grote vissen deze ’tafel’ op om ze dan daar op te eten.” Jagen en vissen neemt in het leven van de otters een voorname plaats in. Ze zijn er vanaf het aanbreken van de dag tot de schemering mee bezig en schrokken in een dag zo’n drie tot vier kilo vis naar binnen.
Eddie had verder nog gezegd: „Bij ons beweren de oude mensen dat als je blootsvoets op deze tafels stapt, je daar een vreselijke ziekte van krijgt.” Deze woorden schieten ons te binnen als wij in een modderplas trappen die een doordringende, sterk riekende lucht verspreidt. „Dat is hun latrine”, verklaart Marius, een beetje laat. Wij zijn blij dat iedereen schoenen draagt.
Terwijl ik hun gecombineerde eet-, slaap-, en toiletruimte inspecteer, dringt zich de gedachte aan mij op dat het maar goed is dat men niet zo graag meer ottervlees eet. In het begin van deze eeuw vonden sommigen het vlees goed smaken en werd het daarom regelmatig gegeten. „Waarom staat het tegenwoordig niet meer op het menu?” vroeg ik eens aan verscheidene Indiaanse jagers.
„Het vlees is niet goed”, zei er een.
„Het heeft een sterke bijsmaak”, zei een ander.
„Het smaakt te visachtig”, zei weer een ander.
Eén verklaring echter scheen de kern te raken: „Het zijn waterhonden en wij eten geen honden!” De bijnaam van de otter blijkt hem het leven te redden. Bovendien heeft de regering een boete van Sƒ 10.000 of drie maanden gevangenisstraf gesteld op het doden of vangen van een otter. „Welbeschouwd”, grapte één jager, „kun je voor 10.000 gulden een heleboel vlees kopen.”
Familiebanden
De otter heeft een gezinsleven dat sommige mensen beschaamd doet staan. Gaat u maar eens mee als wij een van hun holen proberen op te sporen. Dit is de plaats waar jaarlijks één tot drie jongen worden geboren en waar ze de eerste drie maanden van hun leven binnen worden gehouden. Onder de wortels van een boom zien wij in de oever een opening die zo’n dertig bij vijftig centimeter meet. Onze zaklantaarn verlicht een tunnel die eindigt in een ruimte waarin het moederdier zich net kan oprollen en haar blinde, maar al wel zachtbehaarde jongen kan voeden.
Otter-paren bezien de opleiding van hun kroost als een gezamenlijk project. Zowel de vader als de moeder zal een jong in de bek nemen om het jonge dier dan zijn eerste kennismaking met zwemmen te bezorgen door ermee het water in te duiken. Ondanks deze nogal rigoureuze training schijnen de jongen hun ouders toch wel te mogen en blijven ze bij hen wonen tot de volgende worp in het jaar daarop. Sommige jongen blijven zelfs nog langer, zodat er hechte gezinsgroepen worden gevormd die uit drie tot twintig otters bestaan.
De nauwe familiebanden zijn zelfs duidelijk zichtbaar als de otters slapen. Een paar dat bij elkaar hoort, ligt kop aan staart of kop aan kop naast elkaar te slapen. Vaak zal er een in een vriendelijke omhelzing een poot over de ander heen leggen.
Op de terugweg
Als het eb wordt, waarschuwt onze gids dat wij er verstandig aan doen terug te keren omdat wij anders het risico lopen hier te stranden. Het begint te regenen als wij onze kano afduwen van de plek waar het hol lag. De terugweg is net een wedren met hindernissen als wij de boot over de op horden lijkende omgevallen boomstammen moeten trekken, slepen en sjorren.
Ten slotte houdt de regen op. Nadat wij een bocht hebben gerond, bevinden wij ons plotseling oog in oog met een groep van zes otters die op een boomstam liggen te zonnebaden. Kanobemanning en zonnebaders kijken elkaar aan. Eén voor één duiken de otters de kreek in. Het leidende mannetje komt stoutmoedig heel dicht bij ons in de buurt. Terwijl hij zijn lichaam uit het water opheft, gromt hij uitdagend. Onze kano komt tot stilstand. Hij zwemt heen en weer en duikt plotseling onder de boot, waarbij hij onder ons door zwemt. Wij draaien ons om, en daar is hij, de verkeerde kant op kijkend. Zijn dikke nek draait naar links, dan naar rechts. Nu zijn de rollen omgedraaid en is plotseling de otter op zoek naar mensen!
Als hij ons in de gaten krijgt, zwemt hij achteruit. Met een onverschillige gelaatsuitdrukking neemt hij ons nog één keer koeltjes op voordat hij onder water verdwijnt. Wij staren naar de rimpels die hij in het water achterlaat en zijn onze Schepper dankbaar voor de gelegenheid die wij hadden deze verrukkelijke bewoner van de jungle te zien. En wij hopen dat de mens hem in zijn hebzucht niet van de oppervlakte van de aardbodem zal wegvagen.
[Kaart/Illustratie op blz. 24]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Kapoerikreek
Suriname
Zuid-Amerika
[Illustratie op blz. 25]
Er is maar heel weinig bekend over deze fascinerende dieren
[Illustratie op blz. 26]
REUZENOTTER Gemiddelde lengte van volwassen exemplaren: Ongeveer 1,5 tot 1,8 meter