Iets beters dan de schijnwerpers van het circus
Zoals verteld door Anton Ivanoff
TOEN ik nog jong was, had ik mij ten doel gesteld het beste circusnummer ter wereld te hebben. Ik wilde in de schijnwerpers staan. Jaren verstreken, en ik bereikte dat doel. Ik ben opgetreden voor de koning van Roemenië en van Joegoslavië, de president van Turkije en van de Verenigde Staten en vele andere bekende politieke figuren. Ook heb ik met veel filmsterren gewerkt. Toch heb ik later iets beters gevonden dan de schijnwerpers van het circus. Maar laat ik, voordat ik dat ga uitleggen, u iets vertellen over mijn leven in het circus.
Ik werd in 1906 in een heel arm gezin geboren. Wij woonden in het dorp Dragievo, in het hart van Bulgarije. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de economische omstandigheden zo slecht, dat mijn ouders eenvoudig; niet meer in het onderhoud van mijn vier broers en zusters en mij konden voorzien. Daarom was mijn vader wel genoodzaakt mij als heel jong knaapje aan het klooster af te staan, waar ik als monnik zou worden grootgebracht.
Ik bleef een paar jaar in dat klooster, waar ik de monniken bediende. ’s Ochtends stond ik vroeg op om de klok te luiden de kachel aan te maken en de wierook aan te steken. Ik raakte gewend aan het leven in het klooster. De monniken zeiden vaak tegen mij: „Jij wordt een goede monnik als je groot bent.”
Het heeft maar een paar maanden gescheeld, of dat was ook inderdaad gebeurd. Daarin kwam echter verandering, toen mijn oudere broer Cristo mij in het klooster opzocht. Toen hij hoorde van mijn plannen om monnik te worden, riep hij uit:
„Ben jij nou gek?” „Je wilt toch zeker niet echt monnik worden! Ik kom je hier stiekem weghalen!” Dus toen hij me op een avond kwam halen, ben ik er samen met hem vandoor gegaan.
Ik belandde in Sofia, de hoofdstad van Bulgarije, en daar liet ik mij inschrijven aan een acrobatenschool. Het ging erg goed. De directeur van het circus hoorde van mij, kwam naar mijn prestaties kijken en zei:
„Jij hebt zoveel talent dat je veel geld kunt verdienen. Je kunt een grote ster worden. Je kunt reizen en veel van de wereld zien.” Muziek in de oren van een zestienjarige jongen! Ik stelde geen vragen — ik ging met hem mee om circusartiest te worden.
Het leven in het circus
Ik werkte keihard. Ik was vastbesloten beroemd te worden. Ik werd uitgekozen om de top te vormen van een menselijke piramide, en in die positie maakte ik een handstand. Ook had ik een nummer waarbij ik aan mijn tanden hing terwijl ik twee mensen vasthield. Weldra waren de schijnwerpers van het circus op mij gericht.
Maar het leven in het circus was niet zo geweldig als ik gedacht had. Steeds maar weer te moeten oefenen, betekende hard werken — iedere dag van acht uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags. Dan was ook de rivaliteit onder de artiesten uitermate fel. Sommige artiesten hadden er werkelijk alles voor over om maar in de schijnwerpers te staan. Zo begon een Bulgaarse circusartiest in Duitsland, wiens naam nogal op de mijne leek, zelfs mijn naam te gebruiken omdat mijn nummer zo populair was. Ik moest hem voor de rechter dagen.
Als je het beter deed dan een ander, werd je door die ander gehaat en gekleineerd. Was je minder goed, dan werd je inferioriteit breed uitgemeten. Ik herinner me zelfs twee concurrerende trapezenummers waar de jaloezie en de haat tussen de artiesten zo hoog opliep dat iemand uit het ene nummer zich niet ontzag een van de kabels gedeeltelijk door te snijden, zodat tijdens het optreden van de andere groep de kabel brak, waarbij een van de artiesten om het leven kwam. Stel u voor, hier werd een moord gepleegd om de schijnwerpers toch maar niet met anderen te hoeven delen!
In 1926 ging ik samenwonen met Greda, een van mijn collega’s. Haar vader dreigde me te vermoorden. Daarom verlieten we dat gebied en reisden samen door de Oriënt en langs de Russische en Iraanse grens, waarbij wij Russische dansen en acrobatiek ten beste gaven in de cabarets. En toen, op een avond in 1935, toen wij met ons nummer bezig waren, keek Greda de zaal in en ontwaarde met een schok haar vader op de eerste rij. Ze raakte helemaal van streek en holde huilend naar haar kleedkamer. Ik ging haar achterna en even later stond haar vader aan de deur. Ik dacht dat hij me zou vermoorden, maar in plaats daarvan zei hij: „Ik ga ervoor zorgen dat jullie hier in deze plaats nog trouwen.”
De volgende dag trok een stadsomroeper met een stoet olifanten door de stad om aan te kondigen dat diezelfde avond in het bijzijn van het publiek de twee beste artiesten van het circus in het huwelijk zouden treden. Drie circussen in het gebied gaven samen een bijzondere voorstelling voor de gelegenheid. De hele stadsbevolking kwam naar de bruiloft.
Enige tijd later werd Greda ernstig ziek en drie jaar lang was het ziekenhuis in en ziekenhuis uit. Toen kreeg ik, in 1941, terwijl ik op tournee was, een telegram met de mededeling dat Greda gestorven was. Wat mijn verdriet nog vergrootte was het feit dat ik Greda al geruime tijd niet meer gezien had en dat ik in haar laatste ogenblikken niet bij haar had kunnen zijn. Ik hield het in Bulgarije niet langer uit, en daarom voegde ik me bij een nummer van luchtacrobaten dat door Europa trok.
Optreden voor de troepen van Hitler
In die tijd woedde de Tweede Wereldoorlog en ik begon voor de officieren van Hitlers leger op te treden. Op een avond ben ik zelfs voor Hermann Göring opgetreden. Tijdens de uitvoering die avond viel ik en scheurde een spier. Göring kwam niet meer bij van het lachen. Hij dacht dat het bij het nummer hoorde.
Destijds dacht ik dat ik er een goed werk mee deed de troepen van Hitler te amuseren. Ik wist dat doden verkeerd was en dus was ik geen voorstander van oorlog. Maar aan de andere kant, als ik Hitler hoorde spreken, geloofde ik dat hij een goed mens was, en hij scheen door de beste beweegredenen bezield. Toen ik tijdens dat optreden voor Göring gevallen was en drie maanden in het ziekenhuis moest blijven, werd ik zelfs behandeld alsof ik een Duitse soldaat was. Ik hoefde niet te betalen voor de medische behandeling.
Mijn gezichtspunt veranderde echter toen ik vernam van de massamoorden in de concentratiekampen. Nooit zal ik vergeten wat ik zag toen ik voor de officieren van het kamp Mauthausen optrad. Toen wij naderbijkwamen, konden wij de mensen op het terrein zien staan. Uit de verte leken het wel skeletten. „Wat is dit?” vroegen wij elkaar ontzet. „Waarom behandelen ze die mensen als beesten?”
Later beschuldigden de Nazi’s mij ervan dat ik naar de Londense radio had geluisterd. Ze waren van plan mij terecht te stellen. Maar voordat het zover was, kwam het Amerikaanse leger en ik schakelde over op het optreden voor de Amerikaanse troepen.
In 1945 ontmoette ik een meisje dat met een vluchtelingentrein uit Oost-Duitsland kwam. Gerda heette zij. Het jaar daarop zijn wij getrouwd en later kregen wij een zoontje.
Naar de Verenigde Staten
In 1950 werd ik door mijn broers, die nu voor het circus Ringling Brothers werkten, uitgenodigd om naar de Verenigde Staten te komen. Ik nam de uitnodiging aan en wij traden samen op en kregen bekendheid als De Drie Ivanovs. Wij zijn opgetreden in de Radio City Music Hall in New York, de Big Top in Philadelphia, het Super Circus in Chicago en ook in de televisieshows van Ed Sullivan en Jackie Gleason.
Toen, tijdens een optreden in de Canadese stad Toronto in 1956, viel ik en brak mijn hand. Dat was niet mijn eerste val. In Turkije, in 1927, toen ik een jaar of 21 was, zat ik in een nummer waar twee mannen aan mijn tanden hingen terwijl ik ondersteboven hing aan een touw dat om mijn voeten gebonden was. Tijdens een voorstelling brak het touw opeens, waardoor wij drieën naar beneden stortten. Hoewel ik mijn nek en schouder beschadigd had, trad ik binnen een maand weer op. En toen ik ongeveer 37 jaar oud was, kwam ik nogmaals te vallen tijdens een voorstelling in Wenen en brak een hand. Drie maanden later trad ik weer op in het circus.
Maar deze keer begon mijn leeftijd een woordje mee te spreken. Ik moest afscheid nemen van het circus. Voor mijn gevoel was ik mijn hele levensdoel kwijt.
Ik had er geen flauw vermoeden van, dat ik kort daarop iets beters zou vinden dan de „glorie” die me in het circus ten deel was gevallen.
Iets beters vinden
Gerda en ik vestigden ons in New York, waar ik kelner werd in een bekend restaurant op Broadway en zij een winkeltje met geschenkartikelen opende. Tegenover het winkeltje stond een Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen. Gerda werd nieuwsgierig naar de mensen die ze daar in en uit zag gaan en weldra bestudeerde zij de bijbel met hen. Gerda raakte opgewonden over hetgeen ze uit de bijbel leerde, en in 1958 werd zij als een van Jehovah’s Getuigen gedoopt.
Ik had kritiek op haar nieuwe religie. Ze probeerde maar steeds met mij te praten over de dingen die ze leerde, maar ik wilde niet luisteren. Vooral had ik kritiek op de naam „Jehovah” voor God. Toen liet Gerda me op een dag deze naam in mijn Bulgaarse bijbel zien! Wat een schok! Die naam had daar al die tijd gestaan en ik had hem nog nooit gehoord, zelfs niet in het klooster.
Ik werd nieuwsgierig. „Waarom is het geloof van deze mensen zo anders dan in andere religies?” vroeg ik me af. „Ze gebruiken toch allemaal de bijbel?” Dus wanneer ik Gerda van de vergadering ging halen, ging ik naar de Koninkrijkszaal terwijl de vergadering daar nog aan de gang was en dan ging ik achterin de zaal staan luisteren. De dingen die ik hoorde, brachten mij ertoe mijn eigen geloofsopvattingen te onderzoeken.
Er was mij bijvoorbeeld in het klooster geleerd dat als ik mijn zonden in de kerk biechtte en geld gaf, ik vergiffenis zou krijgen. Daar geloofde ik in en ik handelde ernaar. Het circusleven was er nu niet bepaald op gericht een mens van de zonden af te houden, en ook ik heb mijn deel gehad aan gokken, drinken en immoraliteit. Ik verwachtte niet anders dan dat een offergave aan de kerk en de biecht mij verlichting zouden verschaffen van het geplaagde geweten dat uit die levenswijze voortvloeide.
Maar dat gebeurde niet, en ik vroeg me af: „Waarom ben ik nog steeds ongelukkig?” Door wat ik op de vergaderingen leerde en door naar Gerda te luisteren, begon ik in te zien dat ik veranderingen in mijn leven moest aanbrengen. Het kwam erop neer dat ik mijn hele denkwijze moest veranderen.
Intussen kochten wij een huis in Pennsylvania en Gerda verhuisde daarheen, terwijl ik nog een poosje als kelner bleef werken om voor een pensioen in aanmerking te komen. Ik vroeg een van de Getuigen om een bijbelstudie en maakte snel vorderingen. Ik vertelde Gerda niet dat ik studie had tot op een dag in 1968, toen ik haar opbelde om te vertellen dat ik de volgende week gedoopt zou worden. Zij was overgelukkig en de volgende dag zat ze in de bus naar New York om bij mij te kunnen zijn.
Sedertdien heb ik enkele andere circusartiesten kunnen bereiken met het „goede nieuws” van de bijbel. Velen van hen hadden mij in Bulgarije gekend, toen ik er nogal op los leefde, en zij konden maar niet begrijpen waardoor ik zo veranderd was. Ik heb vele gelegenheden gehad om hun mijn schitterende hoop voor de toekomst uit te leggen, de hoop om in een rechtvaardig nieuw samenstel van dingen hier op aarde te leven (2 Petr. 3:13). Gerda en ik hebben zelfs een bijbelstudie kunnen oprichten bij een voormalig circusartieste en ook zij is nu een van Jehovah’s Getuigen, evenals haar zes zonen.
Gedurende mijn tijd in het circus kwamen mijn geluk en voldoening voort uit de lof en eer die ik voor mijn optreden oogstte. Nu, als dienaar van Jehovah, smaak ik een innerlijke voldoening en geluk die veel verder gaan dan de tijdelijke heerlijkheid van het circus, en ik heb een geweldige hoop voor de toekomst. Dus in plaats dat ik ernaar streef om voor het oog van drommen mensen zelf in het licht van de schijnwerpers te staan, put ik er nu vreugde uit de schijnwerpers te richten op Gods Woord, de bijbel, en op de hoop die dit boek de gehele mensheid in het vooruitzicht stelt.