Bent u onsterfelijk?
ALS antwoord op deze vraag zullen miljoenen mensen — katholieken, protestanten, moslims, hindoes en anderen — zeggen: „Mijn lichaam sterft natuurlijk, maar mijn ziel is onsterfelijk.” En omdat het lichaam volgens hen slechts een tijdelijk „omhulsel” is, beschouwen zij zichzelf in wezen als onsterfelijk.
Waar vond deze overtuiging haar oorsprong? Onder degenen die belijden christenen te zijn? Bij de moslims? Bij het oudere boeddhisme? Of misschien ergens anders?
In werkelijkheid is ze terug te voeren tot het oude Babylon. Later hebben Griekse filosofen, zoals Pythagoras uit de zesde eeuw, en Socrates en Plato uit de vijfde eeuw v.G.T., dit idee van menselijke onsterfelijkheid uitgewerkt. Plato haalt de volgende woorden van Socrates aan: ’De ziel gaat bij de dood naar het onzichtbare, naar het goddelijke en onsterfelijke, en leeft voortaan met de goden samen.’
Het vroege christendom en onsterfelijkheid
Wanneer werd de leer dat de ziel onsterfelijk zou zijn, onder christenen geïntroduceerd? Isaac Taylor zegt in zijn boek Ancient Christianity dat het christendom tegen de tweede eeuw „in handen was gevallen [van leraren] die een grondige opleiding hadden ontvangen . . . aan de Griekse filosofenscholen en die zich . . . met een instinctieve weerzin van het Evangelie afkeerden”. In de derde eeuw onderwees Tertullianus, een vooraanstaand kerkleider: „Sommige dingen zijn zelfs van nature bekend: de onsterfelijkheid van de ziel wordt bijvoorbeeld door velen geleerd . . . Ik zal daarom gebruik maken van de mening van een zekere Plato wanneer ik betoog: Iedere ziel is onsterfelijk.” De vijfde-eeuwse kerkleraar Augustinus zei: „Van de menselijke ziel is werkelijk bewezen dat ze onsterfelijk is.”
Van die tijd af werd de leerstelling van de onsterfelijkheid van de ziel een fundamentele leer in de gehele christenheid. Dr. Laidlaw brengt het in zijn boek Bible Doctrine of Man als volgt naar voren: „Geleidelijk aan . . . ging de Griekse invloed overheersen, en zelfs in de christelijke Kerk nam het idee van de onsterfelijkheid van de ziel lange tijd de plaats in van de schriftuurlijke leerstelling van toekomstig leven.” (Wij cursiveren.) Dit leidde op zijn beurt weer tot de leer van tijdelijke pijniging in een vagevuur of eeuwige pijniging van zielen in de hel. Arme mensen hebben grote sommen geld betaald om priesters voor hen te laten bidden ten behoeve van de zielen van de doden die uit het vagevuur verlost moesten worden. En dat alles vanwege het aanvaarden van Griekse filosofie!
Zijn alle kerkelijke leiders het ermee eens?
Vele bijbelgeleerden en geestelijken trekken de leerstelling van de onsterfelijke ziel in twijfel. Agar Beet, een geestelijke van de Wesleyaanse methodistenkerk, schreef: „De christelijke leerstelling van de onsterfelijkheid van de ziel is een merkwaardig voorbeeld van een opvatting die verstoken is van elke bijbelse ondersteuning en in zekere mate de bijbel zelf tegenspreekt. Het is een leer die van Griekse filosofie is afgeleid, maar waaraan zeer vele ontwikkelde en intelligente christelijke leraren en schrijvers toch met stelligheid vasthouden, op grond van de foutieve veronderstelling dat ze in de bijbel wordt geleerd.” In soortgelijke trant schreef Dr. Martensen, voormalige bisschop van Seeland (Denemarken): „Het mag in onze tijd wel als een algemeen erkend feit worden beschouwd dat er geen op zichzelf staand bewijs voor de onsterfelijkheid van de mens kan worden aangevoerd.”
De leerstelling komt echter in de meeste kerkelijke geloofsbelijdenissen nog steeds voor. In de catechismus van de Nederduits Gereformeerde Kerk van Zuid-Afrika staat bijvoorbeeld: „De ziel leeft dus voort en is onsterfelijk.” Het is interessant dat de Hoofstad, een nieuwsblad in Pretoria (Zuid-Afrika), een artikel publiceerde met als titel: „Ziel blijft niet leven”, waarin de woorden van een leider van dezelfde kerk, professor Adrio König, werden aangehaald. Hij zei: „Christenen moeten af van het idee dat zijn oorsprong vindt bij de Griekse filosoof Plato, namelijk dat de mens uit twee delen bestaat: lichaam en ziel . . . volgens de bijbel eindigt ’s mensen bestaan met de dood. Er bestaat niet ’iets’ als een ziel die blijft leven.”
Vanwaar dit gebrek aan overeenstemming onder de geestelijkheid? Dit komt doordat de meesten van hen niet krachtig aan de bijbel als Gods Woord vasthouden, alhoewel zij wellicht de indruk wekken dat zij de bijbel onderwijzen. In plaats daarvan hebben zij de bijbel verruild voor menselijke filosofie — hun eigen filosofie en die van de oude Grieken.
Wat Jehovah’s Getuigen geloven
Jehovah’s Getuigen delen de opvatting van de christenheid omtrent inherente onsterfelijkheid niet. Zij geloven dat de menselijke ziel sterfelijk is, dat de doden helemaal geen gewaarwordingen ondergaan. Waarom geloven zij dit? Omdat zij de bijbel aanvaarden als Gods openbaring van waarheid aan de mensheid. Het is belangrijk om te weten dat de schrijvers van de Hebreeuwse Geschriften (Oude Testament) niet éénmaal de woorden „nèfesj” (Hebreeuws voor „ziel”) of „roeach” (Hebreeuws voor „geest”) met onsterfelijkheid in verband brachten. In plaats daarvan onderwezen zij dat de menselijke ziel sterft: „De ziel die zondigt, die zal sterven” (Ezech. 18:4, 20, Statenvertaling; zie ook Psalm 22:29 [30]; 78:50). Van de doden wordt gezegd dat zij zich van niets bewust zijn: „Want de levenden zijn zich ervan bewust dat zij zullen sterven; maar wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust, ook hebben zij geen loon meer . . . Alles wat uw hand te doen vindt, doe dat met uw krácht, want er is geen werk noch overleg noch kennis noch wijsheid in Sjeool [het gemeenschappelijke graf der mensheid], de plaats waarheen gij gaat.” — Pred. 9:5, 10.
De Griekse Geschriften (Nieuwe Testament) zeggen hetzelfde over de ziel en de dood. Jezus zei dat God „én ziel én lichaam kan vernietigen”. Indien de ziel vernietigbaar is, kan ze dus niet onsterfelijk zijn (Matth. 10:28). Met betrekking tot Jezus zei de apostel Petrus: „Elke ziel die niet naar die Profeet luistert, zal volledig worden verdelgd” (Hand. 3:23). Ook Jezus toonde aan dat de doden geen bewustzijn bezitten, want hij vergeleek de dood met een ’rustige slaap’ (Joh. 11:11-14). Dit is in overeenstemming met wat gemakkelijk kan worden waargenomen door iedereen die wel eens een begrafenisplechtigheid heeft bijgewoond waar de overledene te zien was.
Volgens het scheppingsverslag dat in Genesis 2:7 staat opgetekend, werd Adam uit het stof van de aardbodem gevormd, en „de mens werd een levende ziel”. Daarom gebruikt de bijbel dikwijls de uitdrukking „zijn ziel” om naar de persoon zelf te verwijzen, zoals in het geval van de jonge David: „Jonathan kreeg hem lief als zijn eigen ziel [als zichzelf]” (1 Sam. 18:1). The New International Dictionary of New Testament Theology zegt in een commentaar hierop: „De ziel is dermate een totaal van de gehele persoonlijkheid, van de gehele persoon zelf, dat ’ziel’ equivalent kan zijn aan ’ikzelf’ of ’uzelf’ (1 Sam. 18:1). In Genesis 2:7 betekent [ziel] ’persoon’ of ’wezen’.”
De glorierijke hoop op toekomstig leven die de bijbel in het vooruitzicht stelt, zal worden verwezenlijkt door middel van een opstanding. William Tyndale, een beroemd bijbelvertaler uit de zestiende eeuw, heeft eens opgemerkt: „Indien de ziel in de hemel is, vertel mij dan eens welke noodzaak er voor de opstanding bestaat?” De bijbel zegt dat sommige uitverkorenen ten tijde dat zij uit de dood tot leven worden opgewekt, „onsterfelijkheid aandoen”, ten einde aldus met God en Christus in de hemel te kunnen zijn. Het is dus duidelijk dat deze uitverkorenen niet met onsterfelijkheid geboren worden; indien zij tot de dood toe getrouw blijven, zullen zij deze onsterfelijkheid als een beloning mogen „aandoen”. — 1 Kor. 15:51-54; zie ook Romeinen 2:6, 7.
De overgrote meerderheid der doden zal in Gods komende nieuwe ordening een opstanding op deze aarde ontvangen. Toen Jezus op aarde was, demonstreerde hij dit door een aantal mensen uit de doden op te wekken. Bovendien beloofde hij: „Verwondert u hierover niet, want het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, [mijn] stem zullen horen en te voorschijn zullen komen.” — Joh. 5:28, 29.
Jehovah’s Getuigen geloven hier stellig in. Daarom hebben zij, wanneer zij zelf met de dood worden geconfronteerd of iemand van wie zij houden, in de dood verliezen, een basis voor werkelijke hoop. Het zal een van de geweldige, onuitsprekelijk vreugdevolle gebeurtenissen in de Nieuwe Ordening zijn wanneer God, met zijn oneindige macht en wijsheid, de doden opwekt. Aldus zal hij zijn belofte vervullen om ’alle tranen weg te wissen’ als hij ’alle dingen nieuw maakt’. — Openb. 21:4, 5.
[Illustraties op blz. 25]
Plato haalt de woorden van Socrates aan: ’De ziel gaat bij de dood naar het onzichtbare, naar het goddelijke en onsterfelijke, en leeft voortaan met de goden samen’
Plato
Socrates
[Illustratie op blz. 26]
’Er zal een opstanding van de doden zijn.’ — Hand. 24:15