Een blik van nabij op beroemde kunstwerken
Door Ontwaakt!-correspondent in Italië
ELK jaar bezoeken miljoenen toeristen Italiaanse kerkgebouwen. Sommigen zijn vrome gelovigen, anderen enkel belangstellende bezoekers. Wat ook hun opvattingen mogen zijn, zij zullen wellicht heel verbaasd zijn als zij zorgvuldig luisteren en scherp opletten bij hun bezichtiging van enkele van de beroemdste kunstwerken.
Mijn vrouw Barbara en ik namen deel aan een georganiseerde rondreis die ons door de drie bekendste Italiaanse steden, Rome, Florence en Venetië, voerde en wij namen John, onze vierjarige zoon, met ons mee.
Rome
De eerste plaats die wij aandeden, was Rome, een waarlijk fascinerende stad voor een ieder die interesse heeft voor kunst en voor wat ze over de geschiedenis van de religie onthult.
Hoewel wij reeds verscheidene grote Europese steden hadden bezocht, kon geen ervan met Rome wedijveren in rijkdom aan monumenten uit de oudheid, zoals forums, triomfbogen, haar beroemde Colosseum, de aquaducten en de Romeinse badhuizen. Tijdens de hele reis zijn wij rondgeleid door dezelfde gids, een man van rond de 50, die Carlo heette. Hoewel hij klein van gestalte was, wist hij al gauw onze aandacht te boeien.
Op de morgen van de eerste dag gaf Carlo ons een overzicht van de Romeinse geschiedenis en op zeker ogenblik vroeg hij: „Wist u dat Rome vaak de ’Stad van de obelisken’ wordt genoemd?” Dit was niemand bekend, en sommigen van het gezelschap wisten trouwens niet precies wat een obelisk was.
Na te hebben uitgelegd dat dit Egyptische gedenktekens zijn, naar boven smal toelopende, vierzijdige stenen zuilen, eindigend in een kleine piramide, merkte onze gids op: „Geen enkele andere stad ter wereld heeft zoveel obelisken als Rome.” En inderdaad duurde het niet lang of de eerste kwam in zicht en Carlo vervolgde: „We bevinden ons nu op het plein van St. Jan van Lateranen. Dit is een van de dertien nu nog overeind staande Romeinse obelisken, maar vroeger waren er veel meer. Deze hier is door paus Sixtus V in 1588 op zijn huidige plaats opgericht.”
„Welke betekenis hadden obelisken in Egypte?” vroeg Barbara.
„Het waren voorwerpen van verering voor de zonnegod. Plinius de Oudere, een Romeinse schrijver uit de oudheid, beweerde dat ze zonnestralen moesten symboliseren. Ze werden in tempels en naast altaren opgericht en de priesters brachten er offers voor aan de goden omdat men geloofde dat ze verschillende godheden personifieerden.”
„Hoe hoog is deze en hoe zwaar weegt hij?” wilden sommigen van onze reisgenoten weten.
„Dit is de hoogste ter wereld, met een lengte van exact 32 meter en 15 centimeter en een gewicht van ongeveer 460 ton”, antwoordt onze gids zonder met z’n ogen te knipperen.
„Maar wat betekent dat kruis op de spits?” kon ik niet nalaten te vragen.
Carlo antwoordde: „O, daar hoeft u zich niet over te verbazen. De pausen zorgden ervoor dat het kruis en andere symbolen op heidense monumenten werden aangebracht omdat zij van mening waren dat dit een manier was om het christendom over het heidendom te laten triomferen. Sixtus V was hier bijzonder op gebrand.”
Ik vroeg: „Het was nogal een vreemde verbintenis, vindt u niet?”
„Dat was het zeker. Weldra zult u nog een duidelijker voorbeeld zien van wat u een ’vreemde verbintenis’ noemt”, antwoordde hij. Hij begon Barbara en mij sympathiek te vinden omdat onze vragen hem de gelegenheid boden zijn uitgebreide kennis te spuien.
Toen wij de volgende dag het historische centrum van de stad bezochten, zagen wij wat hij bedoelde. „Daar staat de Trajanus-zuil”, zei Carlo terwijl hij op een witte marmeren zuil van 38 meter hoog wees. „Ze werd opgericht ter herinnering aan Trajanus’ militaire veldtochten, maar paus Sixtus V liet het standbeeld van de keizer verwijderen en vervangen door een beeld van St. Petrus.” Spoedig daarna bezochten wij een ander plein waar precies zo’n zuil stond. „Deze werd ter ere van Marcus Aurelius opgericht, maar als u naar het standbeeld op de spits kijkt, zult u zien dat het een afbeelding van de apostel Paulus is. Het standbeeld van de keizer werd op last van dezelfde paus vervangen in zijn pogingen om het heidense Rome te ’kerstenen’.”
„Nog even en we zullen een van onze best bewaard gebleven oude monumenten bezoeken”, zei Carlo later. Toen wij op een nabijgelegen plein bleven staan, toonde hij ons een typisch heidens tempelgebouw. „Dit is het Pantheon. Het werd tussen 27 en 25 v. Chr. gebouwd. Zoals u kunt zien heeft het achter de façade een cirkelvormig grondplan. De koepel is van hieruit zichtbaar, maar binnen zult u hem beter kunnen zien. Hij heeft een middellijn van 43 meter en is de grootste gemetselde koepel ter wereld. Pas in deze eeuw zijn dank zij de invoering van gewapend beton grotere gebouwd. De tempel was aanvankelijk aan de aanbidding van het pantheon van heidense goden gewijd. Tijdens de Renaissance gelastte paus Urbanus VIII dat het portaal van zijn bronzen bekleding moest worden ontdaan. Het metaal werd gedeeltelijk omgesmolten om het baldakijn boven het pauselijke altaar in de St. Pieter te vervaardigen en de rest werd gebruikt voor de kanonnen van de Engelenburcht.
Toen wij naar binnen liepen, verwachtten Barbara en ik er een museum of iets dergelijks aan te treffen, maar niet . . .
„Ah! Ik vergat te zeggen . . .”, voegde Carlo er haastig aan toe toen hij de verbaasde uitdrukking op onze gezichten zag, „nadat de Byzantijnse keizer Phocas het gebouw in 609 A. D. aan paus Bonifatius IV had geschonken, werd het Pantheon veranderd in een kerk en aan de verering van de Madonna en de martelaren gewijd. Zoals u kunt zien, wordt het nog steeds als een plaats van aanbidding gebruikt. Hier ligt de beroemde schilder Rafaël begraven en ook bevinden zich in deze koepel de graven van een aantal Italiaanse koningen die voor de onafhankelijkheid van Italië hebben gestreden.”
Toen wendde hij zich tot mij en vervolgde: „Heel veel andere Romeinse kerken zijn op de ruïnes van heidense tempels gebouwd en vaak werden de bestaande gebouwen opnieuw in gebruik genomen.” Hij begon een hele lijst af te ratelen: „De Santa Maria werd gebouwd op de plaats van een tempel die aan Minerva was gewijd, de kerk van St. Lorenzo in Miranda was vroeger gewijd aan een keizerlijk echtpaar dat vergoddelijkt was. . . .”
De morgen van de derde en laatste dag was gereserveerd voor een bezoek aan het Vaticaan. Wij gingen naar het Sint-Pietersplein, omsloten door de prachtige zuilengangen die het plein zijn imposante aanblik geven. Onze groep verzamelde zich rondom een grote obelisk midden op het plein. Carlo scheen alles over deze Egyptische gedenktekens te weten.
„Bekijk hem eens zorgvuldig”, zei hij, „en u zult zien dat er geen inscripties op staan. Keizer Caligula heeft hem naar Rome gebracht en paus Sixtus V heeft hem op deze plaats laten oprichten. Naar verluidt is het vervoeren en oprichten van dit monument een zeer moeilijke en kostbare onderneming geweest. Negenhonderd man hebben er vier maanden voor nodig gehad om het werk te voltooien. Met het oog op de moeilijkheden die erbij betrokken waren en omdat hij bang was voor de geringste afleiding, beval de paus dat iedereen die tijdens de werkzaamheden lawaai maakte, de doodstraf zou krijgen.”
Toen wij de reusachtige basiliek binnengingen, werden wij getroffen door de schittering van goud en de pracht van rood fluweel. Overal om ons heen bevonden zich de werken van velen van de grootste kunstenaars van vorige eeuwen.
„Hoeveel is dit alles wel waard?” vroeg een jongen.
„Het is uiteraard onmogelijk om de waarde te berekenen van alles wat we hier zien. Ik kan je echter het volgende zeggen: Op last van paus Julius 11 werd de basiliek die in de dagen van keizer Constantijn was gebouwd, gesloopt en begon men haar in haar huidige vorm te herbouwen. De pausen financierden de bouw door zoveel aflaatbrieven te verkopen dat er een golf van verontwaardiging rees die naar verluidt de protestantse reformatie heeft bespoedigd.”
Aan onze rechterzijde zagen wij de beroemde Pietà van Michelangelo, een voorstelling van de dode Christus die over de knieën van zijn moeder Maria ligt. Nadat Carlo onze aandacht had gevestigd op de zachtaardigheid en waardigheid die het beeld tot uitdrukking brengt, leidde hij ons naar een ander bronzen beeld. Een aantal mensen stonden er reeds voor; sommigen wachtten totdat zij aan de beurt waren om zijn rechtervoet te kussen. Toen er plaats vrijkwam, zagen wij kans om dichterbij te komen.
„Kijk Mammie! Pappie, zie je dat?” riep John. „Ze kussen zijn voet!” Ja, wij zagen dat de tenen van het beeld bijna glad afgesleten waren! „In de loop van eeuwen hebben de lippen van miljoenen gelovige aanbidders een deel van de tenen afgesleten”, legde onze gids uit. „Het is een afbeelding van St. Petrus, maar de herkomst ervan is onbekend. Volgens de overlevering werd het vervaardigd uit een omgesmolten beeld van Jupiter. De moderne opvatting is dat het beeld uit de 13de eeuw dateert.”
In de middaguren bezochten wij parken, gedenktekens en pleinen. Onze algemene indruk van Rome was dat het inderdaad een prachtige stad is met haar karakteristieke donkerrode gebouwen en haar tuinen waar hoge parasolvormige pijnbomen tegen de hemel geëtst schijnen te zijn.
Toen wij later op weg naar Florence waren, spraken wij over de vele prachtige dingen die wij in Rome hadden gezien en de zonderlinge vermenging van heilige en profane dingen, die de oplettende waarnemer beslist moet opvallen.
Florence
Hoewel Florence veel kleiner is dan Rome, zijn haar kunstmusea de rijkste ter wereld, vol met prachtige schilderijen en beeldhouwwerken. Omgeven door betoverende Toscaanse heuvels heeft de stad altijd een eigen speciale gratie gehad.
Mijn vrouw en ik waren zeer geïmponeerd door ons bezoek aan de Piazza del Duomo. Aan een van de mooiste pleinen van de stad staan hier de domkerk en het baptisterium, waar pasgeboren baby’s worden gedoopt. Toen Carlo zei: „Laten wij de Paradijsdeur gaan bekijken”, was onze nieuwsgierigheid direct gewekt. Toen wij de doopkapel naderden, toonde hij ons de bronzen deur van de Florentijnse kunstenaar Ghiberti. Ze dankt haar naam aan Michelangelo, die zei dat zo’n prachtige deur het verdiende de deur van het paradijs zelf te zijn. Haar tien panelen stellen episoden uit de bijbel voor. Wij kwamen dichterbij en zagen dat de kunstenaar de schepping van Adam en Eva, het verhaal van Kaïn en Abel, Noach en de Vloed, Abraham en zijn zoon Isaäk, Esau en Jakob, Jozef, Mozes, Jozua, Saul, David en Salomo had afgebeeld.
Binnen in het gebouw merkten wij een schril contrast met deze bijbelse onderwerpen op. Het mozaïek dat het gewelf sierde, werd overheerst door een gruwelijke uitbeelding van de hel. „Wist u dat de taferelen van de hel die in Italiaanse kerken staan afgebeeld, overeenkomst vertonen met die welke de Etrusken hebben geschilderd?” vroeg Carlo.
Dit was voor ons iets nieuws en wij wilden heel graag meer weten. Onze gids noemde vervolgens het boek La Civiltà etrusca (De Etruskische beschaving) van Werner Keller (uitgegeven door Garzanti), dat ik dank zij zijn hulp sindsdien heb weten te bemachtigen. Dit boek zegt:
„Waarom zouden wij dan verbaasd zijn als wij in de religieuze schilderingen die in Toscaanse kerken en in midden en noordelijk Italië worden aangetroffen, opnieuw de verontrustende helletaferelen uit Etruskische tijden zien opduiken, compleet met de vreeswekkende demonische gestalten en gevleugelde creaturen die eens de doden op hun laatste reis vergezelden? De creaturen die eens het Etruskische dodenrijk hadden bevolkt, verhuisden eenvoudig naar latere plaatsen van aanbidding en zijn bewaard gebleven in de gewijde kunst die deze kerken siert.
De uitbeelding van de helse gruwelen . . . kwam tot haar volste ontplooiing in het oude Etrurië, waar ze gewelddadiger en boosaardiger vormen aannam dan waar maar ook . . . De dominerende persoon die de leiding heeft over de helse kwelling en de folterende pijn van het christelijke vagevuur, is Satan, het duidelijke equivalent van de demonen die de grafkamers van de laat-Etruskische tijden bevolkten.”
Deze ontdekking was nog een verder bewijs dat heidense ideeën in de christenheid de leer en de hele geest van het vroege christendom grondig hebben veranderd.
Aan het einde van deze rondreis verlieten wij Florence en ondernamen de lange reis naar Venetië.
Venetië
Venetië, dikwijls de „Koningin van de Adriatische Zee” genoemd, maakte een buitengewoon diepe indruk op ons. Het is een waarlijk unieke stad, gebouwd op verschillende eilanden van een lagune, met kanalen en paleizen die een vaag oosters karakter dragen en ingelegd zijn met fijn marmeren traceerwerk. Het had wel iets weg van „duizend-en-één-nacht”.
De Piazza San Marco is fascinerend. Aan één zijde wordt ze afgesloten door de basiliek, die een kruising is tussen een Byzantijnse kerk en een mohammedaanse moskee. Vier reusachtige vergulde paarden van brons op het terras boven het voorportaal verfraaien de voorgevel. Hoewel ik iets werd afgeleid door John, die per se op hun rug wilde zitten, zag ik toch kans te horen wat Carlo erover vertelde. „Deze grote paarden, voorbeelden van derde- of vierde-eeuwse [v.G.T.] Griekse kunst, zijn kopieën van de originele beelden die onlangs zijn weggehaald om gerestaureerd te worden. Let u ook op de decoraties rond de bogen van de kerk. Deze hier toont een jachttafereel waarbij een centaur tegen een draak strijdt. Die daar duidt op de maanden van het jaar met de tekens van de dierenriem en daarachter ziet u er nog een die de werken van Hercules uitbeeldt . . . Dit beeldhouwwerk is een voorstelling van vier krijgslieden in een hartelijke begroeting. Men neemt aan dat het de heidense keizers Diocletianus, Maximianus, Galerius en Constantius zijn.”
Mythologische taferelen, astrologische symbolen en beelden van krijgslieden — wat een vreemde versieringen aan een kerk!
Wij beëindigden onze vakantie in stijl door een boottocht te maken in een van de beroemde Venetiaanse gondels en zo de hele stad zich voor ons te zien ontvouwen.
Aan het einde van de korte rondreis hadden wij veel stof tot nadenken. Wij hadden immers van nabij de duidelijke vermenging van heilige en profane elementen in de kunstschatten van de christenheid gezien. De pracht en praal van veel religieuze gebouwen doordrong ons van de superieure waarde die een verlichtend begrip van het ware christendom heeft. De talloze kunstwerken, vruchten van menselijk kunnen, brachten ons ertoe stil te staan bij de superieure wijsheid van onze Schepper, wiens kunstvaardigheid zo wonderbaar tot uiting komt in de wijze waarop hij ons heeft gemaakt.
[Illustratie op blz. 16]
Obelisk op St. Pietersplein
[Illustraties op blz. 17]
Beeld van Petrus, herkomst onzeker
Het Pantheon, oorspronkelijk aan heidense goden gewijd
[Illustratie op blz. 18]
Helletaferelen in het katholieke Baptisterium in Florence