Kan een van deze stelsels het ware geluk brengen?
Kapitalisme? Communisme? Socialisme?
HET geluk te zoeken in materiële voorspoed is geen nieuwe gedachte. Het was de levenswijze van vele Grieken en Romeinen in de oudheid. Maar ze kwam in de middeleeuwen in een kwade reuk te staan. Waarom? Hoofdzakelijk om religieuze redenen.
De middeleeuwse maatschappij werd op elk terrein van menselijke activiteit gedomineerd door religie. Voor de Oosters-Orthodoxe en de Rooms-Katholieke Kerk was armoede een deugd. Het was een „beproeving” die door de armen geaccepteerd moest worden. Dat de rijken rijk en de armen arm waren, werd gezien als een ordening Gods. Vrijwillige armoede werd als „heilig” beschouwd, en „woeker” (geld lenen tegen rente) was volgens de kerkelijke wetten verboden.
Maar terwijl de banvloek werd uitgesproken over de joodse geldschieters, leenden de katholieke kathedraal-kapittels tegen hoge renten geld uit. Het pausdom zelf werd „het grootste financiële instituut van de middeleeuwen”. Dit was de situatie gedurende het grootste deel van de periode van de feodaal-kerkelijke orde.
De geboorte van het kapitalisme
Met de ineenstorting van het feodale stelsel begon de groei van de handel in en tussen de steden. Ook de handel tussen landen werd belangrijker. Ideeën circuleerden vrijer, vooral na de uitvinding van de drukpers. De invloed van de katholieke Kerk begon te tanen.
Het middeleeuwse katholicisme was het grootste obstakel geweest voor de ontwikkeling van een nieuw economisch stelsel. Maar tegen het einde van de middeleeuwen waren toch midden in de katholieke christenheid wat geïsoleerde gebieden ontstaan waar een kapitalistische handel, produktie en bankwezen waren gegroeid. Dit was bijvoorbeeld het geval in katholieke steden als Venetië in Italië, Augsburg in Duitsland en Antwerpen in Vlaanderen.
Toen kwam in de 16de eeuw de Reformatie. Hoewel het overdreven zou zijn om te stellen dat de Reformatie het kapitalisme voortbracht, maakte ze beslist ideeën vrij die het een sterke stimulans gaven. Eén punt was dat het calvinisme legitieme zakenwinst bevrijdde van het brandmerk van „woeker”. Bovendien verschaften bepaalde protestantse geloofsovertuigingen mensen een motief om door hard werken te willen slagen in het leven en op die manier te bewijzen dat zij tot de „uitverkorenen” behoorden. Succes in zaken werd beschouwd als een teken van Gods zegen. De zo verworven rijkdom kwam beschikbaar als kapitaal om te investeren in de eigen zakelijke onderneming of in die van een ander. Zo droeg de protestantse ethiek van hard werken en spaarzaamheid bij tot de uitbreiding van het kapitalisme.
Het is niet verrassend dat de kapitalistische economie zich in protestantse landen sneller ontwikkelde dan in katholieke landen. Maar de katholieke Kerk haalde de verloren tijd snel in. Ze stond het kapitalisme toe zich te ontwikkelen in landen waar ze veel macht had, en werd ook zelf een uitermate rijke kapitalistische organisatie.a
Het kapitalisme betekende ongetwijfeld een verbetering ten opzichte van het feodale stelsel, al was het maar dat het de werkende klassen een grotere vrijheid verschafte. Maar het bracht ook vele onrechtvaardigheden. De kloof tussen rijk en arm werd veelal breder. In zijn slechtste vorm bracht het kapitalisme uitbuiting en klassenstrijd. In zijn beste vorm bracht het een welvarende consumptiemaatschappij in sommige landen, en een materiële overvloed. Maar het heeft ook een geestelijke leegte voortgebracht en is er niet in geslaagd waar en blijvend geluk te brengen.
Is communisme de weg tot geluk?
De protestantse reformatie was een opstand tegen het pauselijke misbruik van macht en privileges. Maar ze maakte een vloed van ideeën los die veel verder gingen dan de oorspronkelijke hervormers voorzagen. Deze ideeën zouden — vroeg of laat — revoluties ontketenen op andere gebieden dan religie. Niet alleen stimuleerde de revolte tegen Rome de ontwikkeling van het kapitalisme maar ze bracht ook vernieuwingen op het gebied van wetenschap, technologie en filosofie — met als resultaat atheïstische overtuigingen.
Met de komst van de stoommachine en de mechanisering verbreidde het kapitalisme zich van het terrein van de handel naar dat van de industrie. Het tweede deel van de 18de eeuw en de 19de eeuw zagen enorme fabrieken ontstaan waarvoor een groot arbeidersleger nodig was dat gerekruteerd werd onder boeren, handwerkslieden en zelfs kinderen. Maar kapitalistische „uitbuiting van de ene mens door de andere” leidde tot de vorming van arbeidersbewegingen en revolutionaire filosofieën zoals het communisme.
In theorie duidt de term „communisme” op „systemen van sociale organisatie die gebaseerd zijn op gemeenschappelijk bezit, of een gelijke verdeling van inkomen en rijkdom”. In de huidige praktijk is communisme een regeringsstelsel met een één-partij-bewind waarbij de staat eigenares is van de produktiemiddelen en de economie bestuurt.
Voor miljoenen bezitslozen over de hele wereld scheen het communisme een hoop op een beter leven te bieden. Het scheen de beste manier om de schandelijke sociale ongelijkheden die door het kapitalistische stelsel waren geschapen, te nivelleren. Velen waren zelfs bereid om afstand te doen van een verwachting van vrijheid op korte termijn, als door middel van een revolutie betere levensomstandigheden verkregen zouden worden. Vrijheid zou later komen, zo dachten zij. Maar er zijn vele jaren verstreken. Het communistische regeringsstelsel heeft de tijd gehad om in vele landen te tonen waartoe het in staat is. De resultaten zijn teleurstellend geweest, zelfs ten aanzien van materiële voorspoed, om nog maar niet te spreken van vrijheid en geluk.
Jarenlang hebben in de westerse wereld vele jongeren — en ook wel de wat ouderen — zich aangetrokken gevoeld tot de communistische ideologie. Maar het aanhoudende slechte nieuws dat uit vele communistische landen naar buiten sijpelde en de zich alleen maar in één richting bewegende vluchtelingenstroom hebben velen gedesillusioneerd.
Is het socialisme een betere methode?
Het woord „socialisme” komt van het Latijnse socius, dat „metgezel” betekent. Het eerst werd het gebruikt in Engeland in het begin van de 19de eeuw, en iets later ook in Frankrijk. Men paste deze benaming toe op de sociale theorieën van de Engelsman Robert Owen (1771-1858) en de Fransen Saint-Simon (1760-1825) en Charles Fourier (1772-1837).
Owen had kritiek op de kapitalistische organisatie van de industrie die op concurrentie en uitbuiting van de arbeiders was gebaseerd. Veel beter was volgens hem een coöperatief systeem waarin mannen en vrouwen in „dorpen van eenheid en samenwerking” zouden wonen en daar zelf de vruchten zouden plukken van hun arbeid op zowel agrarisch als industrieel gebied. In Schotland, Ierland en zelfs de Verenigde Staten werden verschillende gemeenschappen volgens deze ideeën opgezet, maar ze vielen uiteindelijk weer uiteen.
In Frankrijk was Fourier voorstander van het oprichten van modelgemeenschappen, phalanstères, die bestonden uit mensen die hun voorkeur zouden kunnen volgen in het soort werk dat zij zouden doen. Anders dan Owen, die staatsbemoeienis aanvaardde voor de oprichting van zijn „dorpen”, geloofde Fourier dat zijn stelsel op een geheel vrijwillige basis zou werken. Bovendien zouden de leden van zijn gemeenschappen betaald worden naar hun inspanningen en eigen bezit kunnen hebben. Fourier dacht een sociale organisatie gevonden te hebben die overeenkwam met ’s mensen natuurlijke verlangens in zijn speurtocht naar geluk. Er werden in Europa en de VS gemeenschappen van Fourieristen opgericht, maar ook deze werden geen succes.
Dichter bij het moderne socialisme stonden de ideeën van de Fransman Saint-Simon. Hij propageerde het gemeenschappelijke eigendom van de produktiemiddelen, terwijl het beheer erover gevoerd moest worden door deskundigen op het gebied van wetenschap, technologie, industrie en geldwezen. Saint-Simon geloofde dat samenwerking tussen wetenschap en industrie een nieuwe maatschappij zou creëren waarin mensen gelijke mogelijkheden zouden hebben om naar hun bekwaamheden en de hoeveelheid en kwaliteit van hun werk voorspoed te vinden.
Hoewel geen van deze vroege socialistische ideologieën een lang leven beschoren was, bereidden ze de weg voor latere bewegingen. Het waren de vroege stemmen van het socialisme van nu, dat is gedefinieerd als een stelsel van sociale organisatie op basis van publiek bezit en beheer van de belangrijkste middelen voor produktie en verdeling van goederen. Hoewel de fundamentele doelstellingen ervan overeenkomen met die van het communisme, verschilt het democratisch socialisme daarin van het marxisme dat het progressieve hervormingen voorstaat maar geen revolutie en geen één-partij-stelsel.
Hoewel het socialisme meer eerbied heeft voor individuele vrijheid dan het communisme, is het er niet in geslaagd internationale vrede en geluk te brengen. Waarom niet?
Waarom de mislukking?
Eén reden is dat socialisme geen sterkere kracht is gebleken dan het nationalisme. Met betrekking tot de Tweede Internationale, een federatie van socialistische partijen en vakbonden, opgericht in 1889, lezen wij dat ze „vele bewogen manifesten tegen oorlog uitgaf, maar toen de oorlog uitbrak [in 1914], bracht dat haar verlamming aan het licht. De meeste aangesloten nationale partijen kozen de zijde van hun nationale regeringen en lieten de gedachte aan internationale solidariteit van de werkende klasse varen”. — Encyclopædia Britannica.
Sindsdien is de socialistische beweging altijd versplinterd gebleven, en socialisme heeft nog steeds niet voor iedereen dezelfde betekenis. De naam socialistisch wordt gebruikt door een aantal regeringen, waarvan sommige weinig verschillen van progressieve conservatieve regeringen terwijl andere autoritair en zelfs totalitair zijn. Het woord „socialistisch” heeft daarom aan betekenis ingeboet voor vele oprechte mensen die dachten dat deze ideologie zou leiden tot een wereldomvattende broederschap in een klassenloze maatschappij van materiële voorspoed en geluk.
Geen wonder dat de Franse vakbondleider Edmond Maire in Le Monde schreef: „De historische mislukking van de arbeidersbeweging in haar ambitie om het socialisme op te bouwen . . . [heeft] een aantal militanten — zowel arbeiders als intellectuelen — ertoe gebracht om zelfs de verwachting dat dit op lange termijn verwezenlijkt zal worden, op te geven. . . . Vooral de jongeren schijnen aangetast te zijn door deze verzwakking van de socialistische hoop.”
Zowel via de weg van het kapitalisme als via het communisme en socialisme is ’s mensen zoeken naar een stelsel dat materiële voorspoed en echt geluk zou brengen, een mislukking gebleken. De Amerikaanse socioloog Daniel Bell geeft toe: „Voor de radicale intelligentsia hebben de oude ideologieën hun ’waarheid’ en hun overtuigingskracht verloren. Slechts enkele serieuze denkers geloven nog dat men blauwdrukken kan opstellen en via maatschappelijke veranderingen een nieuw utopia van sociale eensgezindheid tot stand kan brengen.” — The End of Ideology.
Toch is dit zoeken naar materiële voorspoed en geluk iets heel natuurlijks. Waarom hebben dan toch de menselijke economische en politieke stelsels dat geluk niet kunnen brengen? Het volgende artikel zal die vraag onderzoeken.
[Voetnoten]
a Zie The Vatican Empire van de katholieke auteur Nino Lo Bello.
[Inzet op blz. 7]
Velen zijn in het communisme teleurgesteld, zoals blijkt uit de slechts in één richting bewegende stroom vluchtelingen
[Kader op blz. 8]
Kapitalisme
Het economische stelsel waarin alle of althans de meeste middelen voor produktie en verdeling van goederen (land, mijnen, fabrieken, spoorwegen, enzovoort) particulier bezit zijn en worden geëxploiteerd met het oogmerk winst te behalen, en waarbij de eigenaars (kapitalisten) de diensten huren van personen die geen kapitaal bezitten (arbeiders)
Communisme
Een systeem van sociale organisatie waarbij alles bezit is van de gemeenschap of de staat, met een geleide economie en een één-partij-stelsel
Socialisme
Een systeem van sociale organisatie gebaseerd op publiek bezit en beheer van de belangrijkste middelen voor produktie en verdeling van goederen; in de westerse wereld van het communisme onderscheiden omdat het progressieve hervormingen binnen het democratische bestel voorstaat
[Illustratie op blz. 6]
Kinderarbeid in Britse kolenmijn in 1842