Zich aan hoorstoornissen leren aanpassen
HET normale oor is zo gemaakt dat iemand ermee kan horen. Dit orgaan stelt iemand in staat te genieten van het geluid van een tjilpende vogel, het geraas van een waterval en het ritselen van bladeren in de wind — verrukkelijke geluiden die de waardering voor het leven vergroten.
Wegens het vermogen geluid op te vangen en dit naar de hersenen over te brengen, is het oor inderdaad een wonder. Maar het doet veel meer dan iemand alleen maar in staat stellen geluid op te vangen. Het wordt pas volledig gebruikt wanneer een persoon luistert naar en deelneemt aan gesprekken. Zijn gehoor stelt hem in staat de uitwisseling van gevoelens, bezorgdheid en emoties te bespeuren. Wanneer iemand echter met gehoorverlies te kampen heeft, kunnen daaruit gevoelens van hulpeloosheid, frustratie en zelfs kwaadheid voortvloeien.
Om dit te illustreren: Als de woorden „maat”, „raad” en „laat” nu eens allemaal hetzelfde voor u zouden klinken? En als u alleen maar kon weten wat er werd gezegd, indien u de spreker het woord zag uitspreken? Hoe zou u zich voelen? Onnodig te zeggen dat u wel wat gefrustreerd zou zijn.
Om vast te stellen wat de uitwerking van een hoorstoornis is, moet u de volgende zin eens hardop lezen: Jo-ua --eun- o- -ijn --af. Moet u de zin verscheidene malen lezen voordat u door de ontbrekende letters of klanken in te vullen, de betekenis gaat begrijpen? Die ontbrekende klanken zijn beslist nodig om te begrijpen wat er bedoeld wordt. De zin luidt: „Jozua steunt op zijn staf.”
Het voorgaande illustreert het probleem dat iemand gewoonlijk ervaart wanneer hij aan gehoorverlies lijdt. Zelden verliest hij zijn gehele hoorvermogen. Het meest voorkomende probleem heeft als oorzaak dat men niet in staat is alle klanken evenredig goed te horen. Daarom klinkt alles wat men hoort, vervormd en verward. Een [Engelstalig] slachtoffer van deze vorm van gehoorverlies merkte op:
„We denken dat we het hebben verstaan, terwijl dit niet zo is. Toen ik bijvoorbeeld verkering met mijn vrouw had, hoorde ik haar eens vragen: ’Houd je van mensen [Engels: people]?’ — een soort pretentieuze ’openingszet’ waarvan ik een chronische afkeer heb. Ik gaf een vaag antwoord en was waarschijnlijk een beetje abrupt. Zij keek verbaasd. Wat zij in werkelijkheid had gezegd, zoals ik een paar minuten later te weten kwam, was heel wat veelbelovender: ’Houd je van pizza?’
Het gevolg van zulke misverstanden — en wij maken ze voortdurend mee — is vaak een enorm gelach, goedaardige plagerijtjes en een fraaie anekdote om aan tafel te vertellen. Maar het gevolg kan ook een ernstige communicatiestoornis zijn, of de schijn dat men traag van begrip of onverschillig is, en het kan het einde van een vriendschap betekenen.”
Uit eigen ervaring puttend, vertelt een dove schrijver het volgende over zijn handicap:
„In groepsgesprekken waarbij jij als enige doof bent, besta je niet. Omdat je je ideeën niet naar voren kunt brengen via een medium waaraan iedereen gewend is, wordt er niet van je verwacht, en nog minder van je gevraagd, dat je aan de discussies deelneemt. Omdat jij doof bent, gaan zij zich doof houden. Doe nu maar gewoon wat je ouders, vrienden, collega’s — die kunnen horen — je vertellen . . . Terwijl iedereen aan het praten of lachen is, ben jij net zo ver weg als een eenzame Arabier in een woestijn die zich van de ene horizon tot de andere uitstrekt. Iedereen en alles is een luchtspiegeling; je ziet ze, maar je kunt ze niet aanraken of er een deel van worden. Je stikt van binnen, maar je kunt niemand over dit verschrikkelijke gevoel vertellen. Je weet niet hoe je het moet zeggen. Je krijgt de indruk dat niemand het begrijpt of zich erom bekommert.”
Wat valt er over een hoorapparaat te zeggen?
Iemand die geen probleem met horen heeft, is misschien geneigd te denken dat een hoorapparaat beslist de voor de hand liggende oplossing voor het probleem zou zijn. Hoewel een hoorapparaat een hulp kan zijn, heeft het toch beperkingen.
Hayes Newby, een expert op dit gebied, schrijft: „Hoorapparaten zijn dure instrumenten, en men zou verwachten dat wanneer een patiënt er eenmaal een heeft aangeschaft, hij zichzelf ertoe zou dwingen ermee te leren omgaan en zich eraan aan te passen.” Maar doet hij dat ook? „Een groot aantal hoorapparaten”, zo vervolgt hij, „komt uiteindelijk terecht in de spreekwoordelijke dressoirla.”
Waarschijnlijk kent u wel iemand die een hoorapparaat heeft. Misschien is die persoon uw eigen huwelijkspartner. Het is heel goed mogelijk dat hij zijn hoorapparaat niet draagt. Dit veroorzaakt misschien frustratie bij degenen wier gehoor niet beschadigd is. Zij zeggen misschien: „Als hij zijn apparaat maar zou dragen, dan zouden wij veel beter met elkaar kunnen spreken.”
Toch moet er een reden voor zijn dat hij het apparaat niet gebruikt. Hayes Newby zegt over dit probleem: „Te veel patiënten verwachten dat het hoorapparaat het antwoord op al hun hoorproblemen zal zijn, en dat zij, zodra zij het apparaat gaan dragen, net zo goed zullen kunnen horen als toen hun gehoor normaal was. Ongelukkig genoeg is dit niet waar . . . een hoorapparaat is een versterker, en dan nog niet eens een ’high fidelity’ apparaat. Het kan dienen om spraak luider te maken voor de persoon, maar het kan deze spraak niet duidelijker maken.”
Het eerste probleem zit dus in het hoorapparaat zelf. Het is beperkt in de verscheidenheid van klanken die het kan reproduceren. Hoewel het hoorapparaat in zekere mate bepaalde klanken selectief kan versterken en andere kan dempen, kan het deze klanken niet versterken zonder dat er enige vervorming optreedt. Op z’n best lijkt de kwaliteit van de geluidsweergave meer op het geluid dat men door een telefoon hoort, dan op een ’high fidelity’ opname.
Een tweede probleem is dat mensen met hoorstoornissen allemaal verschillend zijn. Geen twee oren zijn gelijk; noch horen ze exact hetzelfde. Daarom is een mate van versterking die voor de ene persoon te luid schijnt, voor iemand anders aangenaam.
Dit kan geïllustreerd worden door wat het geval is met mensen die een „normaal” gehoor bezitten. Sommige jonge mensen zetten een platenspeler of radio erg hard en schijnen daar volkomen op hun gemak naar te kunnen luisteren. Pa of ma beweert ondertussen nadrukkelijk dat de muziek te hard staat. Zowel de ouders als de kinderen horen misschien dezelfde geluidssterkte, maar zij hebben een verschillend tolerantieniveau.
Aangezien het hoorapparaat alle geluiden versterkt, is de doeltreffendheid ervan grotendeels afhankelijk van het tolerantieniveau van de drager. Wanneer hij het apparaat op een „aangename” geluidssterkte instelt in plaats van de „luister”-sterkte, trekt hij niet ten volle profijt van het vermogen van het instrument om geluid te versterken. Het hoorapparaat staat misschien wel aan, maar niet hard genoeg om hem te helpen spraak te verstaan.
Wat kan de drager doen?
Wat kan iemand die een hoorapparaat draagt, doen met het oog op deze factoren? Allereerst moet hij zich tijd gunnen en oefenen om aan zijn „nieuwe oor” te wennen, terwijl hij niet meer van zijn apparaat verwacht dan het kan geven. Het aanvankelijke ongemak is hetzelfde als dat wat men ervaart wanneer men een kunstgebit of een dubbelfocusbril krijgt. Uiteindelijk neemt het ongemak af naarmate degene die het apparaat draagt, zich aan de nieuwe geluidswaarneming aanpast.
Het is duidelijk dat, indien iemand bepaalde geluiden lange tijd niet heeft gehoord, hij eraan gewend is ze niet te horen. Zelfs het tjilpen van een vogel of het ritselen van bladeren kan storend zijn wanneer men deze geluiden enige tijd niet heeft gehoord. De drager van een hoorapparaat is daarom wellicht van mening dat hij te veel lawaai waarneemt, zodat hij weigert het apparaat nog langer te dragen. Maar dit zal hem niet helpen beter te horen. De enige oplossing is voor hem het lawaai te leren accepteren, de onwenselijke geluiden te negeren en zich te concentreren op de geluiden die hij wil horen.
Om niet ontmoedigd te raken, moet iemand die een hoorapparaat draagt ook in gedachte houden dat er gelegenheden zijn waarbij zelfs mensen met een normaal gehoor veel van wat er wordt gezegd, missen. Daarom kan ook hij verwachten dat hij soms slechte resultaten behaalt.
Indien iemand die een hoorapparaat draagt deze beperkingen beseft en zich er niet door laat ontmoedigen, kan hij er heel veel voordeel van hebben. Er is beslist zelfdiscipline voor nodig om een succesvolle drager van een hoorapparaat te worden.
Behulpzaam zijn
Degenen die omgaan met iemand die slechthorend is, kunnen hem helpen door begrip te tonen. Zij doen er goed aan in gedachte te houden dat iemand die een hoorapparaat leert dragen, problemen en ongemak ondervindt.
Hoewel het een vermoeiende aangelegenheid kan zijn om met iemand die aan gehoorverlies lijdt, te spreken, moet men de conversatie toch gaande houden. Het is het nuttigst wanneer u met uw normale stem en met het gebruikelijke volume spreekt. Luider spreken kan storend werken voor de drager van het hoorapparaat. Het is het beste zijn aandacht op u te vestigen en oog in oog met hem te spreken, zodat hij uw gezicht en uw lippen kan zien, en met zijn ogen de lippen en gelaatsuitdrukkingen kan „lezen” als aanknopingspunten voor wat er gezegd wordt. Indien hij iets niet verstaat, is het wellicht nuttiger hetzelfde met andere woorden te zeggen, dan het alleen maar te herhalen. Indien bijvoorbeeld de uitdrukking „Wil je naar de stad?” niet direct wordt verstaan, zouden er meer aanknopingspunten gegeven kunnen worden. Men zou misschien kunnen zeggen: „We gaan winkelen in de stad. Zou je het leuk vinden om met ons mee te gaan naar de stad?”
Ons gehoor beschermen
Persoonlijk hebben wij misschien geen probleem met ons gehoor. Toch is het verstandig te doen wat wij kunnen om in een lawaaierige, geïndustrialiseerde maatschappij ons hoorvermogen te behouden.
Men is het er algemeen over eens dat gedurende langere perioden aan hard geluid blootgesteld zijn, het mechanisme van het gehoor kan beschadigen. Deze soort van gehoorverlies kan niet hersteld worden. Indien een persoon in een omgeving werkt waar het geluid erg hard is (iedere omgeving waar men niet op een normaal geluidsniveau met elkaar kan praten), dient hij met geregelde tussenpozen zijn gehoor te laten onderzoeken om te zien of het lawaai zijn gehoor aantast. Het is veel beter de nodige veranderingen aan te brengen om gehoorverlies te voorkomen, dan te trachten dit te corrigeren door middel van een hoorapparaat. En in het geval van een ziekte dient men de behandeling niet te lang uit te stellen.
Het gehoor is werkelijk kostbaar — een gave van de Schepper. Wanneer wij de waarde ervan beseffen, dient dit ons ertoe aan te zetten begrip te tonen voor degenen die problemen met het gehoor hebben, en redelijke krachtsinspanningen te doen om het gehoor dat wij thans bezitten, te beschermen.