Zelfs een verkeerde voorstelling van zaken kan aandacht op de waarheid vestigen
GODS dienstknechten moeten niet vreemd opkijken als anderen hen en hun boodschap in een verkeerd daglicht stellen. De christelijke apostel Petrus schreef aan medegelovigen: „Omdat gij niet langer met hen deze weg bewandelt naar dezelfde lage poel van liederlijkheid, staan zij vreemd te kijken en gaan zij voort schimpend over u te spreken” (1 Petr. 4:4). Soms wordt juist door dergelijk gepraat bij anderen belangstelling voor de bijbelse boodschap gewekt.
Een man uit de Afrikaanse republiek Sénégal vertelt wat er gebeurde op de eerste dag dat hij bij een nieuwe baas werkte: „Mijn collega’s bestormden mij met allerlei wilde verhalen over een andere man die die bewuste dag niet op het werk was. ’Hij is gek’, zeiden zij. ’Hij praat over niets anders dan alleen maar over God en hij is steeds aan het proberen mensen van hun geloof af te halen. Kijk maar uit! Hij zal jou ook bij de kerk proberen weg te halen.’
Ik begreep er eerlijk gezegd niets van. Deze mensen kenden mij niet eens. Waarom waren zij allemaal zo ’bezorgd’ en ’vriendelijk’ voor mij? Het maakte mij nogal nieuwsgierig en ik wilde deze zo verafschuwde ’gek’ graag leren kennen.
Op de morgen van de derde dag dat ik daar werkte, kwam er iemand naar mij toe die ik niet eerder had gezien. Hij had plezier in het leven. Zijn zonnige instelling en ontwapenende glimlach waren opvallend. Hij begroette mij letterlijk met open armen. Het was de bedoeling dat wij met elkaar zouden samenwerken, zei hij. Hij bleek in alle opzichten helemaal normaal te zijn. Maar ik was er zeker van dat hij die ’gek’ was waarvoor iedereen mij had gewaarschuwd. Zonder enige verdere inleiding zei ik: ’Jij bent zeker . . .’ Verbaasd zei hij: ’Ja, dat klopt. Maar hoe komt het dat je mijn naam weet? Ken je mij?’
Ik legde hem uit dat ik hem in zeker opzicht kende omdat ik al twee dagen lang zoveel over hem gehoord had van de anderen. Omdat wij moesten samenwerken, maakte hij gebruik van momenten dat wij even niets te doen hadden om mij over het goede nieuws van het Koninkrijk te vertellen. Gelijk in het begin al zei ik tegen hem dat ik het niet erg vond dat hij erover sprak maar dat ik totaal niet van plan was mijn religie te veranderen. Maar naarmate de middag vorderde, klonk zijn boodschap steeds beter. De volgende dag had ik al ten gunste van de waarheid besloten.”