Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g79 22/3 blz. 6-11
  • Mijn geduldig zoeken beloond

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn geduldig zoeken beloond
  • Ontwaakt! 1979
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het onderzoek beginnen
  • Een doorbraak
  • De sleutel die de weg opende tot mijn verleden
  • Vereniging
  • Hoop voor de toekomst
  • Op Jehovah steunen is lonend geweest
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2013
  • Wist u dit?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
  • Adoptie — Hoe moet ik er tegenover staan?
    Ontwaakt! 1996
  • Een ontroerende verrassing
    Ontwaakt! 1997
Meer weergeven
Ontwaakt! 1979
g79 22/3 blz. 6-11

Mijn geduldig zoeken beloond

ALLE mij ter beschikking staande inlichtingen over mijzelf en mijn familie lagen besloten in enkele wettelijke documenten die mijn adoptiefouders mij voor het eerst lieten zien toen ik ongeveer zeven of acht jaar oud was. Zij hadden ze ontvangen toen ze mij wettig als kind hadden geadopteerd. Later, nadat ik volwassen was geworden, gaven zij mij deze papieren. Het enige wat ik van mijn familie wist, waren twee namen op een stuk papier, die van mijn moeder en van mijzelf.

Hoewel ik er reeds op prille leeftijd naar verlangde meer over mijn oorsprong te weten te komen, kwam ik er pas aan toe aan dat verlangen gehoor te geven toen ik de dertig was gepasseerd. In die tussentijd had mijn leven door een studie van de bijbel een hele verandering ondergaan.

Omstreeks 1967 had ik mijn aangelegenheden zo weten te regelen dat ik er meer tijd aan kon besteden mijn bijbelkennis met anderen te delen. Ten slotte diende ik bijna vier jaar als zendeling op de eilanden Truk, Kosrae en Ponape, in de Grote Oceaan. Dat duurde voort tot 1973, toen ik een uitnodiging ontving om op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn (New York) te komen werken.

Dat was voor mij een tijd van terugblikken — de vragen omtrent mijn achtergrond begonnen me steeds meer bezig te houden. Wie zijn mijn vader en mijn moeder? Heb ik broers en zusters? Ben ik van Spaanse, Franse of andere afkomst? Bovendien had ik nu nog een reden om mijn natuurlijke familie op te sporen, belangrijker dan alle andere — ik wilde graag het „goede nieuws van het koninkrijk” met hen delen. — Matth. 24:14.

Maar waar moest mijn onderzoek beginnen?

Het onderzoek beginnen

Uit de papieren die ik had gekregen, wist ik dit: de volledige naam van mijn moeder, de naam die ik bij mijn geboorte had gekregen, de naam van de adoptie-instelling, de datum van mijn geboorte, en het ziekenhuis waar ik was geboren. Ik begon mijn speurtocht met een brief aan de adoptie-instelling in de staat van mijn geboorte, Californië.

Dat leverde meteen mijn eerste frustrerende ontmoeting met de officiële muur van uiterste geheimhouding. Aan banden gelegd door de wet, kon de instelling mij niet officieel bevestigen of ontkennen of de genoemde vrouw mijn moeder was. Wel vertelde ze mij dat de vrouw over wie ik informeerde, afkomstig was geweest uit Oregon. Ze verschafte mij ook nog enkele andere feiten omtrent haar, met inbegrip van de mededeling dat ze van Duits-Franse afkomst was, op school gemiddelde cijfers had behaald en in de muziekband van de middelbare school had gespeeld.

Vervolgens schreef ik naar de afdeling bevolkingsstatistieken in Portland (Oregon). Ik sloot er een onkostenvergoeding bij in, plus de weinige informatie die ik over mijn moeder bezat. Binnen een paar dagen had ik bericht. Iemand, met dezelfde naam was inderdaad 24 jaar voor mijn geboorte in die staat geboren. Men deelde mij echter mee dat het onmogelijk was mij een afschrift van haar geboorte-akte te sturen, aangezien men daarmee in strijd zou komen met de wet.

Na een paar dagen puzzelen en onderzoek besloot ik opnieuw te schrijven en te verzoeken om een kopie van de wettelijke bepaling die mij verbood een afschrift van haar geboorte-akte te ontvangen. De wet luidde dat de geboorte-akte alleen kon worden afgegeven aan een bloedverwant, de persoon zelf of een advocaat. Gelukkig hadden ze mij een kopie gestuurd van de hele bladzijde waarop die wet stond afgedrukt. Bij het doorlezen van de bladzijde viel mijn oog op nog een andere wet, die luidde dat iemand zich op het districtsgerecht kon beroepen als hem enig belangrijk document werd onthouden.

Gebruikmakend van deze voorziening, liet ik mijn adoptiepapieren kopiëren en door een notaris waarmerken, om ze daarna naar de rechtbank te zenden met een verzoek om de geboorte-akte. Het resultaat? Binnen een paar weken ontving ik het gewenste document. De genoemde persoon — Grace Faulman — was dezelfde als die op mijn adoptiepapieren als mijn moeder stond vermeld! Ook de namen van haar ouders waren mij nu bekend.

Ik had elke reden om te geloven dat Grace Faulman mijn moeder was, want het was onwaarschijnlijk dat iemand anders met die naam de geboorte had geschonken aan een kind met dezelfde naam als ik en dat ook nog op dezelfde dag, 23 mei 1939. Maar hoe kon ik er niettemin helemaal zeker van zijn? En hoe kon ik Grace Faulman of haar ouders opsporen, aannemend dat ze nog in leven waren? Per slot van rekening waren er sinds het opmaken van de geboorte-akte 60 jaar verstreken. Ik besloot mijn zoeken voort te zetten.

Ik schreef naar het schoolhoofd in Astoria (Oregon), de plaats waar Grace was geboren. Ook schreef ik naar het hoofd van het postkantoor aldaar om inlichtingen over de familie Faulman. Maar alle pogingen om op die manier mijn moeder op te sporen, waren vruchteloos. Kennelijk had de familie die omgeving spoedig na de geboorte van Grace verlaten. Ik moest derhalve iets anders ondernemen.

Een doorbraak

Van belang is hierbij op te merken dat de Verenigde Staten zijn bevolkt door een expansie van het oosten naar het westen. Vanaf het jaar 1790, toen de eerste algemene volkstelling werd gehouden, migreerden gezinnen, individuen en groepen naar het westen. Dus hoewel Grace Faulman in de westelijke staat Oregon was geboren, onthulde haar geboorte-akte dat haar vader en moeder in Michigan waren geboren.

Ik probeerde zonder succes de geboorte-akte van de vader van Grace Faulman te bemachtigen, maar dat stuk bestaat kennelijk niet. Ik wist echter wel de hand te leggen op de geboorte-akte van haar moeder. Daardoor leerde ik de naam van Grace’s grootouders kennen, aangezien hun namen natuurlijk op de geboorte-akte van hun dochter stonden vermeld.

Vervolgens zond ik nog een onkostenvergoeding en een verzoek om de huwelijksakte van de grootouders van Grace, van wie ik de namen verschafte zoals ze op de geboorte-akte van Grace’s moeder stonden. Na verloop van tijd werd de huwelijksakte, gedateerd 3 februari 1894, naar mij toegezonden. Nu was ik in staat voordeel te trekken van een bijzonderheid van de volkstelling van 1880. De gegevens van die landelijke telling waren alfabetisch gerangschikt. Zo waren de namen van alle toenmalige gezinshoofden met kinderen onder de tien jaar te zamen met verdere op hen betrekking hebbende gegevens alfabetisch geregistreerd.

Ik stuurde een verzoek op aan de Nationale Archieven in Washington, D.C., waar volkstellingskopieën worden bewaard. Ik verschafte de naam van Grace’s grootvader, Henry Monroe (geboren in 1871 en dus nog onder de tien jaar in 1880), met het verzoek hem in de alfabetische lijst op te sporen. Kort daarna werd ik beloond met een kopie van de volkstellingsbladzijde waarop de namen van hem en zijn familie stonden vermeld. Van groot belang was ook dat op die bladzijde de naam stond van de stad waarin Henry toen woonde, namelijk East Jordan, in Michigan.

Later bleek dit document, en een daad van vriendelijkheid, de sleutel tot mijn verleden te zijn. Maar op dat moment was het mij nog niet duidelijk hoe ik van die informatie profijt kon trekken. Daarom begon ik andere takken van mijn vermoedelijke familie na te speuren, een onderneming die mij tientallen brieven kostte.

Aangezien ik in Brooklyn woonde, tamelijk dicht in de buurt van het Historisch Genootschap op Long Island, maakte ik er een gewoonte van elke zaterdagmiddag enige tijd door te brengen met het doorsnuffelen van oude volkstellingsgegevens en andere historische documenten. Ten slotte ontdekte ik bij het naspeuren van familieleden van Henry Monroe, een vrouw die naar ik meende een van mijn overgrootmoeders was. Zij had gewoond in Cobleskill, een klein stadje in het noordelijke deel van de staat New York. Uit nieuwsgierigheid schreef ik een brief naar de kleine wekelijkse krant daar om te informeren of een van haar familieleden daar nog woonde. Tot mijn verbazing ontving ik een week later een brief. De vrouw die schreef was de nicht van mijn veronderstelde overgrootmoeder!

Ik werd door deze vrouw uitgenodigd in Cobleskill op bezoek te komen. Ik bracht daar een bijzonder aangenaam weekend door waarin ik veel vernam over de familie en haar geschiedenis gedurende de afgelopen 200 jaar in dat gebied. Verdere bewijzen dat ik op de goede weg was, leverden de vrouwen van het gezin, die allen beweerden dat ik de familieneus had geërfd! Nog een hartverwarmend feit was dat drie van de kleinkinderen van de vrouw hetzelfde geloof hadden als ik.

Helaas had de familie in het noordelijke deel van de staat New York al meer dan 50 jaar geen contact meer gehad met de Grace Faulman-kant van de familie, en hadden ze er ook geen idee van waar die zich zou kunnen ophouden. Hoewel ik dus wat vooruitgang had geboekt, waren de vooruitzichten om mijn moeder terug te vinden nog niet erg groot. Maar toen kwam er een idee in me op.

De sleutel die de weg opende tot mijn verleden

Ik herinnerde mij de inlichtingen in mijn bureaula van de volkstelling van 1880 over Henry Monroe, de grootvader van Grace Faulman. Ik dacht: ’Als ik resultaten heb kunnen boeken met het schrijven naar de krant in Cobleskill om inlichtingen in te winnen over de familie aldaar, waarom zou ik dan geen brief schrijven naar het hoofd van het postkantoor van East Jordan, dat kleine plaatsje in Michigan, waar Henry en zijn familie hebben gewoond?’

En zo deed ik. Ik vertelde de postbeambte dat ik verre verwanten trachtte op te sporen. En ik vroeg of hij iemand met de naam Monroe in de stad kende, en zo ja, of hij zo vriendelijk zou willen zijn, mijn brief aan die persoon te overhandigen. Na het sturen van die brief vergat ik de zaak prompt.

Maar enkele weken later stuitte ik bij het doornemen van de middagpost op een envelop met mijn eigen handschrift. (Ik zond bij mijn verzoeken om inlichtingen altijd een aan mijzelf geadresseerde en gefrankeerde antwoord-envelop.) Bij opening ervan ontdekte ik tot mijn verbazing dat de schrijfster niemand minder was dan een volle nicht van de moeder van Grace. De postbesteller was zo vriendelijk geweest de brief aan haar te overhandigen. Ik kon de rest van de dag mijn gedachten nauwelijks meer bij mijn werk houden, zo opgewonden was ik.

Tijdens de vriendschappelijke briefwisseling die ik daarna met deze wel bijna zekere bloedverwant van mij opbouwde, viste ik geleidelijk aan naar meer inlichtingen over de moeder van Grace. Ja, zo werd mij verteld, ze leefde nog. En ze had een kleinzoon in Alaska. Dat was nieuws! Ik had een broer! Maar door deze correspondentie vernam ik ook dat Grace was gestorven. Dus wat nu? Ik had me altijd genoodzaakt gevoeld discreet te blijven, aangezien ik niets afwist van de omstandigheden rond mijn geboorte. Maar ten slotte besloot ik de nicht van mijn grootmoeder alles te vertellen. Ik sloot een kopie in van mijn adoptiepapieren en vroeg haar als tussenpersoon voor mij te dienen. ’Zou ze mijn identiteit aan mijn grootmoeder willen onthullen?’ zo vroeg ik haar.

Vereniging

De dagen verstreken langzaam. En ten slotte kwam er een brief van mijn grootmoeder. Ze was bijzonder blij. Ja, er was een „ontbrekende kleinzoon” — maar ze had gedacht dat hij dood was; haar dochter had verteld dat hij in zijn kinderjaren overleden was. Ja, en haar dochter was ook de vrouw uit de akten. Ik moest onmiddellijk mijn broer in Alaska bellen, drong ze aan. Het telefoonnummer had ze erbij vermeld. ’En wanneer, oh wanneer, kon ik naar Californië komen zodat ze me kon zien?’

Ik belde naar mijn broer. Mijn eerste woord was: „Broer!” Zijn eerste woorden waren: „Ik kan het niet geloven!”

Onze moeder had ook hem verteld dat ik al als kind gestorven was, maar ongeveer 15 jaar geleden had hij van vader gehoord dat ik geadopteerd was. Hij probeerde mij te vinden, maar al zijn pogingen waren op de wettelijke muur van geheimhouding stukgelopen.

De tocht naar Californië en de ontmoeting met mijn familie was zonder twijfel een van de meest voldoeningschenkende perioden in mijn leven! Ik was weliswaar teleurgesteld dat mijn moeder en vader (die John Rapoza-Vierra heette, zo vernam ik) beiden al enige jaren overleden waren. Maar mijn grootmoeder, mijn broer en ik brachten samen met mijn adoptiefouders vele gezamenlijke uren door. Mijn adoptiefouders hadden vanaf het begin al mijn zoekpogingen ondersteund en zich ook persoonlijk krachtig ingespannen om te achterhalen wat ze maar konden achterhalen. Interessant was dat ik in de gelegenheid kwam met de natuurlijke familie van mijn vader kennis te maken en te vernemen van hun migraties, eerst van de Azoren naar Hawaii en vandaar naar Californië. Hij was van oorsprong Portugees.

Ik was erin geslaagd! Mijn geduldig zoeken was beloond. ’En wat waren de kosten?’ zult u wellicht vragen. Meer dan 400 antwoordbrieven, plus de kosten van postzegels, onkostenvergoedingen en vrije zaterdagmiddagen in de bibliotheek.

Hoop voor de toekomst

Ik was bijzonder blij dat ik met mijn familieleden de vertroostende hoop kon delen die de bijbel voor de toekomst verschaft. Ik vertelde hun dat er gegronde redenen voor zijn om te geloven dat Grace en John het voorrecht zullen smaken door Jehovah God te worden opgewekt om opnieuw op aarde te kunnen leven (Joh. 5:28, 29; Hand. 24:15). Wat zal het dan niet geweldig zijn met hen kennis te maken! Ik weet wel dat ze grote fouten hebben gemaakt, zelfs immoreel hebben geleefd. Maar voor degenen die worden opgewekt, zal de gelegenheid openstaan om Gods vereisten te leren kennen en zich te richten naar de rechtvaardige Koninkrijksregering die dan over de aarde het bestuur zal voeren.

Voor mij is het alleszins de moeite waard geweest mijn oorsprong te leren kennen. Het is trouwens interessant dat de bijbel uitgebreide informatie bevat over de afstammingslijnen van diverse volken. Kennelijk ligt het in de menselijke aard om zich te bekommeren over iemands eigen fysieke afstamming. Maar ik besef wel dat dit niet van het grootste belang is, en dat het gevaar bestaat op deze zaken te veel nadruk te leggen. — 1 Tim. 1:3, 4; Tit. 3:9.

Jezus Christus heeft krachtig gewezen op verhoudingen die veel belangrijker zijn dan vleselijke banden. Op een keer zei hij, sprekend over zijn verwanten: „’Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broers?’ En zijn hand naar zijn discipelen uitstrekkend, zei hij: ’Zie! Mijn moeder en mijn broers! Want al wie de wil doet van mijn Vader, die in de hemel is, die is mijn broer en zuster en moeder.’” — Matth. 12:48-50.

En ik heb bevonden dat dit werkelijk zo is. Het delen van hetzelfde geloof in God en het bezit van dezelfde hoop in zijn beloften, brengt mensen dichter in liefde tot elkaar dan bloedbanden ooit zouden kunnen. Mijn vrouw en ik hebben zojuist de 65ste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead doorlopen, en hebben nu het geweldige voorrecht naar een ander land te mogen gaan om daar mensen het christelijke geloof te brengen, dat hen in staat kan stellen zich te verheugen in zo’n zelfde voortreffelijke verhouding tot de medemens en bovenal zich te verheugen in een goede verhouding tot Jehovah God. — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen