Een adoptiefzoon wilde zijn afkomst weten
Wettelijke muur van geheimhouding
IN 1977 zagen mijn vrouw en ik afleveringen van de wekenlange televisieserie „Roots” („Wortels”). En misschien beter dan de meeste tv-kijkers kon ik begrijpen waarom velen ernaar verlangen hun afkomst te weten te komen. Het is alleen maar natuurlijk jezelf af te vragen waar je vandaan komt en wie je ouders en andere familieleden zijn. En het is interessant dat de laatste tijd steeds meer personen op zoek zijn naar hun „wortels”.
„Het speuren naar de persoonlijke afstamming heeft een fenomenale omvang aangenomen”, aldus een hoofdartikel in Newsweek over de situatie in Amerika. Een woordvoerder van een genealogische bibliotheek verklaarde naar aanleiding van deze toenemende vraag: „De mensen geven bijna altijd dezelfde reden op: ’Ik wil gewoon weten wie ik ben.’”
Onder de Amerikaanse bevolking is echter een speciaal deel dat een bijzondere belangstelling voor zijn afstamming heeft. En dat zijn wij, adoptiefkinderen, grootgebracht door pleegouders. Maar helaas, de meesten van ons stuiten bij hun zoeken naar de identiteit van hun natuurlijke ouders, vrijwel altijd op een frustrerende geheimhouding.
Wat vormt de oorzaak van deze geheimhouding? Bestaat er een gegronde reden voor?
Wettelijke muur van geheimhouding
De wetten in de Verenigde Staten schrijven complete geheimhouding voor. Wanneer een kind is geadopteerd, wordt er een nieuwe geboorte-akte opgesteld; de gedachte die hieraan ten grondslag ligt, is dat het kind in feite een ’nieuwe geboorte’ ontvangt. De originele geboorte-akte van een adoptiefkind gaat in verzegelde bewaring en blijft vrijwel altijd in verzegelde bewaring, wat een geadopteerde ook doet om die akte te mogen zien. Boete en gevangenisstraf zijn soms de gevolgen voor iemand die in strijd met de wettelijke bepalingen, de verzegeling verbreekt.
In vrijwel alle staten van de Verenigde Staten mogen adoptiefkinderen, zelfs wanneer ze de volwassenheid hebben bereikt, geen inzage hebben in hun geboorte-akte. In andere landen gelden andere wetten.
De ontwikkeling van adoptiewetten
Een paar jaar terug begon ik mij voor het onderwerp adoptie te interesseren. Door het lezen van de bijbel werd het mij duidelijk dat het adopteren van kinderen kennelijk al heel oud is. De Israëlitische baby Mozes werd bijvoorbeeld door Farao’s dochter uit de Nijl genomen en door haar geadopteerd, „zodat hij haar tot zoon werd” (Ex. 2:5-10). Later las ik dat er in het oude Babylonische wetboek van Hammoerabi, in de Hindoewet van Manoe, alsook in de Assyrische, Egyptische, Griekse en Romeinse wetten voorzieningen voor adoptie waren opgenomen.
Een bijzonder doel van deze adoptiewetten was het uitsterven van geslachten te voorkomen en in wettige erfgenamen te voorzien. Hierbij is het interessant op te merken dat Abraham, de vader van de Israëlitische natie, zijn slaaf Eliëzer kennelijk beschouwde als iemand die als het ware de positie van geadopteerde zoon innam. Want Abraham verklaarde: ’Ik ga kinderloos heen en degene die mijn huis zal bezitten, is een man van Damascus, Eliëzer.’ — Gen. 15:2-4.
In het Engelse recht, waarop de Amerikaanse wetgeving is gebaseerd, was adoptie onbekend. Ook in de V.S. bestond daarom oorspronkelijk geen wettelijke voorziening voor adoptie, tot bepaalde afzonderlijke staten er rond het midden van de negentiende eeuw toe overgingen bepaalde wetten aan te nemen waarin adoptie werd toegestaan. In Engeland duurde het tot 1926 voor er een adoptiewet ontstond. Wanneer een kind is geadopteerd, heeft het wettelijk geen binding meer met zijn natuurlijke ouders, maar slechts met de ouders die hem hebben geadopteerd.
Een menselijke voorziening
Ik kan persoonlijk getuigen van de voordelen van deze moderne adoptieregeling. In het verleden werden baby’s die niet door hun ouders gewenst waren, of voor wie dezen niet konden zorgen, vrijwel altijd grootgebracht in inrichtingen. Het lot van deze kinderen was in het algemeen slecht en hun sterftecijfer hoog. Hoeveel fijner is het niet wanneer echtparen die werkelijk kinderen wensen, kleine kinderen kunnen adopteren en hun de liefdevolle aandacht kunnen geven waaraan ze behoefte hebben!
Mijn adoptiefouders gaven mij bijzonder veel liefdevolle aandacht en zorg en ik zal hun daarvoor altijd dankbaar blijven. Zij brachten mij groot alsof ik hun eigen kind was. Aan de andere kant lieten ze me echter al op vrij jonge leeftijd weten dat ik geadopteerd was. Adoptiefouders doen er verstandig aan hun kinderen dit te vertellen. Wanneer kinderen het van anderen vernemen — dat zal ongetwijfeld gebeuren — voelen ze zich niet alleen geschokt, maar ook bedrogen door hun adoptiefouders die de adoptie geheim hebben proberen te houden. Het beste moment om uit te leggen dat ze geadopteerd zijn, is wanneer ze dit een beetje beter kunnen begrijpen, misschien op de leeftijd van zes à acht jaar.
De afgelopen jaren heb ik geleerd hoe belangrijk de invloed van de omgeving is op de eerste ontwikkeling die een kind doormaakt, en dat doet mij nu met nog meer dankbaarheid terugdenken aan mijn adoptiefouders. In de Verenigde Staten genieten bijvoorbeeld zwarte kinderen niet dezelfde educatieve en culturele voordelen als blanke kinderen. Met het gevolg dat zwarte kinderen die in blanke huisgezinnen zijn opgevoed, en dus wel dezelfde educatieve voordelen hebben genoten als blanke kinderen, bij intelligentietests gewoonlijk hoger scoorden dan andere zwarte kinderen.
„Bron” van adoptiefkinderen
Aan het eind van de jaren ’60 en in het begin van de jaren ’70 gingen veel blanke ouders over tot het adopteren van zwarte kinderen. Een tijdlang was het zelfs zo dat meer dan een derde van alle zwarte adoptiefkinderen bij blanke ouders terechtkwam. Daar rezen echter van de zijde van zwarte leiders hevige bezwaren tegen. Zij zeiden dat deze kinderen in hun latere leven voor grote problemen zouden komen te staan; zij zouden, aldus deze critici, door de blanken verstoten worden vanwege hun huidkleur en door de zwarten vanwege hun sterk afwijkende waarden en gedrag.
Maar waarom? zo zou u zich kunnen afvragen, zijn vele blanken er verlangend naar zwarte baby’s en baby’s van gemengd bloed te adopteren? De reden is dat er een ernstig tekort aan adopteerbare blanke kinderen bestaat. De wachtlijst bij adoptie-instellingen zijn nu zo lang dat men jaren op een kind moet wachten; bepaalde instellingen zijn niet eens meer bereid nieuwe aanmeldingen aan te nemen. Maar waarom is er een tekort? Men zou toch verwachten dat er met het omhoogschietende aantal onwettige geboorten meer adoptiefkinderen zouden zijn, aangezien onwettige kinderen altijd het merendeel hebben gevormd van de kinderen die werden geadopteerd.
De hoofdoorzaak hiervan is dat een ongehuwde moeder in deze veranderende maatschappij niet langer met scheve ogen wordt aangezien. Beroemde popmusici en filmsterren voeden zelf hun onwettige kinderen op en brengen hits als „Having My Baby”, waarmee ze deze tendens stimuleren. Nog maar een paar jaar geleden stond 80 percent van de ongehuwde moeders hun kind voor adoptie af. Momenteel blijkt nog maar 20 percent hun kind af te staan — en vandaar dus het geringere aantal adoptiefkinderen.
Denken moeders nog wel eens aan het kind dat zij hebben afgestaan? Waarom willen adoptiefkinderen hun natuurlijke ouders opsporen?
Het verlangen om te weten
Al vanaf mijn kinderjaren vroeg ik mij af wie mijn vader en moeder waren, ondanks de voortreffelijke verhouding met mijn adoptiefouders. Later vernam ik dat de meeste adoptiefkinderen dat verlangen bezitten, zich voelen alsof ze „een stuk van zichzelf missen”. Of zoals Dr. A. D. Sorosky, die het onderwerp uitgebreid heeft bestudeerd, het onder woorden brengt:
„Wij hebben bemerkt dat de nieuwsgierigheid van het adoptiefkind niet afhangt van het feit of hij wel of geen goede verstandhouding met zijn ouders heeft. Het is eenvoudig een universeel gevoelde behoefte de eigen oorsprong te kennen. Het verlangen van de geadopteerde naar genealogische informatie — of zelfs het verlangen zijn natuurlijke ouders te ontmoeten — is een behoefte waar een niet-geadopteerde zich geen werkelijke voorstelling van kan vormen. Evenmin kan men het wegschuiven met de gedachte dat dit verlangen alleen bij emotioneel onstabiele mensen aanwezig is.”
Ook vernam ik later dat ook de moeders vaak een sterk verlangen hebben om te weten hoe het kind dat zij hebben opgegeven, het maakt. Ik kan mij nog herinneren dat mijn adoptiefmoeder, een bijzonder fijngevoelige vrouw, op mijn verjaardag zei: „Waarschijnlijk denkt je moeder nu ook aan je, waar ze ook mag zijn.” Ik ben dankbaar dat zowel vader als moeder zoveel begrip hebben getoond. En toen ik uiteindelijk tot de speurtocht besloot, hebben zij me daarbij geholpen.
Bij een onderzoek is gebleken dat de meeste geadopteerde kinderen die hun natuurlijke ouders vonden, er blij over waren met zoeken te zijn begonnen. Zelfs wanneer hetgeen zij ontdekten, niet prettig was, hadden ze dat toch liever dan dat zij niets wisten. En ik kan hiermee instemmen.
Overigens besefte ik wel dat mijn echte geluk niet afhing van het vinden van mijn fysieke oorsprong. Want wanneer men maar ver genoeg teruggaat in de menselijke geschiedenis, komt men per slot van rekening uit bij de patriarch Noach, die de wereldomvattende vloed overleefde. Het vinden van de eigen fysieke oorsprong is dus niet van wezenlijk belang. Het opbouwen van een goede verhouding met God, onze geestelijke Vader, is dat wel. Maar toch, hoewel ik deze verhouding tot Jehovah God als het allerbelangrijkste beschouwde, verlangde ik er erg naar mijn natuurlijke ouders op te sporen. Laat mij u nu vertellen hoe mijn zoeken verliep.