De beslissing die haar leven redde
NOOIT zal ik zaterdag 6 november 1976 vergeten. En laat mij ook de plaats noemen, Scotland Neck in de Amerikaanse staat North Carolina. Ik had ernaar uitgezien die dag mee te helpen aan het verspreiden van het Koninkrijksnieuws-traktaat „Waarom zoveel lijden — als God zich om ons bekommert?” Maar toen ik wakker werd, voelde ik mij ziek.
Dat was niet ongewoon, want ik had vanwege een inwendige bloeding al drie maanden perioden gehad dat ik mij onwel voelde. Onze huisdokter zei dat ik geopereerd moest worden, maar dat ik eerst moest aansterken. Rond zeven uur die avond verergerde het bloeden zodat ik ten slotte in elkaar zakte. Spoedig kwam ik weer bij. Mijn man bracht mij in allerijl naar het ziekenhuis in de hoop dat het bloeden op de een of andere wijze kon worden gestopt.
Op de afdeling voor de behandeling van spoedgevallen ontdekte de dokter dat ik een tumor had, die de bloeding veroorzaakte. Hij zei dat die onmiddellijk moest worden verwijderd. Maar toen begonnen de moeilijkheden pas goed. Daar op de afdeling raakte ik vanwege het bloedverlies tweemaal in een shock. Mijn hart hield enkele seconden lang op met kloppen, en de dokter werkte koortsachtig om de levensgeesten terug te roepen. Spoedig was ik weer bij bewustzijn en de dokter en de verpleegsters hoorden me fluisteren „geen bloed, geen bloed!”. Toen wisten ze dat ik een van Jehovah’s Getuigen moest zijn.
De dokter dacht dat ik misschien niet de ernst van de situatie besefte en vertelde me dat ik zou sterven indien ik geen bloed zou nemen. Hij zei dat hij niet tot opereren kon overgaan nu mijn bloedvolume zo gering was. Maar ik hield krachtig aan Gods wet vast en haalde uit de bijbel Genesis 9:4 en Handelingen 15:20, 28, 29 aan, waar staat: „Bloed — moogt gij niet eten” en „u te onthouden van . . . bloed”.
Ik vertelde de dokter dat als ik werkelijk zou sterven, dit niet het ergste was wat iemand kon overkomen. Hij deed een beroep op mijn man, maar die vertelde hem dat ook hij een van Jehovah’s Getuigen was en hetzelfde geloofde als ik. Daarop werd een ouderling van onze gemeente gebeld.
De verpleegster die bij het telefoneren hielp, zei de ouderling: „Ze kan niet in leven blijven als ze niet een geconcentreerde suspensie van [bloed]cellen toegediend krijgt. Op dit moment bloedt ze verschrikkelijk. Het is slechts een kwestie van tijd. Het is te vergelijken met een kind midden op de snelweg, terwijl er een vrachtwagen aankomt. Je weet wat er gaat gebeuren.” Toen mijn man en ik bloedtransfusie bleven weigeren, diende de dokter me enkele vervangingsmiddelen toe om het bloedvolume aan te vullen en ging naar huis.
De ouderling uit onze gemeente kwam naar het ziekenhuis en belde samen met mijn man de dokter op in een poging hem over te halen terug te komen en toch te opereren. De dokter aarzelde en zei: „Heeft het nog wel zin om te praten? Ze is te zwak om de operatie te overleven.” Maar mijn man en de ouderling legden uit dat we het allen zouden waarderen als hij hierheen zou komen om zonder bloed te doen wat binnen zijn vermogen lag. Mocht ik toch sterven dan zou hij er niet verantwoordelijk voor zijn.
De dokter zei dat we de ernst van de situatie helemaal niet begrepen. Hij zei dat ik op de afdeling spoedgevallen al bijna was gestorven en dat met mijn voortdurend bloedverlies, de dood wel bijna zeker was. Het onder narcose brengen van een patiënt in mijn toestand zou de dood alleen maar bespoedigen. „Ze is al stervende”, ging hij voort, „en wat u wilt komt erop neer dat ik haar meeneem naar de operatiezaal om haar de doodsteek te geven.”
Maar toen kwam er een plotselinge ommekeer in zijn manier van redeneren. „Maar ik zal het doen”, zei hij, waarmee hij bedoelde dat hij zijn best zou doen. De ouderling verzekerde hem ervan dat dit de wens van zowel het gezin als van mijzelf was. „Ja, dat weet ik”, antwoordde de dokter. „Zij blijft heel kalm onder dit alles. Zij ligt daar te sterven, en ik ben degene die zich zorgen maakt.”
De meeste doktoren in dat bewuste ziekenhuis weigeren Jehovah’s Getuigen te behandelen als ze problemen voorzien in verband met het feit dat ze geen toestemming krijgen om bloed te gebruiken. Derhalve was het belangwekkend toen de dokter vervolgens zei: „Ik heb me vaak afgevraagd wat ik in zo’n situatie zou doen. Nu zit ik er middenin. Als we opereren, doen we tenminste nog iets.”
Het was ongeveer vijf uur in de morgen. Hij riep het operatieteam op. De anesthesist verscheen en nadat hij zich ervan had overtuigd dat ik wist wat ik vroeg, begon hij zonder argumenten of tegenwerpingen onmiddellijk voorbereidingen te treffen voor de operatie. Dat was een hele opluchting!
Vlak voor ik de kamer uitgereden werd, kwam de dokter er weer aan. Hij zei: „U weet dat u me vraagt om te opereren met één hand op mijn rug gebonden.” Ik antwoordde hem dat hij zijn gang moest gaan en dat Jehovah voor me zou zorgen. Ik had het vertrouwen dat ik in de opstanding van de doden zou terugkomen indien ik zou sterven.
Na ongeveer twee uur was de operatie voltooid en verscheen de dokter om met mijn gezin te spreken. Hij zei: „Tot dusver gaat alles goed. Ik denk dat we er juist aan hebben gedaan. Ik weet niet zeker of we alle bloedende vaten hebben afgebonden, omdat dat moeilijk te zien is bij zo’n gering bloedvolume. Maar ze maakt het zo goed als naar omstandigheden verwacht kan worden.” Toen voegde hij er tot blijde verrassing van mijn gezin aan toe: „Ik geloof dat Jehovah me geholpen heeft daarbinnen.”
Na een kritieke fase van vier dagen werd ik overgebracht naar een gewone ziekenzaal. Na nog een paar dagen werd ik uit het ziekenhuis ontslagen. Toen ik een maand na de operatie voor controle terugging, bleek mijn hemoglobinegehalte normaal te zijn. Allemaal bedankten we deze chirurg voor zijn behulpzaamheid. Het volgende is een deel van een brief die hij later aan de ouderling in onze gemeente schreef:
„Ik dank u voor de brief die u me onlangs schreef betreffende Mevr. Christine Smith. haar geval was inderdaad verbazingwekkend. Ze was een erg sterke en vastberaden vrouw, en zowel u als haar gezin boden haar een geweldige steun.
Ik wil u heel erg bedanken dat u me geholpen hebt het geloof van u en uw mensen beter te begrijpen. Ik geloof dat de ervaring met Mevr. Smith mijn oordeel zal verbeteren wanneer ik in de toekomst Jehovah’s Getuigen behandel.”
Door dit alles werd er een goed getuigenis met betrekking tot ons christelijke geloof gegeven. Nu ben ik dank zij Jehovah’s hulp weer op vergaderingen met zijn volk en weer actief in zijn dienst. — Ingezonden.
„Waarlijk, wacht stil op God, o mijn ziel, want van hem komt mijn hoop. Waarlijk, hij is mijn rots en mijn redding, mijn veilige hoogte; ik zal niet aan het wankelen worden gebracht. Op God zijn mijn redding en mijn heerlijkheid. Mijn sterke rots, mijn toevlucht is in God. Vertrouwt te allen tijde op hem, o volk. Stort uw hart voor hem uit. God is voor ons een toevlucht.” — Ps. 62:5-8.