Een vreemde vermenging van godsdiensten in Bolivia
Door Ontwaakt!-correspondent in Bolivia
VAN de bij benadering vijf miljoen mensen die er in Bolivia wonen, behoren ongeveer twee miljoen tot de groep van de Aymara- en Quechua-Indianen. Dezen belijden officieel het katholicisme, maar de „heiligen” hebben zij volledig verward met de goden die hun voorouders aanbaden. Hoe is dit mogelijk, terwijl de katholieke Kerk toch al ongeveer vier eeuwen in Bolivia bestaat?
In zijn boek A Short History of Bolivia geeft R. Barton commentaar op het werk van de katholieke missionarissen, met de woorden: „Zij begonnen te werken aan het winnen van een grote hoeveelheid bekeerlingen in plaats van te trachten het christendom voor de Indianen begrijpelijk te maken; velen deden het zelfs voorkomen alsof er een gelijkenis bestond tussen hun eigen geloofsovertuiging en het bijgeloof van de barbaren. Hieraan moet de vermenging van de twee tot in onze tijd worden toegeschreven.”
Die „vermenging van de twee” blijkt wel heel duidelijk op Todos los Santos, de dag van Allerheiligen. Kip Lester en Jane McKeel schrijven hierover in hun boek Discover Bolivia: „Voor de campesino [de inlandse boer] is het feest van Todos Santos een combinatie van de christelijke eredienst op deze heilige dagen en de cultus voor de chullpas.” De chullpas zijn ronde torens van ongehouwen stenen, die in het dal van het Titicaca-meer staan en die men voor oorspronkelijke graven van Indiaanse stamhoofden houdt.
Het is trouwens interessant dat de katholieke Kerk ook vele andere heidense praktijken heeft aangepast en ze onder het mom van christelijkheid heeft aangehouden. „Allerzielen” bijvoorbeeld heeft zijn ontstaan niet gevonden in het ware christendom. Over de oorsprong ervan lezen we in Funk and Wagnalls’ Standard Dictionary of Folklore, Mythology and Legend: „In wezen is Allerzielen een aanpassing van een bijna wereldomvattende gewoonte om een gedeelte van het jaar (gewoonlijk het laatste deel) opzij te zetten ten behoeve van de doden. De Babyloniërs hadden een maandelijks Feest van Allerzielen ter gelegenheid waarvan de priesters offers brachten.”
De eerste christenen kenden geen viering voor de „zielen” van de doden. En begrijpelijk, want zij wisten dat de geïnspireerde Schrift onderwijst: „De ziel, die zondigt, zij zal sterven!” (Ezech. 18:4, katholieke Ned. Professorenbijbel) Ja, zij beseften dat de doden werkelijk dood zijn, en op een opstanding wachten. — Hand. 24:15.
Nog een voorbeeld van een vreemde geloofsvermenging is de Diablada (of Duivelsdans). Het boek Gate of the Sun, A Prospect of Bolivia vermeldt er het volgende over: „Geworteld in een combinatie van heidense en christelijke mythen is het een interessant voorbeeld van de tweeslachtigheid die nog steeds het dagelijks godsdienstig leven in Bolivia kenmerkt.”
Volgens de niet-christelijke traditie van Bolivia leeft de Duivel in de mijnen en is hij de eigenaar van de mineralen en de metalen. Hij wordt dagelijks door de mijnwerkers aangeroepen om hen voor mijninstortingen te behoeden. De folkloristische dansgroepen, die elke maatschappelijke rang en stand in de mijnstad Oruro vertegenwoordigen en met rijk versierde maskers en kostuums de Duivel uitbeelden, richten ten behoeve van zichzelf smeekbeden tot de Virgen del Socavón, de Maagd van de Mijn. En in de katholieke geest is die maagd natuurlijk Maria.
Over de betrokkenheid van de katholieke Kerk bij de Duivelsdans merkt het boek Discover Boliva het volgende op: „Behalve hun gewone dansnummers voeren de Duiveldansers op ceremoniële wijze ook tal van religieuze riten uit. Aan de voet van de San Felipe-heuvel, bij de beroemde kerk van de Socavón, brengen ze eerst eer aan de Maagd, terwijl ze ook op specifieke tijdstippen tijdens en na het Carnaval een mis bijwonen.”
Zo kan het gebeuren dat men personen gekleed in „Duivelkostuum” de katholieke kapel ziet binnentreden om deel te nemen aan de communie onder leiding van katholieke priesters. Bij het betreden van de kapel richten de Duiveldansers zich met de volgende woorden tot de Maagd van Socavón: „Wij komen uit de hel om uw zegen te vragen, al uw zonen van de Duivel, kleine Moeder van de mijnschacht.” En wanneer zij de laatste maal de kapel binnentreden, spreken ze het volgende afscheidsgebed voor dat jaar uit: „Giet uit uw licht van de zon, gelijk op de heuvels van tin, zo ook op ons hart. Onthoud ons uw bescherming niet, o Goddelijke Moeder van God, tot het volgende jaar kleine Moeder! Tot volgend jaar, vaarwel!”
In een verder commentaar op het dubbele karakter van de Diablada schrijft Margaret J. Anstee: „Het tweezijdige karakter krijgt een nieuwe dimensie wanneer de mijnwerker tijdens Carnaval zijn toewijding aan de Maagd bevestigt door zichzelf te identificeren met het duivelse personage dat hij het gehele jaar door vereert. Deze tweeslachtigheid is geen uitzondering maar een bijzonder treffende uiting van het Indiaanse syncretisme [de versmelting van verschillende vormen van geloof of geloofsbeoefening] in de Andes. Het nieuwe geloof doet het oude niet teniet. Niets wordt afgeschaft, maar de nieuwe dogma’s worden opgenomen in het reeds bestaande raamwerk van godsdienstige ideeën en de twee raken zo nauw verstrengeld dat het niet langer mogelijk is ze van elkaar te scheiden.”
Velen zullen over deze vreemde vermenging van geloven weinig verontrust zijn. De grote vraag is echter: Hoe staat de Almachtige God ertegenover? De apostel Paulus schreef aan christenen te Korinthe: „Wat de heidenen offeren, offeren zij aan boze geesten en niet aan God, en ik wil niet dat gij gemeenschap aangaat met de boze geesten. Gij kunt niet de beker des Heren drinken én de beker der demonen; gij kunt niet deel hebben aan de tafel des Heren én aan de tafel der demonen” (1 Kor. 10:20, 21, katholieke Willibrordvertaling). „Vormt geen ongelijk span met de ongelovigen. Wat heeft heiligheid te maken met slechtheid? Wat heeft het licht uit te staan met de duisternis? Is er overeenstemming mogelijk tussen Christus en Belial? Wat heeft de gelovige gemeen met de ongelovige?” — 2 Kor. 6:14, 15, WB.
Vormt de vreemde vermenging van geloofsideeën in Bolivia er geen duidelijke illustratie van dat deze geïnspireerde woorden zijn genegeerd? Hoe zou God dan zijn goedkeuring kunnen hechten aan dit „mengsel”? De Zoon van God zei dat zijn Vader personen zoekt die Hem „met geest en waarheid” zouden aanbidden (Joh. 4:23, 24). Het is duidelijk dat onchristelijke, mythologische gedachten geen waarheid vormen, zodat degenen die eraan vasthouden, God niet op aanvaardbare wijze kunnen aanbidden.
Gelukkig zijn echter vele oprechte Bolivianen door de ijverige predikingsactiviteit van Jehovah’s Getuigen waardering gaan opvatten voor de bijbelse leer, zodat zij niet-christelijke praktijken de rug hebben toegekeerd en gehoor hebben gegeven aan de geïnspireerde raad: „Gaat weg en verlaat hen, houdt u ver van hen, . . . raakt niets aan wat onrein is” (2 Kor. 6:17, WB). Hebt u dit ook gedaan of bent u van plan het te doen?