Mijn doel in het leven nastreven
Zoals H.A. Morris dit heeft verteld
EEN jongen van achttien jaar zit nog vol ambities die hij op de een of andere dag hoopt te kunnen verwezenlijken. Hij heeft het leven nog voor zich. Ouderdom, zwakte en de dood komen nog niet in zijn gedachten op. Hij vindt zich vaak veel verstandiger dan hij in werkelijkheid is. Tenzij hij zich bewust is van zijn geestelijke nooddruft, is het erg onwaarschijnlijk dat hij acht zal slaan op de wijze raad van koning Salomo: „Gedenk dan uw Schepper in uw jongelingsjaren.” Ik behoorde tot degenen die niet bij deze raad stilstonden. Hoewel ik in een christelijk huisgezin was grootgebracht, was ik in geestelijk opzicht toch veel tekort gekomen.
Terwijl mijn klasgenoten eindexamen aan een middelbare school deden, lag ik in het ziekenhuis wegens een acute blindedarmontsteking. Ik heb daar een maand voor in het ziekenhuis gelegen en daarna nog een maand thuis om weer helemaal te herstellen. Daar het voor mij niet mogelijk was dat najaar weer naar school te gaan, ben ik maar in een andere plaats begonnen te werken. Hier kwam ik in contact met een van Jehovah’s getuigen en begon over Jehovah’s wonderbaarlijke voornemen om een aards paradijs te herstellen, te leren. Ik ging herhaaldelijk bij hem op bezoek om meer kennis betreffende de wonderbaarlijke waarheden uit Gods Woord in te drinken. Deze kennis gaf mij een doel in het leven dat de moeite waard is om na te streven.
Op een avond nodigde de Getuige mij uit met hem mee te gaan naar de Wachttoren-studie. Ik nam onmiddellijk zijn uitnodiging aan. Daar ik gewend was geregeld de kerkdiensten bij te wonen, deed de eerste Wachttoren-studie mij vreemd aan. Men kon echter duidelijk zien dat al degenen die hier aanwezig waren, bijbelstudenten waren. Hun oprechtheid en vriendelijkheid waren anders dan ik ooit daarvoor had meegemaakt. Na de studie trof de gemeente regelingen om naar een zonevergadering te gaan die twee weken later in Indianapolis gehouden zou worden. Deze vergadering maakte een diepe indruk op mij. Nog nooit tevoren had ik zoveel blijde en attente mensen bij elkaar gezien. Hierdoor werd ik ervan overtuigd dat zij Jehovah’s volk waren. Op de volgende zonevergadering, zes maanden later, deed ik een belangrijke stap voorwaarts in het nastreven van mijn levensdoel door mij te laten dopen.
Daar ik plannen voor de pioniersdienst begon te maken, dachten mijn ouders dat ik mijn verstand verloren had, omdat ik een goede baan wilde opgeven om te gaan prediken. Zij vonden dat ik religie te ver doorvoerde. Een jonge broeder in de gemeente besloot samen met mij naar Greenville in Noord-Carolina te gaan. Het was een wonderbaarlijk gevoel vrij te zijn en er een begin mee te maken mijn levensdoel in het volle-tijd-predikingswerk als een dienstknecht van Jehovah, na te streven. Dit alles geschiedde midden februari van het jaar 1942. Ik was van plan zo lang mogelijk in de pioniersdienst te blijven. Ik prijs mij gelukkig nu te kunnen zeggen dat ik bijna de helft van mijn leven in deze vreugdevolle dienst heb doorgebracht.
In Noord-Carolina waren de broeders en zusters erg goed voor ons, en wij waren zo gelukkig schitterende ervaringen mee te maken. De gemeente groeide daar zo snel dat wij al gauw weer naar een ander gebied moesten. Het Genootschap zond ons naar Louisville in Kentucky. Terwijl ik hier was, verscheen er in het tijdschrift Vertroosting — nu Ontwaakt! — een artikel dat over de opening van de Gileadschool handelde. Ik was blij gestemd van de plannen en voorbereidingen om zendelingen te gaan opleiden om hen naar andere landen te zenden, te vernemen maar ik kon mij niet voorstellen dat ik ook nog eens in deze regeling zou worden opgenomen. Ik was dan ook wel bijzonder verrast toen ik een aanvraagformulier ontving om Gilead te bezoeken. Dat was in december 1943. De brief zette duidelijk uiteen dat dit voorrecht niet licht moest worden opgenomen. De beslissing die ik nu zou nemen, zou haar stempel ook op de rest van mijn leven drukken. Nadat ik deze aanvraag onder gebed had beschouwd, besloot ik haar in te vullen en op te sturen.
Ik werd uitgenodigd de derde klas van Gilead te bezoeken, welke begin februari 1944 begon. Gilead was een springplank voor grotere dienstvoorrechten. Na de graduatie kregen mijn partner en ik een toewijzing om in Connecticut te werken. Vervolgens werkten wij zes maanden op Bethel. Ten slotte ontvingen wij dan de buitenlandse toewijzing waar wij al maanden op gewacht hadden. Wij gingen naar Bolivia.
Toen wij op 25 oktober 1945 in La Paz in Bolivia aankwamen, was er niemand om ons af te halen. Wij kenden niemand in het land. Wij verheugden ons er dikwijls over dat wij zo bevoorrecht waren hier ergens een begin mee te maken wat we nooit meer zouden vergeten. Totdat drie maanden later de lectuur aankwam, hadden wij slechts drie exemplaren van het boek „De waarheid zal u vrijmaken” in het Spaans, plus nog een engels exemplaar en daarbij nog een bijbel in het Spaans en een in het Engels. Hoewel wij alleen maar afspraken konden maken om lectuur te plaatsen, waren wij wel in staat al meteen in die eerste week bijbelstudiën te beginnen met personen die belangstelling toonden.
Acht maanden later kregen wij meer hulp, toen er nog vier zendelingen arriveerden. Wij zijn alle zes getrouw in onze toewijzing gebleven en zijn de schapen in dit land blijven voeden. Wij beschouwen Bolivia als ons tehuis. Wij danken Jehovah en zijn organisatie dat zij het voor ons mogelijk hebben gemaakt hier te dienen.
Toen er nog meer zendelingen naar dit land kwamen, begon de prediking van het goede nieuws zich ook naar andere delen van Bolivia uit te breiden. Personen van goede wil begonnen zich met de Nieuwe-Wereldmaatschappij te verbinden. Het duurde niet zo erg lang meer of het aantal plaatselijke broeders en zusters begon het aantal zendelingen te overtreffen, en wanneer er kringvergaderingen waren, kregen er steeds meer van hen een aandeel aan het programma, terwijl er ook andere verantwoordelijkheden in het organiseren en leiden van de vergaderingactiviteiten op hun schouders werden gelegd.
In 1952 brachten drie van ons de vakantie door in plaatsen waar Jehovah’s getuigen nog onbekend waren. Gedurende de jaren die sindsdien zijn verstreken, heb ik een aandeel gehad aan het organiseren van het werk in deze plaatsen. Nog maar kort geleden zijn wij met het werk in de laatste van deze vier plaatsen begonnen, omdat het daar zo koud en winderig is. Precies zeven maanden nadat twee zendelingen in dat gebied met het werk waren begonnen, deden al acht nieuwe verkondigers van het goede nieuws een openbare bekendmaking van Jehovah’s voornemen. Inmiddels is daar een gemeente opgericht.
Toen de twee films over de Nieuwe-Wereldmaatschappij naar Bolivia kwamen, bestond er nog maar één kring. Daar ik de kringdienaar was, smaakte ik de vreugde de film in het gehele land te vertonen. Het gaf mij werkelijk grote vreugde te zien hoe deze films de broeders en zusters en de mensen van goede wil gelukkig maakten.
Toen er nog maar één kring in Bolivia was, kende ik alle broeders en zusters en de meeste nieuwelingen die in de waarheid kwamen. Nu er echter zes kringen zijn, zie ik alle verkondigers slechts eenmaal per jaar op de nationale vergaderingen. Tijdens de laatste vergadering keek ik naar de zesendertig nieuwe broeders en zusters die gedoopt werden, en ik was verbaasd toen ik mij realiseerde dat ik er slechts enkelen van kende. Dat is een definitieve aanwijzing voor de groei. De zesendertig die op één dag werden gedoopt, vormen een waar contrast met de drieëntwintig die er gedurende het hele jaar 1956 werden gedoopt.
Daar de gezondheid van de bijkantoordienaar niet zo goed was, werd mij gevraagd zijn plaats in te nemen totdat er een ander zou komen. Hoewel ik mij niet voor kantoorwerk geschikt voelde, heb ik toch van deze tien maanden genoten. Er was altijd weer iets te doen. Er moesten moeilijkheden worden opgelost, rapporten worden gemaakt, strooibiljetten worden gedrukt en nieuwe zendingshuizen worden geopend, en er moest lectuur worden verzonden, voor vergaderingen worden zorggedragen en met de plaatselijke gemeente in de velddienst worden uitgetrokken.
Het was een grote vreugde de enorme, internationale vergadering in 1958 bij te wonen en weer eens met oude vrienden en familieleden bijeen te zijn. Toen mijn vakantie ten einde liep, was ik klaar om weer naar mijn werk in Bolivia terug te gaan. Ik houd van mijn werk hier te midden van een geestelijk hongerend volk.
Het was een vreugde vele broeders op de vergadering te ontmoeten die plannen maakten om daar te gaan dienen waar de behoefte het sterkst wordt gevoeld en met jongeren te spreken die erover dachten de volle-tijd-dienst tot hun levensdoel te maken. Zij zullen er nooit spijt van hebben deze weg te gaan volgen. Wanneer ik beschouw wat ik heb gedaan en wat ik zou hebben kunnen doen door een ander doel in mijn leven na te streven, kom ik tot de overtuiging dat ik het enige doel heb nagestreefd dat het waard is nagestreefd te worden. Wanneer ik mijn leven nog eens zou kunnen over doen, zou ik niet een ander doel willen nastreven.