Geloof in God — een levenswijze
BIJ een opiniepeiling die in 1974 in Amerika werd verricht door het Amerikaanse Centrum voor beleidsonderzoek, bleek dat 69 percent van de bevolking er „absoluut zeker” van was „dat God bestaat”. Zij geloofden aan God. Was daarmee echter gezegd dat zij ook geloof in God hadden? Zeker niet! Waarom niet? Omdat geloof in God een levenswijze is.
Er bestaat een hemelsbreed verschil tussen overtuigd zijn dat God bestaat en in hem geloof stellen. Men zou dit kunnen vergelijken met de situatie in een land waar de burgers weten dat een bepaald politicus bestaat, zonder dat dat echter automatisch betekent dat ze allemaal geloof in hem stellen, zodat ze hem als premier of president zouden kiezen.
De bijbelschrijver Jakobus schreef er dit over: „U gelooft dat er één God is? Uitstekend! Maar dat geloven de duivelse geesten ook, en zij sidderen van angst! Waar zit uw verstand? Wilt u het bewijs dat geloof zonder daden waardeloos is? Als het lichaam niet meer ademt, is het dood; zo is het ook met geloof: als het niet in de praktijk wordt gebracht, is het een dood geloof.” Met andere woorden, geloof in God is een levenswijze, ze leidt tot daden, of is anders net zo levenloos als het lichaam van een dode. — Jak. 2:19, 20, 26, Nieuwe Testament in de omgangstaal.
Jezus Christus heeft ditzelfde ook herhaaldelijk duidelijk gemaakt. Zo besloot hij zijn Bergrede met een illustratie waarin hij een wijs man, die op Jezus’ woorden reageerde en ze tot zijn levenswijze maakte, gunstig vergeleek met een dwaas man die zich er louter tevreden mee stelde naar Jezus te luisteren maar verder niets deed. Zo sprak Jezus ook in sterk afkeurende zin over degenen die ’God met hun lippen eren, maar wier hart ver van God verwijderd is’. Tevens hekelde hij de religieuze huichelaars die ’het wel zeggen’ maar niet volbrengen, (Matth. 7:24-27; 15:8; 23:1-4). In dit commentaar van Jezus op de huichelachtigheid van bepaalde joodse gelovigen, citeerde hij de woorden van de profeet Jesaja, waaruit wel blijkt dat ook in de dagen van deze profeet, een soortgelijke situatie onder de joden bestond. — Jes. 29:13.
Maar niet alleen onder de joden in die tijd, ook onder de velen die thans belijden geloof in God te hebben, treft men zo’n situatie aan. Zo stond in een redactioneel artikel in Theology Today van april 1974 dat „christenen over het geheel genomen, niet meer liefde, meer tolerantie, of menselijkheid ten toon spreiden dan degenen die een andere religie of helemaal geen religie zijn toegedaan”, terwijl dat toch wel zou moeten. Of niet? Zouden zij die belijden de grootste Onderwijzer en het grootste Voorbeeld, Jezus Christus, na te volgen, die met betrekking tot bovenstaande eigenschappen de hoogste maatstaven aanlegde, niet meer liefde, meer menselijkheid en een grotere tolerantie ten toon moeten spreiden dan anderen? Droevig genoeg is de situatie momenteel nog net zo als jaren geleden toen een bepaalde populaire schrijver zich ertoe bewogen voelde de vraag te stellen: „Elke stoïcijn, was een stoïcijn, maar waar is in de christenheid de christen te vinden?”
Ja, geloof in God, zoals Jezus Christus dat onderwezen en beoefend heeft, is niet louter een kwestie van „geloven” maar een wijze van leven. Vandaar ook dat dit christelijke geloof negentienhonderd jaar geleden bekendstond als „De Weg”. Zo lezen we dat Saulus (de latere Paulus) van Tarsus, vóór hij tot bekering kwam en zelf een volgeling van Jezus Christus werd, „allen die tot de Weg behoorden” vervolgde, „zowel mannen als vrouwen”. — Hand. 9:2; zie ook Handelingen 19:9, 23; 22:4; 24:22.
Kennis een eerste vereiste
Er is wel gezegd: Geloof is „God aan Zijn woord houden”. Maar hoe kan men „God aan Zijn woord houden”, wanneer men weinig of niets afweet van hetgeen God in zijn Woord heeft gezegd? Of, zoals de apostel Paulus het stelde: „Hoe zullen zij echter hem aanroepen in wie zij geen geloof hebben gesteld? Hoe zullen zij vervolgens geloof stellen in hem van wie zij niet hebben gehoord?” (Rom. 10:14) Vandaar dat de christelijke getuigen van Jehovah niet van opwekkingsbijeenkomsten en religieuze redenaars gebruik maken om mensen te bekeren. In het geheel niet. Zij gaan eerst van huis tot huis om te zoeken naar degenen die „zuchten en kermen” vanwege de goddeloosheid die zij in de wereld om zich heen zien gebeuren, en die zich „bewust zijn van hun geestelijke nood”. — Ezech. 9:4; Matth. 5:3.
De Getuigen onderwijzen zulke gewillige luisteraars wat Gods Woord de bijbel over Gods eigenschappen en kenmerken, zijn daden en vereisten voor zijn aardse schepselen te zeggen heeft. Op die wijze volvoeren de Getuigen Jezus’ gebod: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen . . . en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb.” Het onderhouden van die geboden betekent een levenswijze. — Matth. 28:19, 20.
Goed beginnen
Als gevolg van zulk een kennis en geloof in God kunnen deze leerlingen van tevoren „de kosten berekenen” wanneer het erom gaat hun geloof in God tot een levenswijze te maken. En dat het sommigen iets kost, blijkt wel uit de volgende uitlatingen van personen die begin ’74 op de „Goddelijke zegepraal”-congressen in Argentinië werden gedoopt. Een zekere C. H. vertelde: „Vier maanden voordat ik in militaire dienst zou gaan, verwierf ik een nauwkeurige kennis van de bijbelse waarheid. Dit plaatste mij voor een belangrijke beslissing. Ik koos voor Jehovah. En hoewel ik drie jaar in de gevangenis in het Campo De Mayo werd opgesloten, ben ik erg gelukkig nu als een getuige van Jehovah gedoopt te kunnen worden.”
En de heer A. L. vertelde over zichzelf: „Ik was een bekende komediant op de televisie. Ik leerde de waarheid dat Jehovah een reine organisatie heeft. Vanwege mijn werk moest ik daarom een ernstige beslissing nemen. En na veel gebed gaf Jehovah mij daartoe de kracht. Ik begon alle contracten voor optredens in immorele shows te verbreken, omdat ze in strijd waren met bijbelse beginselen. Ik verloor daardoor veel van mijn populariteit op de tv en ook van mijn inkomen. Maar ik was verheugd dit te mogen doen ten behoeve van het voorrecht Jehovah God te dienen.”
Mevrouw L. M. wist op succesvolle wijze aan een andere beproeving ten aanzien van haar levenswijze het hoofd te bieden. Zij vertelt: „Toen ik voor het eerst met de christelijke getuigen van Jehovah de bijbel begon te bestuderen, stond mijn man me niet tegen. Maar naarmate de studie vorderde, werd hij een werkelijke tegenstander. Tijdens mijn eerste toewijzing op de theocratische school kwam hij naar de Koninkrijkszaal en zei: ’Je zult moeten kiezen tussen Jehovah’s Getuigen en mij.’ Ik zei hem dat ik zou kiezen voor Jehovah God. Na vijftien jaar huwelijk ging mijn man een wettelijke scheiding aan en we raakten werkelijk uit elkaar. Niettemin ben ik blij hier op dit congres te mogen zijn en als een van Jehovah’s Getuigen gedoopt te mogen worden.” En zo zouden er nog vele en vele van dergelijke voorbeelden meer kunnen worden aangehaald om te tonen dat geloof in God meer inhoudt dan enkel geloven dat hij bestaat, dat het een levenswijze betekent in overeenstemming met Gods geschreven Woord.
Op de weg voortgaan
Na goed te zijn begonnen, moet men echter op de juiste weg voortgaan en daarbij worden aangedreven door juiste motieven. Zo dient een christen dat ’wat van Caesar is, aan Caesar terug te betalen’, door de wetten van het land, waartoe ook belastingwetten horen, te gehoorzamen (Matth. 22:21). En dat niet vanwege de angst voor straf, maar vanwege zijn geweten. Het is zoals de apostel Paulus schrijft: „Er is daarom een dwingende reden voor ulieden om in onderworpenheid te zijn, niet alleen vanwege die gramschap, maar ook vanwege uw geweten. Want daarom betaalt gij ook belastingen” (Rom. 13:5, 6). Wat dit betreft zijn Jehovah’s Getuigen trouwens herhaaldelijk in het openbaar geprezen, omdat zij gewetensgetrouw aan hun belastingplicht voldoen.
De goddelijke levenswijze omvat ook dat men zich als werkgever gewetensgetrouw van zijn taak kwijt. Tegenwoordig zijn er veel werknemers die zo weinig mogelijk doen of alleen werken als de baas kijkt. De ware christen laat zich echter leiden door bijbelse beginselen, zoals: „Weest in alles gehoorzaam aan hen die uw meesters zijn in vleselijk opzicht, . . . Wat gij ook doet, verricht uw werk met geheel uw ziel als voor Jehovah en niet voor mensen, want gij weet dat gij van Jehovah als rechtmatige beloning de erfenis zult ontvangen” (Kol. 3:22-24). Door aan zulke raad gehoor te geven hebben de christelijke getuigen voor zichzelf een goede reputatie als werkers opgebouwd. Typerend voor het resultaat van hun onderwijs was de volgende reactie van een jonge vrouw die slechts een korte tijd met de Getuigen de bijbel had bestudeerd. Toen ze door haar collega’s werd bespot omdat ze zo nauwgezet was met werken, zelfs wanneer de baas niet keek, antwoordde ze hen: „Maar er is Iemand boven die wel kijkt.”
Een van de andere terreinen waarbij God in iemands leven is betrokken, is de huwelijkstrouw. Gods Woord verklaart duidelijk: „Het huwelijk zij eerbaar onder allen en het huwelijksbed zonder verontreiniging, want God zal hoereerders en overspelers oordelen” (Hebr. 13:4). En hoewel steeds meer geestelijken het wat dit betreft met Gods Woord oneens zijn, zullen ware christenen zich aan Gods vereisten houden. En ook op dit terrein hebben Jehovah’s Getuigen een voortreffelijke reputatie opgebouwd. Zo staat in de Engelse New Catholic Encyclopedia onder andere over Jehovah’s Getuigen geschreven dat „hun moraal betreffende seks en huwelijk tamelijk streng is”. Inderdaad, even streng als de bijbel. — Deel 7, blz. 864.
Getuigenis afleggen
Misschien wel het meest treffende aspect waarin geloof als een levenswijze naar voren treedt, is de getuigenisactiviteit die een gelovige ontwikkelt — zijn predikings- en onderwijzingswerkzaamheden. Zo gaf Jezus zijn volgelingen het bevel hun licht voor de mensen te laten schijnen, en waarschuwde hij hen zich er niet voor te schamen hem voor de mensen te belijden, aangezien hij zich er dan ook voor zou schamen hen voor zijn hemelse Vader te belijden (Matth. 5:14-16; Mark. 8:38). Vooral in zijn slotwoorden legde hij zijn volgelingen de volgende verplichting op: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende.” En zijn eerste discipelen begrepen deze woorden, want wij lezen dat zij na door vervolging overal heen verspreid te zijn, ’het land doorgingen en . . . het goede nieuws van het woord bekendmaakten’. — Matth. 28:19, 20; Hand. 8:4.
Ja, zij waren zelfs zo ijverig dat de apostel Paulus kon schrijven dat het „goede nieuws, hetwelk gij hebt gehoord”, „in heel de schepping die onder de hemel is, werd gepredikt” (Kol. 1:23). Jezus voorzei ook: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën en dan zal het einde komen” (Matth. 24:14). Opnieuw zijn het alleen Jehovah’s Getuigen die van het prediken en onderwijzen een levenswijze hebben gemaakt. Zo blijkt uit een onvolledig bericht over april 1976 dat 2.153.539 van hen een aandeel hadden aan het predikings- en onderwijzingswerk en dat zij in die maand 1.373.707 bijbelstudies leidden.
Ja, geloof in God is inderdaad een levenswijze. Het brengt tevredenheid, vrede des geestes en geluk. Het is niet louter een kwestie van geloven aan God en Jezus Christus, maar van leven overeenkomstig bijbelse beginselen en er een aandeel aan te hebben de waarheid over God, Jezus Christus en hun koninkrijk bekend te maken. Dat is hetgeen Jehovah’s christelijke getuigen thans doen en zij zijn bereid een ieder te helpen die ook deze levenswijze wil aanvaarden.