Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 8/1 blz. 8-14
  • De aanval op Jehovah’s Getuigen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De aanval op Jehovah’s Getuigen
  • Ontwaakt! 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Verhevigde aanval
  • Druk op werkplaatsen
  • Intensievere aanval
  • Vervolging onder het verbod
  • Kort overzicht van de situatie
  • Benin onderdrukt vrijheid van aanbidding
    Ontwaakt! 1977
  • Deel 4 — Getuigen tot de verst verwijderde streek der aarde
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Jaarboek van Jehovah’s getuigen 1974
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1974
  • Ware christenen zullen vervolgd worden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
Meer weergeven
Ontwaakt! 1977
g77 8/1 blz. 8-14

De aanval op Jehovah’s Getuigen

GEREKEND vanaf 1973, is de aanval op Jehovah’s Getuigen steeds meer in intensiteit toegenomen. In dat jaar weigerden de autoriteiten toestemming te verlenen voor enkele geplande „kringvergaderingen”, bijeenkomsten waar normaal een aantal christelijke gemeenten voor bijbels onderricht bij elkaar komen. Daarna werd in december 1973 het internationale „Goddelijke zegepraal”-congres dat in Cotonou gehouden zou worden, op het laatste moment verboden. Begin volgend jaar mochten er weliswaar weer kringvergaderingen gehouden worden, maar dat was dan ook de laatste maal dat dit werd toegestaan.

Al die tijd hadden de vergaderingen in de Koninkrijkszalen en privé-woningen ongestoord voortgang kunnen vinden. Maar eind 1974 deden er geruchten de ronde dat er restricties zouden worden opgelegd aan het openbare predikingswerk, en begin 1975 kwam het in het Mono-gebied inderdaad tot de eerste maatregelen hiertoe. Daarna werd ook in de stad Parakou de van-huis-tot-huisprediking verboden. Dat was in februari. In andere streken genoten de Getuigen echter nog steeds volledige vrijheid wat prediken en bijeenkomen betreft.

Verhevigde aanval

Na de politieke viering op 30 november 1975, toen de naam van het land was veranderd en er ook een nieuwe vlag was aangekondigd, geraakte de actie tegen Jehovah’s Getuigen echter in een politieke stroomversnelling. Politieke leuzen werden populair en wanneer Getuigen ze weigerden te roepen, gebeurde het vaak dat zij ter ondervraging voor plaatselijke „revolutionaire comités” werden geleid.

In december 1975 werd een kringopziener tijdens zijn prediking gearresteerd. Een niet in dienst zijnde politieman riep hem een politieke leuze toe: „Klaar voor de Revolutie!”, waarna hij dan had moeten antwoorden: „En de strijd gaat door!” Maar toen de broeder na diverse pogingen van de politieman nog steeds niets terugzei, werd hij meegenomen naar het politiebureau, waar men hem vasthield.

Daar probeerde men hem er nogmaals toe te dwingen de politieke leuze te roepen en aan politiek gezang deel te nemen. Enkele uren lang moest hij op ellebogen en knieën over de vloer kruipen. Ten slotte werd hij aan het eind van de dag, toen enkele Getuigen met de politie gesproken hadden, vrijgelaten.

Ook in december werd op een aantal andere plaatsen de van-huis-tot-huisprediking verboden, terwijl voor de eerste maal in bepaalde Koninkrijkszalen geen vergaderingen meer gehouden mochten worden; sommige zalen werden zelfs in beslag genomen. In Dowa, vlak bij Porto Novo, was K. E. G. bezig enige werkzaamheden aan de voorzijde van de Koninkrijkszaal te verrichten, toen hij een man opmerkte die met palen en landmeetinstrumenten bezig was. Toen hij vroeg wat deze persoon deed, kreeg hij ten antwoord: „Wij nemen jullie Koninkrijkszaal over. Het plaatselijke revolutionaire comité heeft besloten jullie vergaderingen te beëindigen, en de zaal van nu af aan voor politieke vergaderingen te gebruiken.” En dat gebeurde ook, zonder dat er enige vergoeding voor de zaal werd gegeven.

Van januari tot maart 1976 gingen steeds meer plaatselijke autoriteiten ertoe over de vergaderingen en de prediking van Jehovah’s Getuigen te verbieden. Koninkrijkszalen werden gesloten, en in sommige gevallen veranderd in vergaderplaatsen voor de plaatselijke autoriteiten. De regeringskrant (de enige krant in Benin) en ook de radio (de „Stem van de revolutie” genaamd) begonnen een krachtige campagne tegen religie in het algemeen en tegen Jehovah’s Getuigen in het bijzonder.

Druk op werkplaatsen

Op de meeste werkplaatsen stelden de autoriteiten wekelijkse periodes vast voor de vlaggeceremonie, het zingen van patriottische liederen en het roepen van politieke leuzen. Bovendien werden er „ideologische cursussen” in het leven geroepen, die onder andere een para-militaire training omvatten.

In één district werd de regeling getroffen om op het eerste weekeind van april werknemers van diverse werkplaatsen voor een van die ideologische cursussen bijeen te laten komen. Zo’n 300 of meer personen waren daarbij betrokken. Iedereen moest komen, met inbegrip van vier Getuigen die in dat district op een werkplaats werkten. De mannelijke Getuigen S. A., C. A., en A. A. besloten voor zichzelf dat het beter was er niet heen te gaan. De vrouwelijke Getuige J. T. ging er wel heen, maar weigerde deel te nemen aan cursusonderdelen die haar christelijke geweten geweld aandeden.

Nadat de Getuigen S. A. en C. A. de volgende maandagmorgen op hun werk waren gearriveerd, werden ze onder arrest gesteld. Nog in hun werkkleding moesten zij rennend voor een auto uit lopen, in de richting van de politieschool. Kort na hun aankomst daar, werd ook hun christelijke zuster J. T. binnengebracht. Daarna probeerde men hen ertoe te brengen politieke leuzen te roepen. Ze moesten tot uitputtens toe op hun ellebogen en knieën rondkruipen en kregen een „ideologische cursus” om te proberen hen van de juistheid van het roepen van politieke leuzen te overtuigen.

Getuige A. A. hoefde pas ’s middags op zijn werk te komen. Maar zodra hij arriveerde, werd ook hij gearresteerd en gedwongen hard voor een auto uit te lopen, eveneens in de richting van de politieschool. Daar werd hij geslagen, gedwongen over de grond rond te kruipen en andere „sporten” te doen. Een van de Getuigen zei later dat hij vastbesloten was het niet op te geven, ook al zou hij getrouw moeten blijven tot de dood. De hoop op de opstanding en geloof in Gods nieuwe samenstel van dingen hadden hem in die momenten veel kracht verleend.

Vier dagen lang werden deze Getuigen vastgehouden en aan deze behandeling onderworpen. Daarna liet men hen vrij, met de mededeling dat ze weer aan het werk konden. Getuige A. A. kwam op zijn werk echter onmiddellijk aan nog meer druk bloot te staan. Zijn superieuren stonden erop dat hij de leiding zou nemen bij vlaggegroetceremonies en het roepen van politieke leuzen. Ten slotte werd hij vanwege zijn weigering ontslagen. Later kregen ook de Getuigen S. A. en C. A. om dezelfde reden ontslag, en het bericht luidt dat zuster J. T. opnieuw is gearresteerd en daarna weer vrijgelaten.

Intensievere aanval

Begin april werden ook alle mannelijke Getuigen in de gemeente Gouka in Noord-Benin gearresteerd en tweeënzeventig uur gevangen gehouden. Zij kregen de waarschuwing met hun openbare predikingsactiviteit op te houden en werden tegelijkertijd onder druk gezet politieke leuzen te uiten. Maar alle pogingen hiertoe faalden en de Getuigen herkregen hun vrijheid, met de mededeling echter dat wanneer ze in het vervolg nog vergaderingen in hun Koninkrijkszaal zouden houden, die vergezeld moesten gaan van het zingen van politieke liederen en het roepen van politieke leuzen. De Getuigen konden daar niet mee akkoord gaan, en waren aldus gedwongen het gebruik van hun Koninkrijkszaal op te geven.

In zijn radiotoespraak van 16 april dreigde de minister van binnenlandse zaken ook nog: „Als deze mensen hun methoden niet veranderen, zullen ze met ons te maken krijgen.” Vervolgens deelde hij mee dat vertegenwoordigers van Jehovah’s Getuigen eind april het land zouden worden uitgezet.

Een paar dagen later ging een afvaardiging van vier Getuigen naar het districtshoofd van Cotonou II om op de gedane beschuldigingen te reageren. Maar toen deze Getuigen weigerden politieke leuzen te roepen, werden zij gearresteerd en naar de politieke school gevoerd. Daar werden nog meer pogingen ondernomen hen te laten reageren op de leuze: „Klaar voor de revolutie!”

Getuige D. S. verklaarde dat hij „klaar” was om te werken, „klaar” om aan de landbouwproduktie deel te nemen waar de autoriteiten het over hadden, maar niet „klaar” om te vechten of oorlog te voeren. Derhalve nam hij een vastberaden standpunt in en weigerde op zulke leuzen te reageren. De vier werden eerst tien dagen in hechtenis gehouden en toen weer op vrije voeten gesteld.

Ondertussen was er in de laatste week van april in Cotonou een urenlange vergadering gehouden om maatregelen tegen Jehovah’s Getuigen te treffen. De Benin-krant Ehuzu droeg op 30 april 1976 de kop: SEKTE VAN „JEHOVAH’S GETUIGEN” IN DE VOLKSREPUBLIEK BENIN VERBODEN.

Het artikel meldde: „Sinds dinsdag 27 april 1976 is de sekte van Jehovah’s Getuigen in alle gebieden van de Volksrepubliek Benin verboden verklaard. . . .

— alle vergaderingen van de volgelingen of personen die behoorden tot de sekte van Jehovah’s Getuigen zijn verboden;

— huisbezoeken door de predikers van de sekte van Jehovah’s Getuigen zijn verboden;

— alle onroerende goederen die in het verleden door de vertegenwoordigers en volgelingen van bovengenoemde sekte zijn gebruikt, zullen door de plaatselijke autoriteiten in beslag genomen worden en voor het openbaar welzijn worden benut.”

Verder verklaarde de krant: „De vertegenwoordigers van voornoemde sekte, en preciezer gezegd, de buitenlanders, van welke nationaliteit ze ook mogen zijn, hebben na publikatie van deze maatregelen nog maar een paar uur om het land te verlaten.”

Over de uitvoering van deze beslissing — wegsturing van de zendelingen van Jehovah’s Getuigen — liet men geen gras groeien. Carlos Prosser schrijft: „Op 27 april, om ongeveer 10 uur ’s morgens, kwam de politie om mij als de bijkantoorcoördinator te ondervragen. Ze namen me mee naar het politiebureau van Cotonou Akpakpa en vandaar naar de staatspolitie, waar de ondervraging werd voortgezet. Na vervolgens opnieuw naar het politiebureau van Cotonou Akpakpa te zijn gevoerd, kreeg ik toestemming naar huis terug te keren, waar ik om ongeveer half twaalf arriveerde. . . . Het was ongeveer 8 uur ’s avonds dat we te horen kregen dat we met ingang van diezelfde dag, 27 april, verbannen waren verklaard. . . .

Om half negen de volgende dag kwam de politie opnieuw, nu om ons te zeggen dat we onze koffers moesten pakken, in onze bestelwagen moesten laden en ermee naar de Staatspolitie moesten rijden. . . . We kregen 30 minuten om ons voor vertrek gereed te maken . . . Ik reed onder geleide van een soldaat de auto van het Wachttorengenootschap, terwijl de overige zendelingen in een auto van de politie werden weggereden. . . .

Twee van de zendelingen hadden zich voorbereid om naar Togo te gaan en de anderen zouden naar Nigeria vertrekken. Degenen van ons die naar Nigeria gingen, werden tot aan de grens door een politiewagen geëscorteerd, terwijl de twee naar Togo alleen werden achtergelaten.” Zo werden binnen korte tijd tien Getuigen van Jehovah het land uitgezet en de bezittingen van de Watch Tower Bible and Tract Society door de autoriteiten in beslag genomen.

Vervolging onder het verbod

Op 10 mei ontvingen Getuigen van de gemeente Cana, ongeveer 120 kilometer ten noorden van Cotonou, de oproep om de volgende dag voor het plaatselijke revolutionaire comité te verschijnen. Bij aankomst werden zij opgewacht door de burgemeester, die voor hen een vlag ging halen om daar een groet tot te richten. Toen zij weigerden, begonnen vijf personen hen te slaan waarbij zelfs een achtjarige jongen niet werd ontzien!

De volgende dag werden de Getuigen naar het dichtstbij gelegen politiebureau gebracht, in Bohicon, waar ze urenlang en zonder ophouden opnieuw werden geslagen, en men hen ertoe trachtte te dwingen „Eer, glorie en victorie aan het volk” te roepen. Zij antwoordden echter: „Eer, glorie en victorie aan Jehovah.” Ook werd hun gevraagd: „Op wie verlaten we ons voor kracht?” Waarop dan het antwoord moest luiden: „Op onszelf.” Zij zeiden echter: „Op Jehovah.” De politie bleef hen derhalve slaan om hen tot toegeven te dwingen.

De hele rest van de dag en ook ’s nachts werden de Getuigen, met inbegrip van de vrouwen en de achtjarige jongen, vastgehouden. De volgende ochtend ondernam men opnieuw pogingen om hen tot het roepen van de leuzen te dwingen. Toen ze weigerden, werden ze nog meer geslagen. Tot ten slotte om twaalf uur ’s middags de commandant kwam, die, na te hebben waargenomen hoe ernstig de Getuigen waren geslagen, de politiemannen bevel gaf te stoppen, aangezien hij de Getuigen wilde ondervragen.

Hij vroeg: „Waarom doen jullie niet mee aan het roepen van de leuzen? Wat is de reden daarvoor?” Zij antwoordden dat Jehovah’s Getuigen in geen enkele natie aan politiek meedoen, in navolging van het voorbeeld van Jezus Christus. „Wij zijn neutraal en ons christelijke geweten staat ons niet toe politieke leuzen te herhalen.” Maar de politiechef antwoordde: „Daar moet meer achter zitten. Er zal nog wel een andere reden zijn.” Hem werd echter gezegd dat er geen andere reden was.

Ten slotte zei de commandant dat ze vrijgelaten zouden worden, maar niet meer in hun Koninkrijkszaal konden vergaderen of hun predikingswerk mochten verrichten. Het was echter prima wanneer ze in kleine groepjes in particuliere huizen bij elkaar zouden komen. De Getuigen vroegen toen: „Kunt u ons dat op schrift geven, dat we onze vergaderingen mogen houden?” Daarop antwoordde hij: „Nee, een schriftelijke bevestiging is niet mogelijk.”

In het dorp Awhangba Sekou riep een groep revolutionairen Getuige G. A. politieke leuzen toe. Toen hij die niet beantwoordde, sprongen vier personen op hem af en sloegen hem net zo lang tot hij bewusteloos was. Hij viel en zij renden weg, kennelijk in de mening dat hij dood was.

Een paar minuten later wilde hij opstaan, wat een van de personen die hem geslagen hadden, van een afstand zag. Maar nog voordat deze kon terugkeren, verscheen er al een andere groep, gewapend met stokken en knuppels, ten tonele. De Getuige werd door deze tweede groep opnieuw geslagen, tot hij weer, bedekt met bloed, tegen de grond viel. Bang dat zij hem hadden gedood, wierpen de leden van deze tweede groep hun stokken en knuppels van zich af en vluchtten weg. Nadat iedereen verdwenen was, kon Getuige G. A. opstaan en met moeite naar zijn huis terugkeren.

In het dorp Attogon, in het noordwesten van het land, kregen de Getuigen er lucht van dat de plaatselijke leden van het revolutionaire comité van plan waren hen te arresteren, zodat zij in de nacht diep het oerwoud in vluchtten. De mannen wisten met behulp van vertinde dakplaten voor zichzelf en hun gezinnen een onderkomen te bouwen, terwijl ze ook op veertig meter afstand daarvan een vergadergelegenheid maakten. De grond diende hun tot zitplaats en van stukken hout maakten zij een tafel die de voorzitter van de vergadering kon gebruiken. Deze Getuigen zijn sindsdien weer uit elkaar gedreven en sommigen van hen zijn het land uit gevlucht.

In Aissessa sloot het revolutionaire comité een Koninkrijkszaal, maar een paar dagen later kwam de plaatselijke burgemeester weer terug met de sleutel om die aan de presiderende opziener van de gemeente van Jehovah’s Getuigen te overhandigen, met de woorden: „Hier hebt u de sleutel weer terug en maakt u de volgende zaterdag de zaal maar gereed voor een speciale vergadering met al uw leden.” De opziener weigerde echter de sleutel aan te nemen wanneer hem geen verdere details over de vergadering zouden worden verschaft. De burgemeester wilde niets zeggen, maar alles wees erop dat de autoriteiten de Getuigen moeilijkheden wilden bereiden, en hen misschien wel allemaal wilden arresteren. Dus vluchtten zij over de grens naar Nigeria.

Toen begin mei D. S., een speciale pionier (een volle-tijdprediker van Jehovah’s Getuigen) door Cotonou reisde en weigerde politieke leuzen te beantwoorden van iemand die hem als Getuige had herkend, werd hij naar het politiebureau gevoerd en daar wekenlang zwaar geslagen, alvorens weer in vrijheid te worden gesteld. Hij moest zich onder medische behandeling stellen.

Op 3 mei ontvingen twee andere speciale pioniers, werkzaam in Kandi, ongeveer 640 kilometer ten noorden van Cotonou, een bevel om dezelfde dag nog op het politiebureau te verschijnen alwaar de politiecommissaris Dovonou naar hun identiteitskaarten informeerde. Toen hij er de belastingrekeningen van de afgelopen jaren aan vastgeniet zag, waren zijn eerste woorden: „Ik zie dat u gehoorzaam bent aan de autoriteiten en uw belasting betaald hebt.”

Daarop wilde hij van de pioniers de namen van andere Getuigen in de omgeving weten, wat zij echter weigerden. Toen moesten zij hun overhemd en broek uitdoen, terwijl de politiechef opmerkte: „Ik denk dat jullie ons nu wel spoedig de namen zullen geven en met ons zullen samenwerken.”

Vervolgens werden er politiemannen geroepen die om beurten de Getuigen met een knuppel afranselden om hen ertoe te brengen de namen van hun christelijke broeders en zusters te onthullen. Ondanks die wrede behandeling, wilden deze pioniers niet de veiligheid van hun vrienden in gevaar brengen door de politie hun namen en adressen te geven.

Ten slotte werd een van hen, I. K., onder geleide naar Cotonou overgebracht, waar hij in de gevangenis terechtkwam en het hem al spoedig duidelijk werd dat hij niet de enige Getuige was die daar gevangen werd gehouden. Er waren nog een aantal anderen die weigerden patriottische liederen te zingen en aan vlaggeceremonies deel te nemen, en om die reden slaag ontvingen.

Toen een jongeman werd gevraagd: „Waarom zing je niet en doe je niet mee aan deze vlaggeceremonie?” was zijn antwoord: „Mijn christelijke geweten staat me dat niet toe, en de bijbel hecht geen goedkeuring aan dit soort van aanbidding.” Daarop gaf de politieman hem een slag in zijn gelaat, zodat het bloed uit zijn neus spoot.

Dank zij de inspanningen van zijn vader en enige vriendelijke politiemannen werd I. K. op 19 mei uit de gevangenis vrijgelaten en kon hij enkele dagen later de grens naar Nigeria oversteken. Daar ontving hij een ziekenhuisbehandeling en had hij enkele weken nodig om van de mishandeling die hem was toegebracht, te herstellen.

Kort overzicht van de situatie

Vanwege de nationalistische ceremoniën op school, hebben sinds het verbod nog maar weinig kinderen van Getuigen naar school kunnen gaan. Een vijftienjarige knaap die tot 20 mei nog ongestoord zijn lessen had kunnen volgen, kreeg moeilijkheden toen een van zijn medeleerlingen de opmerking maakte: „Hoe kan ik zingen wanneer A. niet zingt?” Nadat de leraar dit tweemaal had gehoord, was hij wel verplicht er bij de Getuige op aan te dringen mee te zingen, wat deze weigerde. Toen dit incident in de omgeving bekend raakte en de scholier vernam dat er strenge maatregelen getroffen zouden worden, vluchtte hij de grens over naar Nigeria.

Met de arbeidssituatie is het niet anders: Getuigen zijn gedwongen hun werkplaatsen te verlaten omdat ze niet aan politieke ceremoniën willen deelnemen. Bedreigd met arrestatie en gevangenzetting, zijn er, volgens de berichten, wel zo’n 600 van hen naar Nigeria en Togo gevlucht. De politie speurt naar een groot aantal Getuigen, vooral bekende ouderlingen, wier namen zelfs verscheidene malen over de radio zijn genoemd.

Om enig idee te geven hoe de Getuigen in de gaten worden gehouden, het volgende voorval: In Cotonou trachtte een van de daar nog aanwezige ouderlingen zijn broeders te versterken door een paar van hen voor een maaltijd bij hem thuis uit te nodigen, zodat hij in de gelegenheid zou zijn hun geestelijke aanmoediging te schenken. Maar nauwelijks was een van de Getuigen bij hem binnen, of een plaatselijk lid voor ’de verdediging van de revolutie’ belde aan om te zien of er een vergadering bezig was. De ouderling verklaarde dat hij slechts een paar vrienden voor een maaltijd had uitgenodigd en vroeg of zelfs dat al onwettig was geworden.

Zoals reeds is opgemerkt, zijn alle Koninkrijkszalen in het land gesloten en is overal het predikingswerk verboden verklaard. Op veel plaatsen is het voor Getuigen, en zelfs familiegroepen, erg moeilijk geworden om bij elkaar te komen, zo nauwlettend worden al hun bewegingen gadegeslagen. Sommige Getuigen staan nu midden in de nacht op om gezamenlijk de bijbel te bestuderen.

In sommige delen van het land genieten de Getuigen wat meer vrijheid en kunnen nog geregeld bij elkaar komen, als ze er maar voortdurend voor zorgen de plaats en tijd van hun bijeenkomst te variëren. In één dorp zei de burgemeester zelfs dat wanneer er bevel zou komen de Getuigen te arresteren, hij alles zou doen om hen te beschermen.

Deze dorpsburgemeester is erg verontrust over het vertrek van met arrestatie bedreigde Getuigen naar andere landen. Hij heeft in zijn dorp de waarschuwing laten rondgaan dat wanneer ook maar één van Jehovah’s Getuigen een strobreed in de weg wordt gelegd, degenen die dat op hun geweten hebben, gearresteerd zullen worden. Sindsdien heeft niemand de Getuigen meer lastig gevallen. Deze burgemeester meldde bij het districtshoofd dat Jehovah’s Getuigen zijn beste mensen zijn, dat zij op tijd hun belasting betalen en hun deel bijdragen tot het ontwikkelingswerk.

In sommige streken van de republiek Benin is de situatie voor Jehovah’s Getuigen dus moeilijker dan elders, en dit is voornamelijk afhankelijk van de plaatselijke autoriteiten. Het officiële streven is echter aan alle activiteiten van Jehovah’s Getuigen een eind te maken en iedereen overeenkomstig de ideologieën van het land te hervormen.

[Kaart op blz. 8]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

MAROKKO

ALGERIJE

LIBIË

MAURITANIË

MALI

NIGER

BENIN

OPPER-VOLTA

GHANA

NIGERIA

GABON

Atlantische Oceaan

[Kaart op blz. 9]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

NIGER

de Niger

OPPER-VOLTA

BENIN

Kandi

Parakou

Gouka

Bohicon

Cana

Aissessa

Awhangba Sekou

Cotonou

Dowa

Porto Novo

TOGO

NIGERIA

GHANA

GOLF VAN GUINEA

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen