Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 8/1 blz. 5-7
  • Benin onderdrukt vrijheid van aanbidding

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Benin onderdrukt vrijheid van aanbidding
  • Ontwaakt! 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Veranderingen in het land
  • De gevolgen voor Jehovah’s Getuigen
  • Een kwestie van aanbidding
  • Wat weet u van de vlag?
    Ontwaakt! 1972
  • ’Redding behoort toe aan Jehovah’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
  • Morele waarden die respect verdienen
    Jehovah’s Getuigen en het onderwijs
  • Waarom doen Jehovah’s Getuigen niet mee aan nationalistische ceremonies?
    Veelgestelde vragen over Jehovah’s Getuigen
Meer weergeven
Ontwaakt! 1977
g77 8/1 blz. 5-7

Benin onderdrukt vrijheid van aanbidding

MISSCHIEN kent u dit kleine Westafrikaanse land onder de naam Dahomey. Maar in november 1975 kwam het als „Volksrepubliek Benin” bekend te staan. In het kielzog van deze en andere veranderingen, is echter ook een krachtige campagne tegen Jehovah’s Getuigen ontstaan.

Tientallen Getuigen zijn gearresteerd en velen van hen wreed geslagen. In april vorig jaar werd het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in beslag genomen en werden de zendelingen het land uitgezet. Alle Koninkrijkszalen voor het houden van christelijke vergaderingen zijn gesloten. En honderden Getuigen zijn voor hun veiligheid naar naburige landen gevlucht.

Waarom zijn Jehovah’s Getuigen in Benin zo gewelddadig aangevallen? Wat is daar momenteel gaande?

Veranderingen in het land

Wel, in deze voormalige Franse kolonie is meer dan alleen de naam veranderd. Sinds Dahomey in 1960 onafhankelijkheid heeft verworven, zijn er vijf staatsgrepen geweest, waarvan de laatste op 26 oktober 1972 plaatsvond, toen een militaire regering onder leiding van kolonel Mathieu Kerekou de macht in Dahomey overnam.

De nieuwe leiders hebben zich bij de ontwikkeling van dit landbouwland, de Sovjet-Unie en China tot voorbeeld gesteld. De New York Times van 23 november 1975 berichtte hierover:

„’Het socialisme is de door ons gekozen weg en het Marxistisch-Leninisme onze gids’, dat is de slogan geworden van Dahomey’s leiders sinds het land een jaar geleden een nieuwe politieke koers heeft uitgezet.

Dahomey’s militaire leiders hebben het socialisme gekozen als de weg om deze landbouwstaat tot ontwikkeling te brengen . . .

De Chinese hulp aan Dahomey, waaronder een lening van ƒ 135 miljoen, is voornamelijk op de landbouw gericht . . .

De ommezwaai naar het socialisme dateert van 30 november 1974.”

Veelbetekenend was bovendien dat de aankondiging van de naamsverandering van het land op 30 november 1975 plaatsvond, de dag dat er ook ceremonies waren ter viering van de eerste verjaardag van het lands sinds de uitroeping tot „Marxistisch-Leninistische wetenschappelijk socialistische staat”.

Vooral onder invloed van de Chinese communisten heeft het leven in Benin aanzienlijke veranderingen ondergaan, met name gedurende de afgelopen anderhalf jaar. In werkplaatsen en fabrieken zijn klassen ingesteld voor ideologisch onderricht uit het befaamde rode boekje van voorzitter Mao, terwijl men voor de arbeiders ook gedwongen vlaggegroetceremonies heeft ingesteld. Van de mensen wordt verwacht dat zij elkaar met politieke leuzen begroeten, zelfs wanneer ze de telefoon opnemen; doet men daar niet aan mee, dan wordt dit onmiddellijk onder de aandacht van de autoriteiten gebracht.

In een commentaar op de nieuwe geest van nationalisme in het land verklaarde minister Martin Dohou Azonhibo van binnenlandse zaken op 16 april 1976 in een toespraak: „Zoals u weet, zingen we, wanneer we als strijders bij elkaar zijn, het volkslied, roepen wij de revolutionaire leuzen en staan we in de houding voor ons nationale symbool.”

Deze nieuwe nationalistische geest heeft tot een harde vervolging van Jehovah’s Getuigen geleid. Om wat voor reden?

De gevolgen voor Jehovah’s Getuigen

In zijn 16-april-toespraak verklaarde Azonhibo:

„Wanneer deze vijanden van het land hun houding niet veranderen, zullen ze uit ons nationale gebied gebannen worden. Hun gedrag is niet navolgenswaard. Ik heb de plaatselijke autoriteiten reeds duidelijke instructies gegeven dat wanneer tegen het eind van de maand Jehovah’s Getuigen nog geen revolutionaire leuzen willen roepen, niet het nationale volkslied willen zingen en geen respect tonen voor de vlag, ik van plan ben alle buitenlandse vertegenwoordigers van Jehovah’s Getuigen, deze betaalde agenten van de C.I.A., uit het land te verbannen.”

Jehovah’s Getuigen zijn dus vervolgd omdat zij niet aan nationalistische bijeenkomsten meedoen. Zij worden beschouwd als vijanden van de staat — zowel de Getuigen die in het land geboren en getogen zijn als de uit andere landen afkomstige zendelingen. Maar bedenk: Wanneer zij inderdaad vijanden zouden zijn van de Volksrepubliek Benin, eropuit om het land ten val te brengen, zouden ze dan zo onnozel zijn om te weigeren het volkslied te zingen of de vlag te groeten? Trachten verraders, spionnen, saboteurs, etc. niet veeleer zo goed mogelijk patriottisme te veinzen om ongestoord hun ondermijnende activiteiten te kunnen voortzetten?

Een kwestie van aanbidding

Van Jehovah’s Getuigen is bekend dat zij geen enkel volkslied zingen en geen enkele vlag groeten, van geen enkel land; zij nemen dus niet alleen in Benin dit standpunt in. En de reden waarom zij dit niet doen, berust op hun geloofsovertuiging en heeft niets te maken met voorkeur voor de ene of de andere politieke heerschappij. Wat lang geleden in de natie Babylon gebeurde, geeft een goede illustratie van de religieuze kwestie die hierbij betrokken is.

De toenmalige koning van Babylon, Nebukadnezar, richtte een geweldig groot gouden beeld op en gaf bevel dat op het geluid van bepaalde muziekinstrumenten alle personen die bij de inwijding van dat beeld aanwezig waren, zich voor het beeld moesten neerbuigen. Drie Hebreeuwse dienstknechten van Jehovah God weigerden echter te buigen, ook al wisten ze bij voorbaat dat de straf hierop zou bestaan in een verbrandingsdood in een vurige oven. Niettemin zeiden zij: „Het worde u bekend, o koning, dat wij úw goden niet dienen, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, zullen wij stellig niet aanbidden.” — Dan. 3:1-18.

Heden ten dage bestaat er een soortgelijke situatie. Om een nationalistische geest onder de mensen aan te kweken, hebben landen voorwerpen in het leven geroepen die men in feite religieuze eer bewijst. De historicus Carlton Hayes zegt er dit over in zijn boek What Americans Believe and How They Worship: „Het hoofdsymbool van het nationalistische geloof en het centrale voorwerp van aanbidding is de vlag, en er zijn vreemde liturgische vormen ontwikkeld voor het ’groeten’ van de vlag, voor het ’salueren’ met de vlag, voor het ’strijken’ van de vlag en voor het ’hijsen’ van de vlag. Mannen ontbloten hun hoofd als de vlag passeert; en tot eer van de vlag schrijven dichters oden en zingen kinderen hymnen.” De weigering van Jehovah’s Getuigen om aan zulke ceremoniën mee te doen, was de reden waarom zij in het begin van de jaren ’40 in de Verenigde Staten heftig werden vervolgd.

In overeenstemming met het voorbeeld van de Hebreeuwse dienstknechten van Jehovah God in het oude Babylon, richten Jehovah’s Getuigen geen groet tot enig nationaal symbool, noch doen zij mee aan het zingen van volksliederen. Niet dat zij de vlag van het land waarin zij leven, niet respecteren; dat wel. Ook de vlag van Benin geniet hun respect. En zij tonen dat duidelijk door hun eerlijkheid en voorbeeldige gehoorzaamheid aan de wetten van het land waar zij wonen. Ja, ook in Benin hebben Jehovah’s Getuigen zich voortreffelijke, hardwerkende burgers betoond. En president Kerekou dient dat te weten.

En wat de beschuldiging betreft dat Jehovah’s Getuigen betaalde agenten van de Amerikaanse C.I.A. zijn (de Centrale Inlichtingendienst), niets is verder bezijden de waarheid dan dat. Degenen die Jehovah’s Getuigen kennen, zal dit belachelijk in de oren klinken, omdat zij wel weten dat Jehovah’s Getuigen altijd en in alle omstandigheden een houding van strikte neutraliteit ten aanzien van politieke aangelegenheden aan de dag leggen, in navolging van het voorbeeld van Jezus Christus, die over zijn volgelingen zei: „Zij zijn geen deel van de wereld, evenals ik geen deel van de wereld ben.” — Joh. 17:16.

De actie tegen de meer dan tweeduizend Getuigen van Jehovah in Benin komt dus inderdaad neer op onderdrukking van vrijheid van aanbidding zonder enige geldige reden. En wat hun wordt aangedaan, is buitengewoon ernstig. Lees daarover de volgende bladzijden.

„Zal de troon die onheilen veroorzaakt, een bondgenoot zijn van u, terwijl die moeite beraamt op gezag der verordening? Zij doen scherpe aanvallen op de ziel van de rechtvaardige en verklaren zelfs het bloed van de onschuldige nog schuldig. Maar Jehovah zal mij tot een veilige hoogte worden, en mijn God de rots van mijn toevlucht.” — Ps. 94:20-22.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen