Zijn de vrijheden gehandhaafd?
MET de Onafhankelijkheidsverklaring in 1776 begon een ongewoon experiment op grote schaal in menselijke bestuursvorm — moderne democratie. De meeste andere landen stonden in die tijd nog onder koningen of andere vormen van autoritair bewind.
De Verenigde Staten geloofden echter dat slechts een ’regering gebaseerd op de instemming van het volk’ de zo gewenste vrijheden kon garanderen, waartoe onder andere behoorden de vrijheid van meningsuiting, van religie, drukpers en vergadering.
Dat waren de „onvervreemdbare rechten”. En in 1787 werden ze opgenomen in het officiële document dat het fundament van de Verenigde Staten zou worden — de Grondwet.
Wat blijkt uit het verslag?
De kracht van verkondigde idealen moet echter in de praktijk blijken. Nobele woorden op papier zetten is niet zo moeilijk; zich eraan houden is wat anders.
Het historische verslag biedt wat dit betreft een tegenstrijdig beeld. In veel gevallen zijn de verkondigde vrijheden heel behoorlijk nageleefd en in stand gehouden. In andere gevallen zijn ze op mensonterende wijze veronachtzaamd.
Aan de positieve kant kan men zeggen dat de basisideeën die ten grondslag liggen aan de vrijheid van meningsuiting, religie, drukpers en vergadering, goeddeels zijn gehandhaafd, soms evenwel met een harde strijd tot voor de rechtbanken aan toe.
Een strijd
Religieuze minderheidsgroepen hebben het vaak zwaar te verduren gehad wanneer zij hun recht op vrijheid van religie in de praktijk wilden brengen. Aan het eind van de jaren ’30 en het begin van de jaren ’40 kwamen Jehovah’s Getuigen bijvoorbeeld aan hevige vervolging bloot te staan. Niet alleen dat het gepeupel gewelddadige acties voerde, maar ook bevooroordeelde functionarissen trachtten hen hun grondwettelijke rechten te ontnemen.
Het gevolg was dat Jehovah’s Getuigen tal van wettelijke zaken bij het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten aanhangig hebben moeten maken. En gelukkig heeft deze hoogste rechterlijke instantie met de ene na de andere beslissing de onderdrukkende krachten weerstaan en daarmee vrijheid van religie gewaarborgd.
Die vrijheid is een rechtstreekse zegen gebleken voor het wereldomvattende predikingswerk van Jehovah’s Getuigen, aangezien hun hoofdbureau in de Verenigde Staten is gevestigd. En er bestaat geen twijfel over dat de basisvrijheden van religie, meningsuiting, vergadering en drukpers alle religies in het land na aan het hart liggen.
Hoe schril is dan soms het contrast met andere landen. Men hoeft slechts te denken aan het verbod op het predikingswerk in het Duitsland van Hitler, of hoe nu in communistische landen en een aantal andere dictatoriaal bestuurde staten de vrije aanbidding van God is verboden en zulk werk niet openlijk verricht kan worden.
Er is dus heel wat intensieve strijd gevoerd om de zo gewenste vrijheden te behouden. In de Verenigde Staten bestaan ze nog steeds.
Beter dan geen vrijheid
Het is beter bepaalde misbruiken van vrijheid te tolereren dan helemaal geen vrijheid te hebben. Een voorbeeld hiervan vormde de viering van het 2e-eeuwfeest zelf. Terwijl aan de ene kant tal van groeperingen waardige bijeenkomsten hielden in verband met de 200e verjaardag van het land, waren er anderen die er een geldelijk slaatje uit sloegen.
In U.S. News & World Report stond hierover: „Als iedereen niet voorzichtig is, zal dit jaar misschien in de herinnering blijven voortleven als de 200e herdenkdag van de Amerikaanse marskramer. Bepaalde handelspogingen om nog een graantje mee te pikken van de 200-jaar-viering beginnen absurde proporties aan te nemen.”
Het nieuwsblad berichtte daarna dat men „Bicentennial-T-shirts, en -ijsemmers,” kon kopen, „modellen van de stoel van John Hancock, splinters van het houtwerk van de oorspronkelijke Onafhankelijkheidszaal, replica’s van de pistolen van George Washington, Bicentennial-balpennen, een toiletpot in de kleuren van de Amerikaanse vlag, en een afvalzak met de Vrijheidsklok erop”.
Ook de Wall Street Journal berichtte: „Droevig genoeg heeft de viering al meer dan voldoende . . . vulgaire handel gebracht, onder de dekmantel van patriottische kleuren.”
Historische plekjes trokken stromen toeristen, waarbij soms echter de rechten van de daar wonende mensen weinig werden gerespecteerd. In een bepaalde buurt in Philadelphia dromden de mensen samen in historische straten, gluurden door de ramen van particuliere huizen en bezaaiden de straten en stoepen met afval.
Eén vrouw vertelde hoe ze ten slotte in wanhoop een manier vond om de toeristen weg te houden; ze ging te rade in de geschiedenis en begon zich toen op dezelfde manier van haar afval te ontdoen als sommigen van haar koloniale voorouders dat hadden gedaan: door het vanuit het bovenraam te werpen! „Als dat de toeristen niet weghoudt, weet ik het niet meer”, aldus haar commentaar.
In sommige streken wilde men graag dat mensen ter viering van het feest in bepaalde kleuren gekleed gingen of hun haar volgens een bepaalde stijl lieten knippen. Mensen tot zoiets dwingen, zou echter een vertreding zijn van de vrijheden die juist met het tweehonderdjarig bestaan werden herdacht.
Wanneer natuurlijk bepaalde misbruiken ondraaglijk worden, kan men altijd naar de rechter stappen. Die is verplicht de grondwettelijke vrijheden te beschermen. Maar opnieuw: beter enig misbruik van vrijheid dan helemaal geen vrijheid.
Ja, vrijheid, dat is het voorrecht geweest van velen in het land. Voor anderen zijn die nobele vrijheidsidealen in de Onafhankelijkheidsverklaring echter holle klanken gebleven. Voor wie? En waarom?
[Inzet op blz. 5]
Velen genoten inderdaad van de vrijheid, maar anderen werden er het slachtoffer van