Pijnlijke problemen uit het verleden
ER ZIJN ernstige problemen geweest toen het aankwam op het toepassen van de vrijheden die in de Onafhankelijkheidsverklaring en de Grondwet stonden beloofd. Pijnlijke problemen waren het soms, die in de ogen van bepaalde historici een blijvende en tragische smet op het blazoen van de Verenigde Staten hebben geworpen.
Eén waarnemer merkte op dat de Amerikanen tijdens het eeuwfeest hoofdzakelijk gevoed zijn met honingzoete, vergulde versies van hun geschiedenis. „Waarmee ik bedoel dat er ook andere waarheden zijn te vertellen”, aldus zijn woorden. Een eerlijke beschouwing van tweehonderd jaar geschiedenis kan aan enkele van die waarheden niet voorbijgaan.
Wat werd er bijvoorbeeld ook weer op 4 juli 1776 afgekondigd? Onder andere dat „alle mensen gelijk zijn geschapen” en dat zij „door hun Schepper met bepaalde onvervreemdbare rechten zijn begiftigd, waartoe behoren: leven, vrijheid en het nastreven van geluk”. De Grondwet garandeerde de basisvrijheden van meningsuiting, drukpers, religie en vergadering, terwijl amendement IV ook nog luidde: „Het recht van mensen om veilig te zijn met betrekking tot hun persoon, huis, papieren en goederen, voor onredelijke huiszoekingen en inbeslagnemingen, dient geen geweld te worden aangedaan.”
Dat zijn bij elkaar nobele beginselen. En voor veel mensen hebben ze ook gegolden. Maar, zoals de historici aantonen, niet voor allen.
Een gewelddadig verleden
De oprichting bijvoorbeeld van de Verenigde Staten zelf door de Europese kolonisten, ging gepaard met een vertrapping van bijna al die voortreffelijke idealen en beginselen ten aanzien van degenen die al lang voordien in het land woonden; de kolonisten eisten deze vrijheidsrechten wel voor zichzelf, maar onthielden ze aan de oorspronkelijke Amerikaanse bevolking.
Het ’recht van mensen om veilig te zijn met betrekking tot hun persoon, huis en goederen en voor onredelijke huiszoekingen en inbeslagnemingen’ was niet van toepassing op de Indianen die het land al eeuwen vóór de kolonisten hadden bewoond. Het is een bekend geschiedkundig feit dat de hele Indiaanse bevolking grotendeels is uitgeroeid. De gedecimeerde stammen werden naar reservaten verdreven en genoten pas in 1948 in alle staten stemrecht.
Ja, de Indianen werden als „wilden” beschouwd. Ze hadden oorlogen onder elkaar en de ene stam probeerde over de andere stam te heersen, terwijl ze bovendien hardnekkige en gewelddadige tegenstand boden aan de blanke kolonisten. Dat is allemaal waar. Niettemin mag men de vraag stellen of de Amerikanen zelf niet even bloedig weerstand zouden hebben geboden aan elke buitenlandse mogendheid wanneer die tijdens hun Burgeroorlog van 1861 tot 1865 zou hebben ingegrepen om aan die barbaarse ’stammenoorlog’ tussen het Noorden en Zuiden een eind te maken en wat meer „beschaving” in het land te brengen.
Nòg zijn er uit de mond van Indiaanse woordvoerders bittere woorden te horen. Vernon Bellecourt, een leider van de Amerikaanse Indianenbeweging, vond dat de Amerikanen hun 200-jarig bestuur als een „schandalig bedrog” moesten zien, en achtte het ongepast wanneer Indianen het twee-eeuwen-feest zouden vieren, want, aldus zijn woorden, ’wij hebben niets meer te vieren . . . sinds de blanke kolonisten de oorspronkelijke Amerikanen hun soevereine rechten en grond hebben afgenomen’.
Bepaalde autoriteiten geloven dat het gewelddadige Amerikaanse verleden nog altijd van invloed is op de tegenwoordige tijd. De Denver Post verklaarde: „Het ernstigste punt, zo lijkt wel, is de vraag met betrekking tot de aard van de Amerikaanse samenleving. Sinds de dagen van de pioniers heeft ze heel wat geweld gekend, dat is onmiskenbaar. En de eeuwenlange ’oorlog’ tegen de Amerikaanse Indianen heeft hier geen goed aan gedaan. De Europeanen kwamen als indringers en roofden maar al te vaak met geweld de grond en bezittingen van anderen, ja, hebben hele samenlevingen van andere mensen vernield. Deze gewelddadige trekken zijn nog altijd aanwezig.”
Een pijnlijke schandvlek op het Amerikaanse verleden is daarnaast de instelling geweest van de slavernij.
Waarom slavernij?
Toen de eerste kolonisten het grondgebied van de Indianen ’overnamen’, zagen zij zich plotseling in het bezit van grote gebieden met rijke mogelijkheden. In de zuidelijke kolonies waren het klimaat en de bodem goed voor de verbouw van tabak, rijst, suikerriet en katoen.
Maar wie zou al het werk op de landerijen gaan doen? De betrekkelijk kleine groep Europeanen bood niet voldoende werkkrachten. En bovendien was het werk weinig aantrekkelijk. Wat was het antwoord? Zwarte slaven, ontvoerd uit Afrika!
Velen hebben zich afgevraagd hoe een land dat uitging van de beginselen dat „alle mensen gelijk zijn geschapen” en dat allen het „onvervreemdbare recht” op „leven, vrijheid en het nastreven van geluk” hebben en beschermd dienen te zijn tegen „onredelijke huiszoekingen en inbeslagnemingen”, de slavernij ooit heeft kunnen goedkeuren. Een van de grieven die in de Onafhankelijkheidsverklaring nog eens met zoveel woorden stond vermeld, was het ’gevangennemen van burgers en hen dwingen tot dienst voor de [Britse] koning’. Maar zwarten gevangen nemen en hen tot slavendienst dwingen, daarin werd door de schrijvers van die nobele woorden geen enkel bezwaar gezien.
Het probleem illustreert hoe diep ingeworteld zelfzuchtige verlangens bij alle mensen zijn, en geld verdienen is daar één van; veel geld verdienen, ook al gaat dat ten koste van anderen. In het Amerikaanse verleden bleek dat verlangen vaak krachtiger dan alle nobele principes op papier, net zo goed als dit trouwens nu nog het geval is.
Natuurlijk begon de slavernij niet in 1776. De eerste zwarte slaven kwamen al ongeveer 150 jaar eerder in Jamestown aan. Aan de vooravond van de Onafhankelijkheidsverklaring telde de zwarte bevolking 500.000 zielen, onder een totale bevolking van 2.600.000 personen. Ruim 90 percent van deze zwarten woonden in het Zuiden.
Thomas Jefferson, die kan gelden als de hoofdontwerper van de Onafhankelijkheidsverklaring, had zich als jong advocaat reeds tegen de slavernij uitgesproken. Maar zelf bezat hij ook slaven. Hierover stond in het tijdschrift Ebony: „Dat hij de slavernij kon veroordelen maar er terzelfder tijd ook van profiteren, was typerend voor de verlichte jonge revolutionairen van die tijd.” Geschiedkundige bronnen getuigen ervan dat Jefferson te Monticello (Virginia) op een landgoed van honderden hectaren 200 slaven had werken.
Patrick Henry, die de slavernij een weerzinwekkende situatie noemde, zei niettemin: „Ik ben de eigenaar van slaven die ik zelf heb gekocht!” Het antwoord op de vraag waarom, kan men wellicht uit zijn volgende zin halen: „Ik heb me laten overhalen door het ongemak wanneer men ze hier niet heeft.”
Twee jaar later hield Patrick Henry zijn beroemde rede waarin hij over de komende breuk met Engeland verklaarde: „Geef mij de vrijheid of de dood!” Ongetwijfeld waren veel slaven een zelfde mening toegedaan.
Ten slotte afgeschaft
De gemoederen raakten met betrekking tot de slavernij steeds meer verhit, en velen zagen het als een principiële onrechtvaardigheid in een land dat zich opwierp als de kampioen van de vrijheid.
Veel Amerikanen die beweerden volgelingen te zijn van Jezus Christus, konden de aanhoudende slavernij van medemensen moeilijk meer rijmen met Jezus’ befaamde ’gulden regel’: „Alle dingen dan die gij wilt dat de mensen voor u doen, moet ook gij insgelijks voor hen doen.” — Matth. 7:12.
Tegen de tijd van de Burgeroorlog, die in 1861 begon, bestonden de Verenigde Staten uit vierendertig staten, waaronder vijftien slavenstaten. Elf daarvan scheidden zich ten slotte af om de Zuidelijke Confederatie te vormen; vier slavenstaten voegden zich aan de kant van de Noordelijken.
In 1863 vaardigde president Abraham Lincoln zijn Emancipatieproclamatie uit. Daarin stond dat de slaven in de Geconfedereerde staten als vrij werden beschouwd. Pas in 1865 werd echter in alle staten, met de aanneming van amendement nummer 13 op de grondwet, de slavernij volledig afgeschaft.
Amendement 15 gaf de zwarte bevolking in 1870 het recht om te stemmen. Maar dat had voor de meesten weinig te betekenen. Sommige staten eisten bijvoorbeeld een stembelasting, waaraan men eerst moest voldoen voor men mocht stemmen. Natuurlijk konden arme zwarten, en trouwens ook arme blanken, die belasting niet opbrengen. Daarom werd in 1964 amendement 24 aangenomen, waarin de stembelasting voor de nationale verkiezingen werd verboden. En in 1966 verklaarde het Hooggerechtshof zo’n belasting in verband met alle verkiezingen onwettig.
Veel staten verleenden het stemrecht ook alleen maar aan personen die voor een lees- en schrijftest slaagden. Veel zwarten, maar ook blanken, waren daartoe niet in staat. Pas in 1970 verbood de regering dergelijke tests als een vereiste bij verkiezingen.
Ja, alle onrechtvaardigheden die zich tijdens meer dan 350 jaar slavernij hebben opgehoopt, werpen een zware smet op de Amerikaanse geschiedenis. Tot op de dag van vandaag is het land nog niet van alle gevolgen ervan hersteld.
Vrouwen met een andere kijk
Ook een aantal vrouwen beweren dat zij in bepaalde gebieden wel heel lang op de geproclameerde vrijheden bij de geboorte van de natie hebben moeten wachten. Deze vrouwen wijzen op het feit dat bijna anderhalve eeuw lang vrouwen niet het recht hebben gehad om te stemmen.
Dat is volgens hen echter volledig in strijd geweest met Lincolns verklaring dat het land een regering zou hebben „van het volk, voor het volk en door het volk”. Door vrouwen het stemrecht te onthouden, zou men de helft van de bevolking een recht ontzeggen dat de „founding fathers”, de stichters van Amerika, aan het hele volk hadden toegekend. In 1920 werden hun eisen dan ook ingewilligd en kregen de vrouwen kiesrecht.
Bepaalde vrouwen zijn echter nog lang niet tevreden en stellen bijvoorbeeld dat vrouwen van hun werkgevers niet dezelfde achting en hetzelfde respect ontvangen als hun mannelijke collega’s, en evenmin gelijk betaald worden voor hetzelfde werk, zelfs niet wanneer de vrouw in kwestie kostwinster is van het gezin. Eén vrouw schetste de situatie van de werkende vrouw als: „Het laatst aangenomen en het eerst weer op straat gezet.”
Natuurlijk denken niet alle Amerikaanse vrouwen er zo over. Maar de meesten zijn toch wel blij met de verbeteringen die er zijn gekomen in de werkomstandigheden nadat er bepaalde wetten zijn aangenomen om de werkende vrouw tegen uitbuiting en willekeur te beschermen.
Het pad der vrijheid is de afgelopen 200 jaar dus niet over rozen gegaan en heeft heel wat oneffenheden gekend. Bepaalde groepen van de bevolking hebben een hoge mate van vrijheid genoten, en dit is zeer op prijs gesteld; anderen hebben echter zwaar geleden onder grotere en kleinere vormen van onderdrukking. En ondanks het rechttrekken van heel wat onrechtvaardigheden, is het land nog steeds niet vrij van alle wrange vruchten der ongelijkheid.
[Illustratie op blz. 7]
De eerste Europeanen ruilden vreedzaam goederen voor wat zij wilden hebben. Maar het duurde niet lang of zij gingen hun verlangens kracht bijzetten met geweld
[Illustratie op blz. 8]
De voortreffelijke beginselen van vrijheid en gelijkheid golden niet voor de slaven