De Wereldraad van Kerken — een tegen zichzelf verdeeld huis
EEUWENLANG zijn de religies van de christenheid reeds verdeeld geweest. Dat is niets nieuws. Wel kan men echter stellen dat de versplintering van de christenheid nog nooit zo groot is geweest. Steeds meer religies beweren christelijk te zijn.
Maar ook al zeggen ze dat en beweren ze dezelfde God te aanbidden, toch houden ze er allemaal afwijkende leerstellingen, religieuze gewoonten en politieke meningen op na. Zelfs binnen dezelfde kerk is men vaak zwaar verdeeld, wegens ras of nationaliteit, of door financiële en sociale barrières.
Deze verdeeldheid heeft in oorlogstijd al de grote tegenstrijdigheid geschapen dat leden van dezelfde religie en ook anderen, die allen beweerden volgelingen van de „Vredevorst” te zijn, elkaar hebben afgeslacht.
Pogingen tot hereniging
Zulke in het oog lopende tegenstrijdigheden hebben veel mensen van de kerken — en van God — afgekeerd. Vandaar ook dat er diverse pogingen zijn ondernomen om de geesten te verzoenen en de breuklijnen te dichten. Een van die herenigingspogingen is de vorming geweest van de Wereldraad van Kerken.
De Raad werd in 1948, in Amsterdam, in het leven geroepen, met het hoofdbureau in Genève, Zwitserland. Ze bestaat momenteel uit 286 grotere kerkorganisaties die naar schatting 400 tot 500 miljoen leden vertegenwoordigen — protestanten, anglicanen, oosters-orthodoxen en oud-katholieken.
Tegen het eind van 1975 hield de Wereldraad haar vijfde algemene vergadering of assemblée, en dat voor de eerste maal in Afrika, in Nairobi (Kenya). Alle lidkerken waren door 747 stemgerechtigde afgevaardigden vertegenwoordigd, terwijl andere religies, waaronder joden, hindoes, boeddhisten, moslims en rooms-katholieken waarnemers hadden gezonden. Paus Paulus VI zond een groetboodschap.
Het thema van de vergadering was „Jezus Christus bevrijdt en verenigt”. Dr. Philip Potter, de secretaris-generaal, sprak over het „zoeken naar kerkelijke eenheid”.
Diepe verdeeldheid
Al bij de aanvang werd duidelijk dat er met betrekking tot een aantal punten diepe verdeeldheid bestond, die geen enkele ruimte voor verzoening liet. Een van die punten had te maken met de gewijzigde opbouw van de algemene vergadering.
In voorgaande vergaderingen hadden afgevaardigden van Westeuropese en Noordamerikaanse kerken de gang van zaken beheerst, maar nu waren het de vertegenwoordigers van kerken uit Azië, Afrika, Latijns-Amerika, de Zuidzee-eilanden en het door de Sovjet-Unie beheerste Oost-Europa, die de stemmenmeerderheid bezaten.
Van de 747 afgevaardigden op deze religieuze conferentie, waren 439 afkomstig uit „Derde Wereld”-landen (ontwikkelingslanden) en communistische staten. Te zamen maakten ze bijna 60 percent van het totale aantal afgevaardigden uit.
Deze gewijzigde samenstelling trad al snel bij heel wat kwesties aan het licht. Gewoonlijk was het zo dat de Westeuropese en Noordamerikaanse kerken hun steun verleenden aan de sociale, economische en politieke koers van het Westen. De kerken van de Derde Wereld en de communistische landen hingen echter andere denkbeelden aan.
Hoe groot de tegenstellingen wel waren, trad bijvoorbeeld aan het licht toen een Afrikaanse afgevaardigde er de beschuldiging uitgooide: „Ik geloof dat er een samenzwering gaande is om deze hele vergadering in het gareel van de Noordamerikanen en Europeanen te laten lopen, omdat die het geld hebben.” Door de nieuwe meerderheid gebeurde dat echter niet.
Een ander blijk van de „oost-west-spanningen” werd gesignaleerd door het tijdschrift Newsweek. Volgens dit blad stelde een Liberiaanse kerkafgevaardigde „de meest omstreden eis van de hele vergadering”, namelijk: „Een vijfjarige stop op het zenden van blanke zendelingen naar Afrika.” De vijandigheid van bepaalde Afrikaanse kerkmensen ten opzichte van hun Amerikaanse en Europese collega’s was maar al te duidelijk.
Verdeeld over de ’bevrijdingsstrijd’
Een bittere twistappel vormde ook de ’bevrijdingsbewegingen’. De stemming ten opzichte van deze kwestie werd reeds in het begin aangegeven in de openingstoespraak van Dr. R. Brown, een hoogleraar in de theologie aan de universiteit van Californië.
Ofschoon afkomstig uit een Westers land, wees Brown erop dat „het idee van Jezus Christus als bevrijder van de mensheid, nooit veel troostrijke betekenis had gehad voor degenen die in de geschiedenis als onderdrukkers naar voren zijn getreden, de ’blanken’ bijvoorbeeld, die als ras zoveel gekleurde rassen in de wereld overwonnen, onderdrukt en uitgebuit hebben”.
Zijn woorden wekten de woede van Westerse kerkmensen. Maar naarmate ook andere sprekers aan de beurt kwamen, werd het steeds duidelijker dat de meerderheid van de Wereldraad voorstander was van een voortzetting van de ’bevrijding van het Westerse imperialisme’. Dat thema was op de bijeenkomst daarvoor, in 1968, te Uppsala in Zweden, aangenomen.
Aangaande dat onderwerp stond in de Seattle Times: „In die veranderde situatie kon men de bevolking van de onderontwikkelde landen horen spreken. En zij spraken zonder een blad voor de mond te nemen tot de ontwikkelde landen. Wat zij te zeggen hadden, droeg waarschijnlijk het zaad in zich van nieuwe debatten, confrontaties en tegenstellingen.” Dit artikel sprak voorts nog over „het sterke gevoel bij de niet-ontwikkelde wereld dat de ontwikkelde wereld bezig is hen van hun natuurlijke hulpbronnen te beroven”.
Het kwam dan ook niet als een verrassing toen een speciale commissie de aanbeveling deed dat de Wereldraad „haar hulp aan guerrilla-groepen overal ter wereld en vooral in zuidelijk Afrika, dient op te voeren”. Dergelijke steun was reeds goedgekeurd te Uppsala, toen de raad het „Programma ter bestrijding van het racisme” in het leven had geroepen. In het kader van dat programma zijn reeds gelden gedirigeerd naar diverse guerrilla-bewegingen.
In zijn uitgave van 2 januari 1976 gaf het tijdschrift Christianity Today het bestaan van zulke fondsen toe en ook dat de assemblée een motie had afgewezen „om schenkingen van het programma ter bestrijding van het racisme aan niet-gewelddadige actiegroepen te beperken”.
In dezelfde publikatie werd echter ook opgemerkt dat „de Marxistische regering” in Moçambique, een van de regeringen „die door de Wereldraad aan de macht was geholpen”, desondanks „een hard standpunt ten opzichte van de kerken en met name ten opzichte van buitenlandse zendelingen had ingenomen”. Bepaalde Westerse afgevaardigden zagen deze steun aan bevrijdingsbewegingen dan ook als een antiproduktieve zaak.
De tragische resultaten van de verdeeldheid onder de kerken, werd door de presbyteriaanse geestelijke Gordon Gray van Ierland nog eens onder de aandacht van de Wereldraad gebracht, met de woorden: „Vanuit Ierland hebben we aan de wereld een Jezus Christus bekendgemaakt die in slavernij voert en verdeeldheid brengt. Zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de Protestantse Kerken bemerken dat ze gevangen zitten in een politieke, sociale, culturele en religieuze verdeeldheid, die we zelf hebben helpen opbouwen en in stand houden. En toen de snelle afbraak van onze samenleving riep om een profetisch woord van de Heer, ontdekten we dat we het over de inhoud van dat woord niet eens konden worden.”
Nog meer verdeeldheid
Een ander terrein waarop wel bleek hoe ernstig verdeeld de Wereldraad was, had te maken met religieuze vrijheid. Bepaalde Westerse afgevaardigden probeerden een resolutie erdoor te krijgen, waarin landen werden veroordeeld die geen religieuze vrijheid kenden.
De bedoelde strekking van die veroordeling werd echter duidelijker toen een orthodoxe priester opmerkte: „Mensen worden in zogenaamde socialistische landen gedood en vermoord.” Het was duidelijk dat vooral de Sovjet-Unie het doelwit van deze veroordeling vormde.
De beoogde veroordeling ondervond echter bittere tegenstand. De National Catholic Reporter sprak over „de haat tussen Oost en West toen het Westen de bedreigingen van religieuze vrijheid in de Sovjet-Unie wilde specificeren”. Ten slotte werd er een ’verwaterde’ versie van het voorstel aanvaard.
Maar had de Wereldraad-assemblée werkelijk belangstelling voor religieuze vrijheid? Nee, want ze negeerde een van de meest flagrante en wijdst bekende voorbeelden van religieuze onderdrukking in de moderne tijd. En wel de massale terreurcampagne tegen Jehovah’s Getuigen in Malawi, die aan moord, marteling, verkrachting en verbanning staan blootgesteld.
Het Duitse blad Bild merkte op: „Dit zou een goede gelegenheid zijn om te protesteren tegen de vervolging van christenen in bepaalde Afrikaanse landen. In Malawi bijvoorbeeld, waar Jehovah’s Getuigen zijn geslagen en hun vrouwen zijn verkracht. Wat deed de Wereldraad van Kerken? Ze besloot zeven banken te boycotten (waaronder de Deutsche Bank) omdat deze zaken deden met Zuid-Afrika. Politiek met bankbiljetten, in plaats van hulp voor broeders in nood — dat is ook een geloofsovertuiging, maar dan een hele slechte.”
In de Washington Star vroeg redacteur W. F. Willoughby zich met betrekking tot de vervolging van Jehovah’s Getuigen en de Wereldraad af: „Zal de Wereldraad deze schrijnende, maar wel uiterst geschikte gelegenheid aangrijpen? Indien niet, dan zal elke andere uitspraak die ze tegen onderdrukking doet — op grond van religie, ras of anderszins — weinig overtuigend meer klinken.”
De Wereldraad ’greep de gelegenheid niet aan’. Pas een half jaar later en nadat de pers met een stroom gegevens over de gruwelijke vervolging was gekomen, heeft de Wereldraad van Kerken in een brief aan president Banda van Malawi haar bezorgdheid over de vervolging van Jehovah’s Getuigen uitgesproken.
Geen eenheid
Ja, de vijfde algemene vergadering van de Wereldraad van Kerken toonde iets heel duidelijk aan, en wel dat het huis van de christenheid erger verdeeld is dan ooit.
De secretaris-generaal van de Wereldraad, de heer Potter, merkte op dat er „geen treffende nieuwe ideeën of gedachten naar voren waren gekomen”, en dat pogingen voor het bereiken van eenheid „nog op zich lieten wachten”. De Christianity Today voegde hieraan toe: „Die aanklacht tegen het standpunt van de Wereldraad van Kerken, gedaan door haar eigen secretaris-generaal, was een samenvatting van de gevoelens die er bij vele afgevaardigden op de laatste dag van de vijfde vergadering aanwezig waren.”
Newsweek maakte de opmerking: „Het was duidelijk dat de Wereldraad door haar innerlijke disputen haar image in zowel het Westen als de Derde Wereld had verzwakt. En te midden van haar politieke gekrakeel, leek het alsof de organisatie volledig het gezicht op haar voornaamste religieuze doelstelling had verloren: christenen van over de gehele wereld in een verenigd front samen te voegen.”
Toch zouden volgens de bijbel — de basis van het christendom — alle ware christenen „in overeenstemming met elkaar” moeten spreken. — 1 Kor. 1:10.
De bijbel verklaart ook dat degenen die belijden God te dienen, maar hun geestelijke broeders haten, leugenaars zijn, terwijl zij die hun broeders doden, als kinderen van de Duivel worden geïdentificeerd. — 1 Joh. 4:20, 21; 3:10-12.
Het was dan ook weinig verwonderlijk dat rubriekschrijver Jeffrey schreef: „De vijfde vergadering van de Wereldraad van Kerken, in plechtige vergadering te Nairobi bijeen, bood een misselijk makende aanblik van moreel en geestelijk verval.”
Deel van de wereld
De vergadering bewees ook dat de kerken ver verwijderd waren geraakt van de ware christelijke leer; zij kwamen immers overeen nog verder bij de politieke aangelegenheden van deze wereld betrokken te raken. The Christian Century berichtte: „Het wel of niet zijn in de wereld — dat is niet de vraag. De vraag is waar die betrokkenheid moet ophouden, bij het hoofd of bij de voeten. De vergadering koos voor het maximum.”
Een bevestiging hiervan vormen nog de woorden van een van de nieuwgekozen presidenten van de Wereldraad, de Russisch-orthodoxe metropoliet Nikodim, de aartsbisschop van Leningrad. Hij was het eens met de hulp van de Wereldraad aan bevrijdingsbewegingen en verklaarde: „Als een van de presidenten voel ik mij nu nog veel meer bij dit soort van werk betrokken.”
Toch zei Jezus dat zijn ware volgelingen „geen deel van de wereld” zouden zijn (Joh. 17:16). Gods Woord verklaart ook: „Wie daarom een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God.” — Jak. 4:4.
De kerken hebben inderdaad Gods Woord en voornemen verworpen. Zij hebben de enige hoop voor de mensheid, Gods hemelse koninkrijk, en de nieuwe ordening die het op deze aarde zal brengen, de rug toegekeerd.
Waarheen?
De verdeelde situatie in de Wereldraad van Kerken laat wel zien dat God er in de verste verte niet zijn steun aan verleent. „God is geen God van wanorde, maar van vrede.” — 1 Kor. 14:33.
Integendeel, de Babylonische spraakverwarring op het gebied van leerstellingen en praktijken, die in strijd zijn met Gods wil, identificeren haar als een deel van de hoer „Babylon de Grote”, waarover in Openbaring hoofdstuk 17 wordt gesproken. En haar toekomst is duidelijk. Die profetie laat zien dat ze op weg is naar de totale vernietiging door de hand van degenen met wie zij nu hoererij bedrijft, de politieke machten van deze wereld. — Openb. 17:16.
Jezus voorzei: „Iedere stad of ieder huis, tegen zichzelf verdeeld, zal geen stand houden.” En dat zal evenmin het geval zijn met het verdeelde huis van de Wereldraad van Kerken. — Matth. 12:25.