Hoe beziet God de Nationale Raad van Kerken in Amerika?
DE NATIONALE RAAD VAN KERKEN in Amerika is de grootste bond van godsdiensten in de Verenigde Staten. Men zegt dat ze uit 33 protestantse en orthodoxe sekten met een gezamenlijk lidmaatschap van ongeveer 42 miljoen personen bestaat.
Deze kerken zeggen dat ze God vertegenwoordigen. Men zou dus mogen verwachten dat de Raad in overeenstemming is met Gods vereisten, want Gods eigen Woord zegt: „Dit betekent de liefde tot God, dat wij zijn geboden onderhouden.” — 1 Joh. 5:3.
Het was daarom interessant in de New York Times van 5 december 1969 het volgende te lezen: „Mevrouw Theodore O. Wedel, een 61-jarig voormalig bestuurslid van de kerk, heeft vandaag een militante negerkandidaat verslagen en is de eerste vrouwelijke presidente van de Nationale Raad van Kerken geworden.” Mevrouw Wedel is lid van de Episcopale Kerk, maar de Times merkte op: „De Episcopale Kerk is een van de weinige protestantse denominaties in het land die nog altijd weigert vrouwen aan te stellen.”
De leden van de Episcopale Kerk bevinden zich dus in een dilemma. Zij stellen geen vrouwen als kerkleidsters aan en toch is een van hun vrouwelijke lidmaten thans het hoofd van de organisatie waar zij deel van uitmaken.
Toen God de man en de vrouw schiep, rustte hij elk van hen toe met wonderbare geestelijke en lichamelijke hoedanigheden om hun respectieve rol te vervullen. God schiep de man om hoofd van het gezin te zijn: „De man is het hoofd van zijn vrouw” (Ef. 5:23). De vrouw was buitengewoon geschikt voor het vervullen van haar taak — die van echtgenote en moeder.
Wij lezen echter ook: „Het hoofd van iedere man [is] de Christus” en ’God is op zijn beurt het hoofd van de Christus’ (1 Kor. 11:3). In de christelijke gemeente moeten mannen de leiding nemen. Zij mogen echter niet proberen de rol van Christus over te nemen door op te treden alsof zij middelaars tussen hun medeaanbidders en God zijn (1 Tim. 2:5). Op dezelfde wijze zijn vrouwen niet door God gemachtigd de rol van mannen over te nemen om in de christelijke gemeente voor te gaan en te onderrichten. Gods Woord zegt: „Ik sta een vrouw niet toe te onderwijzen of autoriteit te oefenen over een man” (1 Tim. 2:12). En: „Het strekt een vrouw tot schande in een gemeente te spreken”, dat wil zeggen op een wijze die een uitdaging vormt voor de positie van de man als hoofd. — 1 Kor. 14:35.
Maar als er nu dingen zijn die de vrouw niet begrijpt, wat dan? In plaats van te redetwisten met degenen aan wie God de toewijzing heeft gegeven, zegt Gods Woord: „Indien zij dan iets willen leren, moeten zij thuis hun eigen man ernaar vragen.” U.S. News & World Report van 15 december 1969 verklaart: „Debatten over vraagstukken als ’black power’, de oorlog in Vietnam en dienstweigering doen ernstige vragen rijzen omtrent de toekomst van de Nationale Raad van Kerken.” Deze debatten worden nu voorgezeten door een vrouw, hetgeen in strijd is met het beginsel dat alleen mannen in de christelijke gemeente de leiding mogen hebben.
Hoe staat het er in andere opzichten met de Raad voor? Begin 1969 praatte een commissie van de Raad gewelddadig optreden van studenten goed in de mening dat „God op de een of andere manier te midden van deze bewegingen aanwezig is, en wij zijn bereid en geneigd hierin Zijn schepping van een nieuwe ordening te zien”. De bijbel leert dit echter nergens. Jezus heeft geen communisme, kapitalisme, socialisme, revolutie of welke filosofie van dien aard maar ook bevorderd. Hij leerde dat God alle huidige stelsels door Gods koninkrijk zal vervangen. — Matth. 6:10; Dan. 2:44.
Jezus gebood christenen ’dit goede nieuws van het koninkrijk op de gehele bewoonde aarde tot een getuigenis voor alle natiën te prediken, en dan zal het einde komen’ (Matth. 24:14). Ten aanzien van de werkelijke taak van de Raad zeiden twee predikanten echter: „Het voornaamste doel van de Nationale Raad van Kerken is niet het evangelie van Christus te prediken . . . De Raad is een kerkelijk machtsblok geworden dat zich een machtige superkerk ten doel stelt die het instrument van revolutionaire, sociale en politieke verandering zou zijn.”
Dat de Raad zo ver van Gods geboden is afgedwaald, dient ons niet te verbazen als wij de geestelijke gezondheid van zijn lidmaatkerken in aanmerking nemen. Uit een onder de afgevaardigden van de Raad gehouden opinieonderzoek bleek dat 33 percent van hen eraan twijfelde of „God werkelijk bestaat” en 62 percent twijfelde eraan of de „wonderen werkelijk zo zijn geschied als de bijbel dit zegt”. Een predikant van de Episcopale Kerk zei over het Genesisverslag van de schepping: „Het is een mythe in de ware zin.” Een andere predikant beweerde dat de Tien Geboden ’ouderwets en van nul en gener waarde voor de moderne maatschappij waren’.
De episcopale theoloog J. Fletcher zei dat ’hoererij in sommige gevallen moreler kon zijn dan de liefde tussen gehuwde personen, liegen christelijker dan de waarheid spreken en stelen aanvaardbaarder dan het respecteren van persoonlijke bezittingen’. De episcopale predikant F. Wood zei tijdens een college in een meisjesuniversiteit: „Aan sex zijn geen wetten verbonden. Ik herhaal: absoluut geen wetten. . . . Voorechtelijke gemeenschap . . . kan heel mooi zijn.” En negentig geestelijken van de Episcopale Kerk bestempelden homoseksuele handelingen tussen volwassenen met wederzijdse instemming als „moreel neutraal” en verklaarden dat het zelfs ’goed’ kan zijn.
Gods Woord verklaart echter: „Wordt niet misleid. Noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch mannen die er voor tegennatuurlijke doeleinden op na worden gehouden, noch mannen die bij mannen liggen, noch dieven, noch hebzuchtige personen . . . zullen Gods koninkrijk beërven” (1 Kor. 6:9, 10). Gelooft u God, of de geestelijken die het tegenovergestelde zeggen van wat God zegt?
Een kerk die lid is van deze Raad is natuurlijk medeverantwoordelijk voor wat de Raad zegt en doet. En wat de Raad zegt en doet, is in strijd met Gods geboden. De Raad keert God dus eigenlijk de rug toe en is ervoor aansprakelijk dat ook anderen er door misleiding toe worden gebracht hetzelfde te doen.
En zou iemand die lid is van een kerk die tot de Raad behoort, kunnen denken dat hij God behaagt als hij deel blijft uitmaken van een stelsel dat ’door zijn vruchten’ heeft bewezen van God te zijn afgeweken en dat anderen ertoe brengt hetzelfde te doen? — Matth. 7:19, 20.