Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 22/8 blz. 11-13
  • Zingen was mijn lust en mijn leven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Zingen was mijn lust en mijn leven
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Uitgebreide opleiding
  • Beroepsstatus
  • Mijn zangcarrière
  • Een beter leven in zicht
  • Ten slotte: leven voor Gods nieuwe samenstel
  • De plaats van muziek in de hedendaagse aanbidding
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Zing met vreugde!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2017
  • De waarde van zingen in de ware aanbidding
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1987
  • Opera zingen is een kunst
    Ontwaakt! 2008
Meer weergeven
Ontwaakt! 1976
g76 22/8 blz. 11-13

Zingen was mijn lust en mijn leven

WAT was ik opgewonden, blij maar ook nerveus toen het moment voor mijn concert was aangebroken. Elke artiest, zelfs de veteraan in het vak, voelt zich aan het begin van een uitvoering nerveus, en ik maakte wat dat betreft beslist geen uitzondering. Mijn blijdschap en opgewondenheid waren echter omdat ik voor de eerste maal begeleid zou worden door mijn zoon, een talentvol pianist. Ons beider wens was in deze Oosteuropese gehoorzaal goed voor de dag te komen.

Op het vastgestelde moment bevonden we ons op de „bühne”, terwijl een directeur van de gehoorzaal mij en mijn zoon voorstelde aan het publiek. Over de voetlichten heen onderscheidde ik helder en duidelijk de gezichten van ons gehoor in de goed verlichte zaal. Daar zaten leraren te luisteren, verbonden aan de gehoorzaal, en tevens andere mensen met een aanzienlijke kennis van muziek. Zij verstonden ook Duits, de taal waarin ik zong, en konden dus zowel de woorden als de muziek volgen. Allen gaven ons hun onverdeelde aandacht.

Ik begon met selecties uit Brahms en zong daarna iets van Mozart en Schubert. Mijn zoon en ik speelden en zongen als een eenheid. Binnen een paar minuten was de zenuwachtigheid verdwenen, meteen eigenlijk toen ik voelde dat ik contact had met mijn publiek. Na elke vertolking volgde een enthousiast applaus. Aan het eind van het concert werd er lang en aanhoudend geklapt. Achter de coulissen mocht ik de felicitaties van vele bezoekers in ontvangst nemen.

Dat concert van alweer tien jaar geleden staat me nog helder voor de geest als een van de hoogtepunten in mijn carrière. Bijzonder aangename herinneringen heb ik ook aan een recent concert in Washington, D.C., dat ik in juli 1971 hield. Daar, en ook elders, ontdekte ik dat muziekliefhebbers van muziek en een goede vertolking houden, ook al verstaan ze de taal waarin wordt gezongen niet.

Als lyrische sopraan heb ik me gespecialiseerd in het zingen van klassieke en lichte opera-selecties. Dit vergt veel van de stem, vraagt een groot technisch kunnen en lange jaren van oefening. Maar zingen was mijn lust en mijn leven en heeft me geluk en vreugde gebracht.

Mijn vroege jeugd bracht ik door in Zuid-Duitsland, in de buurt van de Franse stad Straatsburg. Voor zover ik mij kan herinneren, heb ik altijd van zingen gehouden. Mijn moeder merkte dat ik een goede stem had en moedigde me verder aan. Mijn vriendinnen deden hetzelfde. Tegen de tijd dat ik twaalf was, zong ik mee in het school- en kerkkoor. Ook mocht ik rollen zingen bij schooluitvoeringen en kerstspelen.

Uitgebreide opleiding

Madame Mischkin van de Parijse opera was mijn eerste lerares. Begin 1946 reisde ik anderhalf jaar lang tweemaal per week naar Straatsburg om onder haar leiding te studeren. Als nieuwe leerlingen hadden we heel wat te leren, met als belangrijkste wel een juiste beheersing van onze adem. We moesten leren vanuit ons middenrif te ademen, zodat we ons ademvolume konden regelen en op de beste manier konden aanwenden om muzikale tonen voort te brengen.

Madame Mischkin mocht ons altijd graag herinneren aan het gemak waarmee een op straat wandelende hond zijn ademhaling regelt naar zijn bewegingen en vanuit zijn middenrif ademhaalt. Het was een moeilijk te verwerven kunst. Soms dachten we dat we haar meester waren, om later weer duidelijk te beseffen dat we haar nog bij lange na niet beheersten. Een juiste ademhaling stelt iemand in staat alles te zingen, ook een staccato van: „Ha! Ha! Ha! Ha! Ha!” Voor de volledige ontwikkeling van één bepaalde zangstem is wel twee of drie jaar oefening vereist.

Heel wat lessen werden, met begeleiding van piano, besteed aan het leren gebruiken van de zogenaamde „kopstem”. Dit is het hoogste register van de vrouwenstem, waarbij de tonen soms meer van de achterkant van het hoofd of de neus lijken te komen, dan uit de mond. Deze kopstem heeft bij juiste oefening zo’n draagkracht dat ze zonder versterking in de verste uithoeken van grote concertzalen of operagebouwen kan worden gehoord. Naarmate we vorderingen maakten, kregen we de toewijzing om in het huis van Madame Mischkin voor gasten van haar te zingen. Dit gaf ons oefening en zelfvertrouwen.

We moesten in allerlei standen leren zingen: staande, zittend, voorovergebogen, en zelfs vooroverliggend. In één opera zingt de stervende heldin haar laatste aria liggend op het toneel.

In 1948 nam ik les bij professor Salvatore Salvati aan het Mannheim-Conservatorium in Duitsland. Hier kwam mijn opleiding op een hoger niveau. Er werd speciaal op gelet of we wel noten konden lezen, hetgeen bij zingen erg belangrijk is. Ik had een „oor” voor muziek en vond het gemakkelijk een compositie te onthouden en de melodie of muziek te leren. De woorden kostten me altijd meer moeite.

Tijdens dat anderhalve jaar onder leiding van professor Salvati maakte ik grote vorderingen. Om mijn techniek en contact met mijn gehoor te verbeteren zong ik vaak in het schoolauditorium voor vrienden en medeleerlingen. Daarna begon ik openbare concerten te geven.

In 1951 trouwde ik. Mijn man had grote waardering voor muziek èn voor de kwaliteiten van mijn stem. Vandaar dat hij me aanmoedigde mijn zangcarrière voort te zetten en een verdere opleiding voor beroepszangeres te volgen. Daar ging ik graag op in, en niet lang daarna was ik aan het worstelen om mijn natuurlijke stemvermogens om te smeden tot die van een geoefend zangeres.

Beroepsstatus

Professor Hans Emge was mijn volgende zangleraar. Hij gaf les in Keulen, Düsseldorf en Karlsruhe en hielp mij de beroepsstatus te bereiken. Hij leerde me mijn eigen stem te analyseren en te beluisteren hoe ik zowel forte als pianissimo, erg luid en erg zacht, kon zingen.

Forte is voor een zanger met enige techniek niet zo moeilijk, maar pianissimo is een hele opgaaf. Men moet erg zacht kunnen zingen en toch nog voldoende resonantie weten op te brengen om in een hele zaal hoorbaar te zijn. Om dat te bereiken werden onze oefeningen steeds moeilijker en ingewikkelder.

Van de selecties die we zongen, was Mozart het moeilijkst. Iemand die Mozart goed kan zingen, heeft de top in zangbekwaamheid bereikt. Er was een tijd dat ik dacht dat het me nooit zou lukken. Maar ik bleef het proberen, ook toen ik niet meer onder de persoonlijke hoede van professor Emge kon staan. Ik maakte bandopnamen en zond die voor kritiek en suggesties naar hem toe. Ten slotte, na ongeveer zes jaar, verwierf ik mijn diploma.

Daarna studeerde ik nog drie jaar verder in Oost-Europa en legde daarmee de laatste hand aan mijn stembeheersing en algemene zangtechniek. Een bijzonder begaafd Roemeens componist gaf mij allerlei erg moeilijke dramatische oefeningen te zingen, ten einde alles uit mijn stem te halen wat erin zat. Behalve lyrische stukken, leerde ik dus ook dramatische voordrachten te zingen, dramatische aria’s bijvoorbeeld van Verdi en de Contessa uit Figaro. Net zolang liet hij me die stukken herhalen tot hij tevreden was. Ten slotte verwierf ik de beroepsstatus als lyrisch en dramatisch sopraan, met een certificaat van bevoegdheid om les te geven.

Mijn zangcarrière

Tijdens mijn opleidings- en beroepsjaren moesten we vanwege het werk van mijn man veel verhuizen. Maar zelden waren we meer dan drie jaar in één land. Aansluiten bij een operagroep was er dus niet bij, terwijl het evenmin mogelijk was contracten voor langere tijd aan te gaan; ik concentreerde me derhalve op soloconcerten, meestal liefdadigheidsconcerten, waarvan de opbrengst naar een liefdadige instelling ging, omdat geld verdienen me niet zoveel interesseerde. Het schonk me bovendien altijd veel voldoening op die manier iets tot een waardevol doel te kunnen bijdragen.

Ondanks mijn protestantse achtergrond, was ik weinig in kerk of religie geïnteresseerd, terwijl ik van de bijbel niet veel afwist. Niettemin voelde ik door de invloed van mijn moeder en de muziek die ik zong, toch altijd een bepaalde verbondenheid met God. De composities waarin ik mij specialiseerde, waren van componisten met een sterk religieuze inslag. Daardoor wist ik ook dat de naam van God Jehovah is. Franz Schubert heeft bijvoorbeeld een lied gecomponeerd met als titel: „Jehovah is groot.” Schumann gebruikte de naam Jehovah ook in „Belsazar”, net als Stradella dat deed in „Pietà, Signore!” Ik zong die liederen en deed zodoende toch veel kennis op over God.

Het leven was mij aangenaam, ook al bezag ik vaak met verdriet de armoede en barre levensomstandigheden van vele anderen, vooral wanneer we in Afrika woonden. Er was echter nog iets dat me bezighield. Ik kon namelijk maar niet rijmen dat de dood voor altijd een eind zou maken aan ons aardse bestaan. Ik genoot zo van het leven met mijn vrienden en mijn gezin dat ik het onrechtvaardig vond daar weer zo vlug afstand van te moeten doen.

Een beter leven in zicht

Van Jehovah’s Getuigen wist ik erg weinig, hoewel ik in Duitsland wel van hen had gehoord. In 1960 kreeg ik op Ceylon (nu bekend als Sri Lanka) echter twee Getuigen aan mijn deur. En hoewel mijn Engels erg beperkt was, genoot ik intens van hetgeen zij bespraken. Zij legden me uit dat de dood niet het einde hoefde te betekenen van onze aardse vooruitzichten, aangezien het Gods onveranderlijke voornemen is dat mensen voor eeuwig in een aards paradijs zullen leven.

Hoe trof mij die gedachte! Zo prachtig, maar ook zo redelijk. Dat Jehovah God de aarde door rechtvaardige mensen wil laten bewonen, bleek toch reeds uit het begin van de bijbel, waar staat dat hij het eerste mensenpaar volmaakt schiep en hen in een aards paradijs plaatste! Hoe blij was ik toen de Getuigen mij vertelden dat zo’n paradijs hersteld zou worden! Om dit te bevestigen lazen zij uit de bijbel een stukje uit het boek Openbaring voor (hoofdstuk 21, de verzen 3 en 4), waar staat:

„Toen hoorde ik een luide stem, afkomstig van de troon, zeggen: ’Zie, de tent van God is bij de mensen, en hij zal bij hen verblijven, en zij zullen zijn volken zijn. En God zelf zal bij hen zijn. En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.’”

Dat was duidelijke taal! Hier op aarde, waar wegens de ziekte of dood van geliefden reeds talloos miljoenen tranen zijn gestort, zullen deze beklagenswaardige zaken worden verwijderd! Het bracht vreugde in mijn hart te weten dat de bijbel de belofte van eeuwig leven op aarde geeft, zoals men in Psalm 37:29 kan lezen: „De rechtvaardigen díe zullen de aarde bezitten, en zij zullen er eeuwig op verblijven.” Na verloop van tijd groeide mijn hoop dat ook ik tot degenen zou kunnen behoren die voor eeuwig in dat Paradijs zouden mogen leven.

Ten slotte: leven voor Gods nieuwe samenstel

Joyce, de Getuige die bij mij aan de deur was gekomen, begon een bijbelstudie met mij uit het boek „Van het verloren naar het herwonnen paradijs”. En toen ook mijn man enig blijk van belangstelling begon te geven, kwam de echtgenoot van Joyce met haar mee. De oprechtheid van deze Getuigen maakte diepe indruk op zowel mijn man als mij. Zij gebruikten voor hun werk een lichte motorfiets en lieten zich zelfs door plenzende moessonregens niet tegenhouden. We maakten vorderingen, maar helaas moesten we weer vertrekken toen mijn man naar Noorwegen werd overgeplaatst.

Daar spoorde ik de Getuigen in de telefoongids op. Maar weer was er een taalprobleem, zodat we drie maanden een universiteit bezochten en Noors leerden lezen en schrijven. Opnieuw kwamen we in contact met een fijn Getuigen-echtpaar, dat me langs kwam halen voor de vergaderingen, soms zelfs bij barre temperaturen van 34 °C onder nul. Mijn man raakte echter zo in beslag genomen door zijn werk dat hij niet meer meeging en me zelfs trachtte te ontmoedigen.

Zijn houding liet me niet onberoerd. Ook ik raakte weer overmatig geïnteresseerd in mijn carrière en ging weer helemaal op in alle reiservaringen die ik in diverse landen opdeed, onder andere bij het geven van concerten in wereldhoofdsteden als Washington, D.C., Addis Abeba, Colombo, Oslo, etc. Zo gingen er heel wat jaren voorbij zonder dat ik veel contact met Jehovah’s Getuigen had. Toch bleven die bijbelse beloften van een beter leven in Gods nieuwe samenstel van dingen in mijn geest.

In 1970 verhuisden we ten slotte naar de Verenigde Staten, waar ik bevriend raakte met een vrouw die vloeiend Duits sprak. Omstreeks die tijd kreeg ze studie van Jehovah’s Getuigen en ik deed met haar mee. En zo begon ik weer de vergaderingen van de Getuigen te bezoeken, ditmaal in Kensington in de Amerikaanse staat Maryland.

Toen begon ik te beseffen dat als ik werkelijk in Gods nieuwe samenstel zou willen leven, ik dat zou moeten tonen door Gods dienst op de eerste plaats in mijn leven te stellen, door daar de voorrang aan te geven, ook boven mijn zangcarrière. Ik begon daaraan te werken. De christelijke ouderlingen gaven mij de goede raad om selectief te zijn ten aanzien van de liederen die ik bij toekomstige concerten op mijn programma zou zetten. Ik hield ermee op liederen te zingen die verkeerde religieuze leerstellingen bevatten, of nationalistisch getint waren. Ten slotte werd ik in februari 1973 als symbool van mijn opdracht om Jehovah God te dienen, door Jehovah’s Getuigen in water gedoopt.

In juni 1973 verhuisden mijn man en ik naar Trinidad en te zamen met de 3000 christelijke medegetuigen die ik daar bezit, heb ik mijn dienst voor Jehovah voortgezet. Met volledig vertrouwen in zijn beloften, zie ik ernaar uit hem tot in eeuwigheid te mogen blijven dienen. Het is bovendien mijn vurige hoop dat zowel mijn man als mijn zoon ten slotte ook de bijbelse waarheid zó zullen aanvaarden dat zij zichzelf opdragen om onze liefdevolle Schepper te dienen. — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen