Aardbeving verwoest Guatemala — Verslag van ooggetuigen
Door Ontwaakt!-correspondent in Guatemala
IN DE grond onder Guatemala — en in feite onder een groot deel van Midden-Amerika — rommelt het vaak. Velen hier zijn gewend bij het eerste gerommel uit een diepe slaap te ontwaken, uit hun bed te springen en de straat op te snellen. Maar soms is er meer dan enkel gerommel.
In 1917 werd tijdens een zware aardbeving de hoofdstad, Guatemala City, zwaar beschadigd. De stad werd echter herbouwd en groeide uit tot een van de grootste steden van Midden-Amerika met een bevolkingstotaal van ongeveer 1 miljoen.
Ook mijn vrouw en ik zijn als inwoners van Guatemala City gewend aan het veelvuldige gerommel. Maar in de vroege duisternis van woensdagochtend, 4 februari, werden er schokken gevoeld van een zwaarte die nog maar weinig mensen in Guatemala hadden meegemaakt, en waar helaas velen ook niet meer over zouden kunnen spreken.
Volgens sommige schattingen zijn er 50.000 mensen omgekomen, maar de officiële cijfers spreken over 23.000 doden. Ongeveer 74.000 of meer raakten gewond en meer dan een miljoen werden dakloos. In een land van naar schatting 5,85 miljoen mensen betekent dat heel wat: één op de vijf mensen die zijn huis kwijtraakte!
Het is wel de zwaarste ramp in de opgetekende geschiedenis van Midden-Amerika genoemd, zwaarder nog dan de aardbeving die in 1972 de stad Managua in Nicaragua verwoestte. De directeur van de Hulpzending uit Argentinië, Dr. Leandro Salato, ging zelfs zover om te spreken over een aardbeving „verwoestender dan de aardbeving van 1970 in Peru”, ook al was het dodental bij de aardbeving in Peru (70.000 personen) aanzienlijk groter.
Verschrikking in de nacht
Na van onze dinsdagavond-bijbelstudie te zijn teruggekeerd, gingen mijn vrouw en ik naar bed en vielen in een diepe slaap. Ik werd dan ook pas na het voelen van heftige schokken wakker. Anderen schijnen al door de nadering van de aardbeving te zijn gewekt.
Een Amerikaanse bezoekster vertelde dat zij iets hoorde aankomen wat leek op het gerommel van ververwijderd onweer. Het kwam steeds nader en nam in sterkte toe tot het klonk als gebulder — een gebulder van diep uit de aarde. De rotslagen werden gebroken en vaneengescheurd. Dat geluid werd duizendvoudig versterkt, tot het aan de oppervlakte leek alsof ’je tussen twee straalvliegtuigen stond’, of alsof ’duizenden stenen binnenin de aarde dooreenratelden’, zoals sommigen beschreven.
Maar zoals ik al zei, ik werd pas wakker nadat het heftige schokken en schudden begon. Wat doet iemand in zo’n situatie? Probeert hij uit bed te komen terwijl rondom hem het geluid klinkt van versplinterend glas en brekende voorwerpen? Moet hij naar de deur rennen om op straat te komen? Terwijl de seconden wegtikten en de schokgolven in hevigheid toenamen, besefte ik dat dit geen gewone beving was. Wat me onmiddellijk door mijn geest flitste, was het gevaar dat het dak zou instorten; het enige wat ik dan ook wist te doen, was mezelf op mijn vrouw werpen en proberen onze beide hoofden tegen neervallend puin te beschermen.
Ten slotte hield het schudden op; het slingeren van het huis nam af. Het had naar het leek wel een eeuwigheid geduurd — negenendertig seconden. Toen was er een moment van volledige stilte en rust. Ik kon weer op mijn benen staan en besefte meteen dat we een werkelijk afschuwelijke aardbeving hadden meegemaakt.
De elektriciteit deed het niet meer; alles was donker. In het duister tastend naar een zaklantaarn, bereidde ik me al voor op de wanorde die me dadelijk tegemoet zou blikken. En inderdaad, toen ik de zaklantaarn had gevonden en aangeknipt werd mijn vermoeden slechts bevestigd. Dat ik niet in de versplinterde spiegel was getrapt die van de muur was gevallen, mocht een wonder heten. Vazen en lampen lagen op de vloer, sommige in duizend stukjes. Borden en schotels waren uit de servieskast gevallen en de boekenkast was omgevallen. Bij het doorlopen van de kamers was ik dankbaar in een goed gebouwd huis van gewapend beton te wonen. Het tijdstip van de aardbeving was volgens onze tot stilstand gekomen elektrische klok 3.03 uur geweest.
Vrijwel alle overlevenden spraken later van de verschrikkingen die zij die nacht hadden doorgemaakt. Een toerist uit Cedar Rapids, uit de Amerikaanse staat Iowa, die met zijn dochter in het Ritz Continental Hotel overnachtte, ontwaakte ook uit een diepe slaap. Hij vertelde:
„Mijn eerste reactie was woede — iemand probeerde mijn bed om te keren! Mijn volgende gedachte was: Armageddon. Ons hotel was aardbeving-bestendig gebouwd en ik was daar heel blij om, want het zwaaide werkelijk heen en weer. Het leek wel alsof we recht boven de straat hingen. Het pleisterwerk bladderde van de muren en de ramen sprongen stuk. En tegen het eind hief de aarde het gebouw als een bokkend paard de lucht in.
Toen het schokken van de aarde ophield, viel er een angstaanjagende stilte. De mensen waren verbijsterd. De enige beschrijving is afgrijzen, een blijvend en afschuwelijk afgrijzen. De man in de kamer naast ons, had een kaars. We liepen niet maar renden de trappen af. Ik keek op mijn horloge; nog geen kwart over drie stonden we reeds op straat.
Het was koud buiten. Guatemala City ligt zo’n 1500 meter boven de zeespiegel. We konden onze adem zien. Na een uur besloten we weer het hotel binnen te gaan en wat meer kleren aan te trekken. Met de kaars in de hand gingen we terug het donkere hotel binnen en klommen naar de achtste verdieping, al die tijd in angst dat er een nieuwe beving zou komen. In de halfduistere kamer pakten we onze bezittingen bijeen en waren daarna weer vlug op straat. Toen we vertrokken hadden we twee dagen nodig gehad om te pakken; nu waren we in tien minuten klaar. Mijn scheerapparaat en onze tandenborstels waren verdwenen in de ravage van de badkamer.”
Tot zover zijn verhaal. Ondertussen kwamen wij en onze buren langzaam bij van de schok. Er werden auto’s gestart en onder de afdaken vandaan gereden, om er verschrikte kinderen en bejaarden in onder te brengen, ten einde die te beschermen tegen de kou.
Terwijl we ons nog een weg baanden door het puin in ons huis kwam er reeds een gezin van Jehovah’s Getuigen langs om te zien of alles bij ons oké was. We maakten warme chocolademelk en spraken een gezamenlijk dankgebed uit om Jehovah God te danken voor het behoud van ons leven. We vroegen ons echter wel af hoe onze broeders het maakten. Er zijn ongeveer 2500 Getuigen in de stad en ongeveer 5000 in geheel Guatemala.
De nasleep — hoe ernstig?
Eerst gingen we op weg naar het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen, normaal tien minuten rijden. Na anderhalve kilometer was de ringweg echter al geblokkeerd door aardverschuivingen. Toen probeerden we het maar door de oude binnenstad. Hoewel onze nieuwe woonwijk weinig tekenen van schade had opgelopen, waren hier de gevels van huizen op de straat gevallen, en waren muren ingestort.
Het verkeer was al even hevig als tijdens het spitsuur overdag. Mensen haastten zich naar de huizen van vrienden en familieleden. Mannen, vrouwen en kinderen liepen in nachtkleding over de straten, dekens en plaids omgeslagen. Ze waren bang om opnieuw hun huis, of wat daarvan over was, binnen te gaan. Het stof van gevallen bak- en kleistenen maakte het duister van de nacht, waarin slechts de koplampen van auto’s enig licht wierpen, nog huiveringwekkender.
Bij het bijkantoor aangekomen, waren we opgelucht te horen dat allen veilig waren. Zo te zien had het gebouw ook geen enkele schade geleden. De bijkantoorcoördinator was al weggegaan om Getuigen in een ander stadsdeel af te gaan. En ook wij begonnen aan een ronde in onze eigen gemeenten. De hele ochtend waren opzieners en dienaren in de bediening van Jehovah’s Getuigen bezig met het nagaan van al hun christelijke broeders en zusters. Sommigen hadden hun huizen verloren, anderen hadden builen en schrammen, maar allen hadden het er levend afgebracht!
Met het aanbreken van de dageraad, kwam duidelijker aan het licht hoe verwoestend de aardbeving was geweest. We vernamen dat hij een sterkte van 7,5 had bereikt op de schaal van Richter. Honderden lichamen onder dunne stukken plastic lagen langs de straten. Een radiobericht meldde: „Het lijkenhuis is vol. Breng alstublieft geen lichamen meer.” Later vernamen we dat ongeveer 800 personen in de stad de dood hadden gevonden.
In armere wijken waren duizenden huizen ingestort, waardoor tienduizenden dakloos werden. Niets dan hopen puin waren er in sommige delen van de stad over. In andere wijken waren de beter geconstrueerde huizen van de midden- en hogere-inkomensgroepen betrekkelijk onbeschadigd gebleven. Veel kerken hadden echter grote schade opgelopen. Vlak bij mijn huis was een moderne bakstenen katholieke Kerk volledig vernield.
Functionarissen schatten dat 20 percent van alle gebouwen in de hoofdstad totaal zijn vernield en 40 percent te zwaar beschadigd zijn om ooit weer gebruikt te kunnen worden. Buiten de stad wordt het verlies geschat op ƒ 13 miljard. En zo veranderde Guatemala in een grote tentenstad. Zelfs de welgestelden sliepen uit vrees voor nog meer bevingen, in hun auto’s, buiten op hun grasveld of onder een geïmproviseerd afdak.
Maar ondanks de ontberingen gaven de meeste mensen blijk van een opgeruimde mentaliteit. Jehovah’s Getuigen bleven bij elkaar en hielpen elkaar. We ontdekten dat in een tijdelijk straatonderkomen vijfendertig van hen onderdak hadden gevonden: Buiten was een barbecue-achtige kookplaats geïmproviseerd van gevallen kleistenen. Iedereen was opgeruimd en elke bezoeker werd zelfs hartelijk welkom geheten.
Niettemin was er ook angst. Wat hiertoe sterk bijdroeg waren de tientallen trillingen die nog enige tijd daarna dagelijks te voelen waren. Op vrijdag 6 februari was er nog een beving die 5,5 registreerde op de schaal van Richter. Reeds wankele muren stortten erdoor in en nog meer aardverschuivingen waren het resultaat. Ik geloof dat de toerist uit Iowa een goede beschrijving heeft gegeven van wat het was om hier na de aardbeving te leven.
„Een arts in onze groep moest bij de verzorging van doden en gewonden helpen”, aldus zijn verslag. „Eén aanblik die deze arts volgens zijn eigen woorden nooit zou vergeten, was het lichaam van een gestorven jonge vrouw, die geen enkel uiterlijk teken van verwondingen vertoonde maar toch dood was, naar hij dacht van de schrik.
Om 8 uur ’s morgens stelde onze gids voor naar Antigua Guatemala te verhuizen, een stad die ongeveer 56 kilometer naar het zuidwesten ligt. Het kostte ons vijf uur om daar per bestelauto te komen; de wegen waren geblokkeerd door aardverschuivingen en drommen mensen met verstarde en verschrikte gezichten. De dorpelingen gingen naar de steden en de stedelingen gingen naar de dorpen, allemaal om na te gaan hoe het met familieleden stond.
De aanhoudende schokken en trillingen vibreerden en echoden door het dal. Het was voor een wandelaar een beangstigende ervaring om daar te lopen. De grond voelde niet betrouwbaar aan. Het was als lopen in de modder zonder dat je voeten wegzonken. De terra firma, de vaste grond, was niet vast meer.
Bij ons hotel in Antigua leefden we allemaal in de tuin rond het zwembad. We aten daar, het hotelpersoneel kookte daar onze maaltijden, en we sliepen daar, althans probeerden te slapen. Niemand durfde uit angst voor een volgende aardbeving in het gebouw te verblijven.
De sfeer van angst en verschrikking was bijna tastbaar. Toen we op zondag 8 februari naar de luchthaven reden, zagen we soldaten bezig hopen lichamen te verbranden. We reden door dorpen waar nog maar enkele muren van huizen overeind stonden.”
Eerst hadden velen van ons in Guatemala nog geen flauw vermoeden van de vernietiging die was aangericht. Op woensdagmorgen berichtte de radio van de Amerikaanse Strijdkrachten dat het epicentrum van de aardbeving in de buurt van Gualán had gelegen, ongeveer 170 kilometer ten noordoosten van Guatemala City. Spoedig werd ons vermoeden dat de verwoestingen elders nog wel een stuk heviger zouden zijn, bevestigd door binnendruppelende berichten uit afgelegen streken.
Erger dan we ons hadden kunnen voorstellen
Eerst hoorden we dat El Progreso, ten noordoosten van ons, met de grond gelijk was gemaakt, hetgeen meer dan 2000 doden had geëist. Toen kwam vanuit het noorden het nieuws dat de dorpen San Juan Sacatepéquez en San Pedro Sacatepéquez vernietigd waren en duizenden waren gestorven. Als laatste kwam het schokkende bericht binnen omtrent de algehele verwoesting die was aangericht in de zuid-centrale staat Chimaltenango, met zijn vele Indianendorpen. Meer dan 13.000 kwamen daar volgens de berichten om het leven!
De zwaarst getroffen streek lag dus ongeveer 20 kilometer ten noorden van Guatemala City en strekte zich uit van het oosten naar het westen, over een afstand van 241 kilometer. Was de situatie echter werkelijk zo slecht als de berichten meldden? Zo vroegen we ons af.
We hoefden slechts een van de steden, voor bijna 100 procent bestaande uit bouwwerken van adobe of gedroogde kleistenen, te bezoeken om de berichten bevestigd te zien. Op vrijdag 6 februari arriveerde ik in San Pedro Sacatepéquez, niet meer dan 20 kilometer ten noorden van Guatemala City. Nauwelijks één gebouw stond nog overeind; de plaats was in puin gelegd en de straten waren geblokkeerd door omgevallen kleimuren van de huizen. De katholieke kerk was vernield en de mensen verkeerden nog in een shock-toestand. De meeste doden waren begraven, maar nog altijd werden er lichamen van onder het puin gehaald.
Een man was met een kleine troffel bezig zijn weinige bezittingen uit de puinhoop te graven die eens zijn huis was geweest. Ik zag slechts de bovenkant van zijn goedkope tafel van vurehout. Een ander was bezig een metalen dak van omgevallen balken te trekken om nog iets van zijn bezittingen te redden.
Zaterdag kon ik met voedsel op weg naar de gemeenten van Jehovah’s Getuigen in enkele van de zwaarst getroffen berggebieden. Ondanks wegen die door aardverschuivingen waren geblokkeerd, was het mogelijk om Patzicía, Zaragoza, Tecpán en Comalapa te bereiken. In Comalapa hadden de burgemeester en rechter beiden de dood gevonden. Vanwege het grote aantal doden en de vrees voor het uitbreken van epidemieën waren velen in massagraven begraven.
Alles in de bergdorpen lag plat. Het enige verschil tussen de huizen en de kerken was, dat de kerken een grotere puinhoop vormden. Alle bergdorpen zijn, of beter gezegd waren, Indianendorpen. De Indianen maken ongeveer 43 percent uit van de bevolking, en hun dorpsgemeenschappen werden het zwaarst getroffen.
De overlevenden in de plaatsen die we bezochten, waren zonder water, en hadden ook nog maar weinig voedsel. De meesten hadden evenmin een beschutting of onderkomen tegen de wind en de bergkou; de temperatuur komt ’s nachts nauwelijks boven de 4,5 °C uit. Het stof van de droge, verpulverde kleistenen, dat door de harde wind werd meegenomen, benam ons onze adem; vaak lag het stof 15 centimeter dik.
Duizenden die dinsdagavond naar bed gingen, werden nooit meer wakker. De kleimuren van hun huizen stortten in en de zware daktegels kwamen op hen terecht. Eén plaatselijke overlevende van de ramp, zei over adobe, de gedroogde kleistenen waarmee de huizen hier worden gebouwd: „Het is de aarde van ons graf.”
Veel gewonden leden afschuwelijk. Met wegen die geblokkeerd waren door landverschuivingen, duurde het vaak dagen voordat er medische hulp kwam opdagen. Een dokter berichtte: „Ze hebben dagenlang met pijn gelegen. De zwellingen zijn vaak ernstig. Bij veel breuken, vooral van de ledematen, kwamen de boteinden al door de huid naar buiten steken. De wonden liggen vaak bloot en raken snel geïnfecteerd.”
We ontdekten dat het dochtertje van een Getuige in Tecpán een gebroken been had. Ook andere Getuigen hadden verwondingen. Maar tot onze verbazing bleek niemand te zijn gedood. Nergens in het land bleek trouwens een Getuige door de aardbeving te zijn omgekomen! Sommigen verloren echter wel familieleden.
Eén Getuige berichtte dat vijfentwintig van zijn familieleden in de buurt van Tecpán waren omgekomen. Donderdags kwam hij aan in het dorp waar zij gewoond hadden, en toen waren er al vijftien van hen begraven. Er waren geen kisten genoeg om de rest te begraven en ook geen hout om kisten te maken. Hij legde de lijkverzorgers uit dat de doden toch naar het stof terugkeren en spoorde hen aan de lichamen vlug in de grond te begraven voordat er een epidemie zou uitbreken.
Deze Getuige kwam ook een man tegen die langs de straat liep met een grote zak over zijn schouder. De man hield een paar minuten stil om even te praten en vroeg toen: „Weet u wat ik in deze zak heb?”
„Nee”, antwoordde de Getuige.
„Mijn vrouw en twee kinderen. Ik ben op weg naar de begraafplaats.”
Een reizende vertegenwoordiger van Jehovah’s Getuigen, die een bezoek bracht aan een gemeente in Gualán in de buurt van het epicentrum van de aardbeving, bericht: „Het is moeilijk een beschrijving te geven van het afgrijzen dat men ervaart wanneer men tussen de doden loopt en van onder het puin het gekerm van gewonden hoort.
Veel Getuigen kwamen onder het puin van hun ingestorte huizen vandaan kruipen. Sommigen ontvingen bij kaarslicht medische hulp. De Koninkrijkszaal liep schade op, maar kon worden gerepareerd. Vanwege mijn bezoek waren vele Getuigen uit verafgelegen streken niet naar hun huis teruggekeerd, maar in de Koninkrijkszaal blijven slapen. Dit heeft hun wellicht het leven gered.”
Van de omvang van de aardbeving kan men zich nauwelijks een beeld vormen, zelfs wij hier niet. Een kleine week na de beving berichtte president Laugerud García dat zo’n 300 steden en dorpen voor meer dan 40 percent verwoest waren. De geur des doods bleef in sommige dorpen nog vele dagen hangen. Vrachtauto’s en helikopters leverden kalk om over de haastig en ondiep gegraven graven te werpen.
Hoe erg de aarde wel in beweging is geweest, valt op te maken uit een brede scheur die tussen Guatemala City en de Golf van Honduras door het land loopt. Op sommige plaatsen is hij wel 2,5 meter breed en drie meter diep! De Panamerikaanse autosnelweg was op verscheidene plaatsen door aardverschuivingen geblokkeerd, hetgeen het reizen erg gevaarlijk maakte.
Maar hoe ernstig de verwoestingen ook zijn geweest, de bevolking herstelt zich, en in niet geringe mate is dit te danken aan de hulp die van vele kanten is verschaft.
Hulp van vele kanten
Uit meer dan honderd landen werd hulp gezonden. Wekenlang was dag en nacht de lucht vol vliegtuigen, die doktoren, hulpwerkers, medicijnen, draagbare hospitalen, tenten, voedsel, kleding en dekens aanvoerden. Het bleek echter moeilijk die hulp naar afgelegen streken en dorpen te krijgen. Wanneer wegtransport onmogelijk was, schakelde men helikopters in om goederen af te leveren, maar zelfs dan duurde het soms nog dagen aleer bepaalde noodgebieden werden bereikt.
Wanneer hulp arriveerde, gedroeg de Indiaanse bevolking zich buitengewoon gedisciplineerd. Altijd was er een ordelijke rij die wachtte op de ontvangst van voedsel of medische verzorging. Een hulpverlener uit de Verenigde Staten merkte op: „In Amerika waren er allang gevechten uitgebroken. Maar hier staan ze in de rij en wachten. Er is zelfs geen soldaat om de orde te handhaven.”
Ook Jehovah’s Getuigen waren er in alle Middenamerikaanse landen en elders snel bij met het zenden van hulpgoederen. Op de dag van de aardbeving reeds reden Getuigen uit El Salvador met voedsel en kleding binnen. De volgende dag arriveerden er goederen uit Nicaragua. Uit Honduras werden tenten en gegalvaniseerde dakplaten aangevoerd. Duizenden dollars werden door de bijkantoren van Jehovah’s Getuigen in andere Middenamerikaanse landen, door het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in New York en door bezorgde individuele Getuigen bijgedragen, terwijl ook vanuit Guatemala zelf gemeenten van Jehovah’s Getuigen in minder ernstig getroffen gebieden edelmoedig hulp hebben verschaft in de vorm van voedsel, kleding en geld.
Dientengevolge waren we in staat tonnen en tonnen voedsel en kleding te verzorgen voor degenen die in nood verkeerden. Het was werkelijk een voorrecht mee te kunnen helpen die goederen naar afgelegen steden en dorpen te brengen. In plaats na plaats waren we de eersten die getroffen gebieden met hulpgoederen bereikten. De eerste vrachtauto bijvoorbeeld waarvan bekend is dat hij te Rabinal aankwam, een zwaargetroffen stad ongeveer 50 kilometer ten noorden van Guatemala City, was een van de vrachtauto’s van ons bijkantoor.
Vermoedend dat er een tekort aan hout en gegalvaniseerde platen zou komen, was een van de eerste dingen die we deden, timmerhout en gegalvaniseerde platen kopen. Daarna gingen Getuigen met bouwervaring, uitgerust met een generator en elektrische zagen, in een vrachtwagen op weg langs de verwoeste steden en dorpen van Chimaltenango. Voor de Getuigen die hun huizen verloren hadden, begonnen zij houten vierkante bouwwerken op te zetten, van 2,75 bij 2,75 meter, een karwei dat per bouwwerk slechts een uur vergde. Dus zelfs al voordat andere instellingen in bepaalde streken tenten hadden staan, waren Jehovah’s Getuigen reeds voorzien van een onderkomen.
In Guatemala City leden twee Koninkrijkszalen zware schade en moesten herbouwd worden. Ook in andere plaatsen werden Koninkrijkszalen verwoest. Maar de Getuigen gingen vol goede moed aan de slag om ze te herstellen. Ze hadden vertrouwen in de toekomst.
Waarom zulk vertrouwen?
Waarom zulk vertrouwen? Voornamelijk vanwege hun geestelijke kijk. Zij begrijpen de betekenis van de huidige grote aardbevingen en zien ondanks de verwoestingen en de ellende die ze aanrichten, in deze rampen krachtige aanwijzingen om met vertrouwen de toekomst tegemoet te zien. Wat een contrast echter met de terneergeslagen geest van de overwegend katholieke bevolking.
Toen ik bijvoorbeeld de vrijdag na de aardbeving San Pedro Sacatepéquez bezocht zei een man tegen mij, terwijl hij zich net een weg baande door de restanten van zijn zwaar verwoeste woning: „Dit is een straf van God omdat we zo slecht zijn geweest.”
Waar, zo vraagt u zich wellicht af, hebben hij en al die andere bescheiden, hardwerkende mensen met hem, zulke ideeën vandaan? De volgende dag werd me dat duidelijk. Want de katholieke kardinaal van Guatemala, Mario Casariego, verklaarde volgens een aanhaling in de belangrijkste krant van het land:
„In deze momenten van grote rampspoed voor het volk komt de leer van de Heilige Schrift in gedachten: God heeft lief en omdat hij liefheeft, dient hij correctie toe, zet hij dingen recht en schudt hij ons wakker. . . . Zijn we zo weerspannig geweest dat we God hebben verplicht op deze manier te handelen?” Daarna voegde hij eraan toe dat helpen aan de herbouw van de kathedraal en andere verwoeste kerken „het symbool zou zijn van een ware en persoonlijke terugkeer tot God”. — El Imparcial, 7 februari 1976, blz. 6.
Jehovah’s Getuigen weten echter dat de bijbel niet leert dat God aardbevingen brengt om mensen te straffen. In het geheel niet! De bijbel heeft voorzegd dat „het teken” van het nabije einde van dit goddeloze samenstel van dingen en van Christus’ tegenwoordigheid in Koninkrijksmacht, onder andere zou bestaan uit „grote aardbevingen . . . en in de ene plaats na de andere pestilentiën en voedseltekorten”. En na dit te hebben gezegd, ging de grote profeet Jezus Christus verder door bij wijze van aanmoediging te verklaren: „Als nu deze dingen beginnen te geschieden, richt u dan rechtop en heft uw hoofd omhoog, omdat uw bevrijding nabijkomt.” — Luk. 21:7-28; Matth. 24:3-14.
Wanneer Jehovah’s Getuigen derhalve krachtige blijken zien van de vervulling van bijbelse profetieën in de vorm onder andere van deze aardbeving, richten zij hun hoofd op in het vertrouwen dat Gods nieuwe samenstel van dingen nabij is. En wij bemerken dat de verbijsterde bevolking van Guatemala thans bijzonder ontvankelijk is voor deze vertroostende boodschap uit Gods Woord (2 Petr. 3:13; Openb. 21:3, 4). Die belangstelling bleek trouwens al vóór de aardbeving, toen bijvoorbeeld N. H. Knorr, een lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen in december 1975 Guatemala City bezocht en meer dan 5000 personen bijeen waren om te luisteren naar de lezing die hij in het basketbal-stadion in de Noord-Hippodrome hield. Dat was veel meer dan het dubbele van het aantal Getuigen in Guatemala City!
Negentienhonderd zesenzeventig moest hier een groot jaar worden. Op het stadhuis in Guatemala City hangt een bord waarop te lezen staat: 1776 TWEEHONDERD JAAR 1976. Op 6 januari was de stad reeds begonnen met het vieren van haar tweehonderdjarig bestaan. De voormalige hoofdstad was door een aardbeving vernietigd en op 6 januari 1776 was de nieuwe hoofdstad officieel in gebruik genomen.
Was dus in januari 1976 de moderne, groeiende stad Guatemala optimistisch omtrent haar toekomst, wanneer men nu mensen gezamenlijk ziet meewerken aan de herbouw van het land en hun vertrouwen ziet stellen in de ware profetieën uit Gods Woord dan bestaat er voor hen stellig nog meer reden om optimistisch uit te zien naar een glorierijke toekomst.
[Inzet op blz. 4]
’De aarde hief het gebouw als een bokkend paard de lucht in.’
[Inzet op blz. 6]
„De grond voelde niet betrouwbaar aan. Het was als lopen in de modder zonder dat je voeten wegzonken.”
[Inzet op blz. 7]
’Er waren geen kisten genoeg, of hout om kisten te maken.’
[Kaart op blz. 5]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
GUATEMALA
CHIMALTENANGO
Tecpán
Comalapa
Patzicía
Grote Oceaan
Rabinal
San Juan
San Pedro
GUATEMALA CITY (stad)
Antigua Guatemala
Gualán
El Progreso
HONDURAS
EL SALVADOR