Hoeveel „zekerheid” biedt de sociale verzekering?
NATUURLIJK variëren de sociale uitkeringen van land tot land. En in bepaalde landen lijken ze voldoende te zijn om een bescheiden bestaan te waarborgen.
Een waarnemer in Zweden merkte bijvoorbeeld over de hoge sociale uitkeringen in dat land op: „Velen die een ouderdomspensioen genieten, zeggen dat ze het nog nooit zo goed hebben gehad als nu.”
Zulke landen zijn echter uitzonderingen. De algemene situatie, zelfs in rijke Westerse landen, is dat degenen die hoofdzakelijk van een sociale uitkering moeten leven, in ernstige moeilijkheden verkeren.
Een daling in de levensstandaard
Bij een onderzoek in Nederland (Noord-Brabant) in de jaren ’60, door W. J. M. Mulders, trad aan het licht dat 1/4 van de bejaarden het zeer krap had en de helft bittere armoede leed (AO-reeks van de stichting IVIO, 9-4-1971). Vooral de laatste jaren echter is de A.O.W.-uitkering in Nederland sterk opgetrokken om haar voor bejaarden ongeveer gelijk te maken aan het netto-minimumloon. Een redelijk bestaan lijkt hier dus gewaarborgd, maar toch betekent ook nu nog voor velen de overgang naar het bejaardenpensioen een niet onaanzienlijke achteruitgang in het inkomen, vooral wanneer ze behalve de A.O.W. vrijwel geen andere bron van inkomsten genieten. Nog vaak behoort de bejaarde tot de minst draagkrachtige groep van de bevolking.
Een voorbeeld van de achteruitgang in inkomen, levert het volgende getallenvoorbeeld uit het Statistisch Zakboek van het CBS: In 1973 verdiende een gemiddelde industrie-arbeider, gehuwd, zonder kinderen, netto ƒ 1100 per maand; een ongehuwde boven de 35 enkele guldens minder. De A.O.W.-uitkering voor gehuwden bedroeg toen gemiddeld ƒ 715 per maand; ongehuwden ontvingen ƒ 505. Een scherpe daling dus, vooral voor de ongehuwde (nagenoeg 54 percent). En hoewel de A.O.W. uitkering, vanwege de reeds besproken mee-stijging met het minimumloon thans is opgeklommen tot ƒ 1037,40 per maand voor gehuwden en ƒ 732,20 voor alleenstaanden, zijn de lonen dienovereenkomstig gestegen.
Kortom, vele mensen ervaren een aanzienlijke daling in hun inkomen wanneer ze 65 worden, vooral indien ze geen andere pensioeninkomsten genieten.
In veel Westerse landen is de situatie echter veel somberder. Gewoonlijk ontvangt een gepensioneerde daar maandelijks nog minder, zonder ook een beroep op een soort van bijstandswet te kunnen doen. In Australië lag bijvoorbeeld in 1975 het gemiddelde weekloon op meer dan $150 (ƒ 500) per week, terwijl de basisuitkering voor een gepensioneerde alleenstaande $36 (ƒ 120) per week was, en voor echtparen $60 (ƒ 200) per week. In de Verenigde Staten verdient de gemiddelde geschoolde arbeider meer per week dan de gemiddelde gepensioneerde in één maand aan „A.O.W.” ontvangt.
Noodlijdende ouderen
Vele oudere burgers voelen zich na een leven van hard werken op de schroothoop van de maatschappij gegooid. Een Canadees die aan het hoofd van een officieel onderzoekteam heeft gestaan, verklaarde hierover: „Steeds opnieuw werd ik gedwongen tot het besef dat het verlies van elk belangrijke neveninkomen de gepensioneerde berooft van een redelijke levensstandaard en een verlaging betekent van de kwaliteit van het leven zoals hij dat voordien leidde.” Hij voegde hieraan toe: „Zij zijn de vergeten mensen van de Canadese maatschappij.”
De Toronto Star van Canada berichtte zelfs dat „ongeveer 50 percent van de Canadese bejaarden in armoede leven”. Een regeringsonderzoek heeft dat aangetoond. Zij hebben niet genoeg inkomen „om waardig en kommervrij te leven”. „Armoede onder de bejaarden komt twee tot driemaal zoveel voor als onder andere leeftijdsgroepen”. „De moeilijkheid”, aldus de Star, „is dat de meeste bejaarden geen bedrijfspensioen ontvangen, onafhankelijk van hun normale bejaardenpensioen van de staat.”
De burgemeester van een Canadese stad vertelde: „Ik werd bezocht door een bejaarde man, die als vertegenwoordiger optrad van 140 gepensioneerden. Hij stond geestelijk op instorten en smeekte om hulp. Het was verschrikkelijk iemand die zijn hele leven hard had gewerkt, in zo’n situatie te zien, in angst verkerend dat hij zijn huur niet zou kunnen betalen.” In een andere stad verklaarde een functionaris dat hij was bezocht door een oudere vrouw, die in zijn kantoor „onbeheerst begon te huilen”, snikkend dat zij geldgebrek had en „dierenvoer” moest eten.
„De problemen houden niet op”
Een oude man verzuchtte: „Ik ben zo moe van het vechten, zo gefrustreerd, zo ontdaan. We blijven aldoor in huis om maar niets uit te geven, we eten zo goedkoop mogelijk, en mijn vrouw huilt heel wat af, terwijl ze het probeert te begrijpen. Ik dacht altijd dat de bejaarden geen problemen kenden. Nu ben ik oud en de problemen houden niet op.”
Over de situatie in de Verenigde Staten schreef rubriekschrijver J. Anderson: „De maatschappij schuift haar ongewenste bejaarden in een hoek, om alleen en onverzorgd op hun dood te wachten. Amerika schijnt zich daar niet om te bekommeren. En thans dient zich een nieuw en grimmig verschijnsel aan: de ouderen verdwijnen langzamerhand uit de hoeken en kruipen bijeen in vieze ’bejaarden-getto’s’. Failliete hotels en oude flatgebouwen worden in noodtempo omgebouwd tot clandestiene bejaardengestichten.” Tevens verklaarde hij nog: „De beste schatting is dat zes miljoen mensen in armoede leven: zonder voldoende voedsel, berooid door de aanschaf van dure geneesmiddelen, slecht gehuisvest en niet geliefd.”
Volgens Harriet Van Horne in een New York Post-artikel ligt het cijfer van bejaarden in armoedige omstandigheden zelfs nog hoger. Zij verklaarde: „In feite leeft 30 percent van de Amerikaanse bejaarden in behoeftige omstandigheden. Dat zijn op zijn minst acht miljoen personen.” En daarnaast zijn er nog eens miljoenen die daar nauwelijks bovenuit komen. Deze rubriekschrijfster merkte verder op:
„De Eskimo’s waren vriendelijker. Wanneer hun bejaarden niet meer produktief waren, werden ze op een ijsschots gezet, waar ze op een vriendelijke manier binnen één nacht stierven.
In vergelijking met hen, zijn wij een ontaard geslacht. Wij stoppen onze bejaarden in verpleeghuizen, waar 27 percent tijdens de eerste maand van hun verblijf sterft. Na gezond te zijn gearriveerd, vervallen ze al gauw tot warhoofdigheid en seniliteit.
Zij die in leven blijven, lijden vaak een behoeftig, misdeeld, verwaarloosd en van medicijnen afhankelijk bestaan, als bevende skeletten.”
Ja, zoals Dr. R. N. Butler schreef in zijn boek Why Survive? (Waarom in leven blijven?): „Eerlijk gezegd is het gemakkelijker om met het probleem van de dood klaar te komen dan met het probleem als bejaarde te leven”, dat wil zeggen van een laag pensioen in een dure maatschappij.
Het is derhalve duidelijk dat een groot aantal bejaarden in veel landen via hun sociale verzekering weinig „zekerheid” ontvangen. Tenzij ze een andere bron van inkomsten bezitten, of door familie worden bijgestaan, kunnen zij in een betrekkelijk rijk land toch in een hopeloze situatie verkeren.
Maar moet dit altijd zo blijven? Bestaat er enige hoop op verbetering in de situatie?