Wie betaalt onze „sociale zekerheid”?
WIE betalen alle uitkeringen die worden verstrekt? En welke last legt dit op hun financiële schouders?
In sommige landen komen de uitkeringen — de pensioenen van de bejaarden bijvoorbeeld — rechtstreeks uit de staatskas. In de Sovjet-Unie en China wordt het gehele bedrag gefinancierd door het bedrijf waar de persoon heeft gewerkt, met eventuele aanvulling van de regering.
In het algemeen echter heeft de term sociale verzekering betrekking op regelingen waarbij zowel de werknemers als de werkgevers de betalers zijn. Zo houdt bijvoorbeeld dit systeem voor Nederland in dat een gedeelte van het loon van een werknemer bij iedere uitbetaling wordt ingehouden. In 1975 bedroeg deze inhouding voor de werknemer reeds 21,45 percent, inclusief kosten voor medische voorzieningen, en 25,65 percent (afhankelijk van de bedrijfstak) voor de werkgever. In België waren deze percentages ongeveer 10 en 38 percent en in de Verenigde Staten (beduidend minder): voor beiden 5,85 percent.
Dit betekent dat een werknemer met een bruto-jaarinkomen van ƒ 21.000, op zijn loonstaat zal zien dat er ca. ƒ 4500 aan sociale lasten zijn ingehouden, terwijl zijn werkgever uit de firmakas nog een bedrag van omstreeks ƒ 5400 heeft moeten bijbetalen.a
Niet altijd wordt iemand echter aangeslagen voor sociale lasten over zijn totale inkomen. In 1976 geldt een premie-inkomen voor de premieheffing A.O.W. en andere sociale lasten van maximaal ƒ 35.600. Heeft iemand een hoger inkomen dan wordt over dat meerdere geen verdere inhouding gedaan.
Toenemende last?
In de loop der jaren is men deze betalingen echter als een steeds drukkender last gaan ervaren, vooral in de lagere inkomensgroepen.
In 1952 bedroegen de premies in Nederland voor een werknemer omstreeks 5 percent en de werkgever deed daar (afhankelijk van de bedrijfstak) nog eens 17 tot 23,5 percent bij. Bij elkaar genomen zijn de premies in de loop van de tijd dus bijna verdubbeld.
Niet alleen dat, ook het bedrag dat aan premieheffing onderhevig is, is drastisch gestegen. Was in het begin van de jaren ’50 de loongrens ƒ 6000 per jaar, in 1975 bedroeg ze ƒ 31.750 en in 1976 is ze zelfs gestegen tot ƒ 35.600 per jaar. Een zelfde verschijnsel voltrok zich in Amerika, waar de premiedruk, vanaf het begin gerekend, van 2 tot 11,7 percent steeg en het aan premie onderhevige loon van 3000 tot 15.000 dollar.
Er heeft zich dus een dubbele stijging voltrokken — in het premiepercentage en in het bedrag waarover premie kan worden geheven. Hoe kolossaal deze stijging wel is geworden, blijkt wel uit de volgende vergelijking: 5 percent van ƒ 6000 in 1952 was slechts ƒ 300; maar 20,98b percent van ƒ 31.750 in 1975 was ƒ 6661,15, en in 1976 zal dit maximumbedrag zelfs ƒ 7525,44 bedragen. Dit vertegenwoordigt een reusachtige toename in de maximuminhoudingen (ruim 25 maal meer dan in 1952) en is veel meer dan enige stijging in de kosten van het levensonderhoud door de inflatie.
Dat men de betaling van deze premies als een steeds drukkender last ervaart, is voor een belangrijk deel te wijten aan alle belastingen die men daarbij nog moet betalen. En ook deze zijn in de loop der jaren gestegen. De omzetbelasting, B.T.W. genaamd, die vroeger niet bestond, is nu in Nederland in de meeste gevallen 16 percent. Nog andere belastingen die er jaren geleden helemaal niet waren, zijn thans ingevoerd: de „zuiveringslasten” bijvoorbeeld, en in de meeste gemeenten thans een „onroerendgoed-belasting”. En dan is er natuurlijk de inkomsten- of loonbelasting. In een studie over belastingpolitiek en inkomstenverdeling hebben prof. Halberstadt en mr. C. de Kam uitgerekend dat de effectieve belasting- en premiedruk, bij elkaar genomen, voor alle belastingplichtigen in Nederland op gemiddeld 45% van hun belastbaar inkomen neerkomt. — NRC/Handelsblad, 5 maart 1976.
Andere landen hebben hun sociale premies evenzo zien stijgen. In West-Duitsland bedroeg in 1976 de heffing 9 percent per werknemer en werkgever, over een maximumbedrag van 33.600 Duitse Mark per jaar. Verdiende een werknemer minder dan 280 DM per maand, dan was zijn werkgever verplicht de totale 18 percent te betalen. Over het Duitse sociale stelsel stond in U.S. News & World Report:
„Westduitslands sociale-zekerheidsstelsel is reeds zo kostbaar dat het volgens sommige managers hun investeringsplannen dwarsboomt. En het zal volgend jaar nog meer gaan kosten.
De regering heeft een verhoging van 50 percent afgekondigd voor de bijdrage die zowel de werknemer als de werkgever moeten storten in het werkloosheidsfonds. . . .
Voor de gemiddelde Duitse industrie-arbeider betekent dit een persoonlijke bijdrage van bijna ƒ 345 per maand. Zijn werkgever levert een overeenkomstig bedrag en draagt nog enkele andere lasten van sociale aard. . . .
De sociale-verzekeringskosten zijn de afgelopen tijd sterk gestegen — van zo’n 340 miljoen gulden per jaar voor een bepaalde groep Duitse firma’s tot bijna 640 miljoen drie jaar later.
Vandaar de verzuchting van bedrijfsleiders dat de ruimte voor investeringen verdwijnt.”
Overweging
Hoe kostbaar de sociale lasten echter ook mogen zijn, wanneer men overweegt wat men als werknemer rechtstreeks zou moeten opbrengen om voor bejaarde familieleden de kosten van hun pensioen en ziekterekeningen te dragen, dan wordt men zich er toch wel van bewust dat weinigen dat zouden kunnen. Het sociale-verzekeringssysteem ontheft de particulier derhalve van heel wat verzorgingslast.
Hoeveel zekerheid biedt dit steeds duurder wordende stelsel van sociale verzekeringen echter? Hoe staat het in het bijzonder met de gepensioneerde bejaarden? Kunnen zij een redelijk waardig en comfortabel bestaan leiden?
[Voetnoten]
a Het zgn. „premieplichtig” inkomen verschilt enigszins van het bruto-inkomen. Dat is bij deze globale berekening genegeerd.
b 20,98 i.p.v. 21,45 percent vanwege het verschil tussen premieplichtig en bruto-inkomen.