Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 8/5 blz. 5-9
  • Waarom grote steden te gronde gaan

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waarom grote steden te gronde gaan
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een vicieuze cirkel
  • . . . Minderheden
  • . . . Misdaad
  • . . . Protesterende ambtenaren
  • . . . Vervuiling
  • . . . Ontmenselijking
  • Het stadsbestuur
  • Wat is er met de steden aan de hand?
    Ontwaakt! 1976
  • Steden — Vanwaar de crisis?
    Ontwaakt! 2001
  • „Laten wij een stad voor ons bouwen”
    Ontwaakt! 1994
  • Welke toekomst is er voor steden?
    Ontwaakt! 2001
Meer weergeven
Ontwaakt! 1976
g76 8/5 blz. 5-9

Waarom grote steden te gronde gaan

AL IN 1913 theoretiseerde de Engelse socioloog Patrick Geddes dat grote steden vijf stadiums doorlopen:

1. Polis — beginnende stad

2. Metropolis — grote, maar gezonde stad

3. Megalopolis — ongezonde, overmatig gegroeide stad met grootse aspiraties

4. Parasitopolis — parasitaire stad die teert op het land

5. Pathopolis — verziekte, leeglopende, stervende stad

Volgens velen vertonen steden als New York al tekenen van het vierde stadium, en zijn het parasitopolissen die reeds teren op de kracht en energie van het land. Anderen vrezen dat aspecten van het laatste stadium eveneens al zichtbaar zijn. Een kankerachtige stadsziekte — langzaam voortschrijdend verval — vreet nu het hart uit vele grote steden, naarmate middengroepen en hogere-inkomensgroepen naar buiten vluchten.

Het gevolg is dat de bevolking die nog binnen de stadsgrenzen woont, steeds minder wordt. In Boston, Pittsburgh en Jersey is de bevolking sinds 1900 nog niet zo laag geweest als nu. Het inwonertal van New York is bijna tot het niveau van 1940 gedaald. Ook in Nederland is hetzelfde verschijnsel waarneembaar. Amsterdam heeft weer bijna net zoveel inwoners als in 1930 (758.000), en Rotterdam is met 621.000 inwoners weer bijna teruggekeerd tot zijn bevolkingsaantal van 1940.

Gedreven door een toenemende afkeer van het grote-stadsleven vluchten tal van belastingbetalende burgers, handelsondernemingen en industrieën uit het centrum van de grote steden naar buiten, tot voorbij de belastinggrenzen van de stad. Een tere kwestie bij de politiestaking in San Francisco was bijvoorbeeld dat meer dan de helft van degenen die een hoger loon eisten, buiten de belastinggrenzen van de stad woonden. En hoewel ook in New York de belastingbetalende bevolking tot acht miljoen is gedaald, wonen daar volgens de schatting van sommigen buiten de stad nog wel tien miljoen mensen die op de een of andere wijze economisch voordeel van haar plukken.

Een vicieuze cirkel

En zo ontstaat er een negatieve kringloopbeweging, een vicieuze cirkel van minder belastingbetalers, hogere stedelijke belastingen, minder belastingbetalers, enzovoort. Wanneer de rijkere gezinnen en industrieën weggaan, belastinggelden en werkgelegenheid met zich nemend, blijven de armen, werklozen, bejaarden en minderheidsgroepen, die weinig tot de stedelijke schatkist kunnen bijdragen, over. Zo is thans in Amsterdam ruim 15 percent van de bevolking ouder dan 65 jaar, terwijl dit percentage in de buitengemeenten doorgaans beneden de 5 percent ligt. Het aantal werklozen steeg het afgelopen jaar van 14.000 naar 19.000. En over de situatie in Amerika schreef burgemeester Maier van Milwaukee: „We dalen de helling af . . . naar een toenemende concentratie van armen en betrekkelijk armen in de centrale steden van Amerika.”

Ondertussen blijven de gewone stadsdiensten en de steunprogramma’s voor het toenemende aantal werklozen en minder draagkrachtigen steeds meer geld vragen. Terwijl bijvoorbeeld de afgelopen tien jaar de kosten van alle Newyorkse diensten tot het drievoudige stegen, stegen de kosten van de sociale diensten tot het zesvoudige!

Ter compensatie hiervan gaan steden hogere belastingen vragen van eigenaars van onroerende goederen, zakenmensen en industriëlen — wat voor hen een aanmoediging inhoudt om te vertrekken. San Francisco is gedwongen geweest de belasting op onroerende goederen sinds 1950 tot meer dan het viervoudige te verhogen — dubbel zoveel als de totale stijging van de kosten van het levensonderhoud in die zelfde periode.

Zulke hoge belastingen maken het bezit van een huis voor velen echter een verliesgevende zaak, en dit werkt het verval van de stad nog verder in de hand. Newyorkse flateigenaars zullen in 1976 naar schatting 50.000 wooneenheden verlaten, na de afgelopen jaren reeds uit 35.000 woningen te zijn getrokken! Hiermee gaan niet alleen belastinginkomsten maar ook bewoners verloren. Leegstaande huizenblokken vervallen tot bouwvallige en onbewoonbare pandenrijen — hetgeen de „vicieuze cirkel” nog verder vergroot.

En wanneer zwaar door de belasting aangeslagen bedrijven en industrieën vertrekken, zijn het ook niet alleen de belastinginkomsten die verdwijnen. Sinds 1969 schijnt New York bijvoorbeeld door bedrijfsverhuizingen langzamerhand een half miljoen arbeidsplaatsen — en belastingbetalende arbeiders — verloren te hebben. Maar minder hoge belastingen betekenen minder stedelijke diensten, aldus de stadsautoriteiten, en dat zou een grote stad, nog onleefbaarder maken en nog meer middengroepen en industriële ondernemers wegjagen.

Bevolkingsproblemen hebben dus de neiging zich vooral in grote steden te concentreren en tot een veel grotere omvang uit te groeien dan wat men uitsluitend op grond van de bevolkingsgrootte zou verwachten. Maar er zijn nog andere moeilijkheden die de negatieve kringloop versterken. Daartoe behoren . . .

. . . Minderheden

In de grote steden is de tendens merkbaar dat minderheidsgroepen en economisch misdeelden allemaal geconcentreerd raken in oude, vervallen woningen, „huurkazernes”, of in sommige wereldsteden zelfs in eigen gebouwde krottenwijken. De gevolgen van dergelijke concentraties van mensen zijn welbekend. In een rapport uit Zweden stond bijvoorbeeld de opmerking dat de gebieden rond „vernieuwingsprojecten” in grote steden „traditiegetrouw uit vervallen sloppenwijken bestaan, waar de sociaal en economisch gehandicapten en pasgearriveerde buitenlanders mogen wonen, waardoor er broedplaatsen van alcohol- en drugmisbruik ontstaan” — plaatsen ook die een zware aanslag op de gemeentelijke hulpbronnen doen.

De vestiging en groei van anderskleurige bevolkingsgroepen schept soms onontwarbare huisvestingsproblemen. Diepgewortelde vooroordelen en angst drijven de blanke bevolking weg, hetgeen op sommige plaatsen een ander stadsprobleem heeft geschapen — een feitelijke rassenscheiding. Goedbedoelde pogingen in Amerika om met schoolbussen zowel zwarte als blanke kinderen uit beide gemeenschappen gelijke onderwijskansen te bieden, hebben slechts een beperkt succes gehad, aangezien ze voor veel blanken reden waren om nog verder van de stad te gaan wonen.

. . . Misdaad

Slechte huisvesting en overbevolking belasten de gemiddelde grote stad meestal met veel meer misdaad dan daarbuiten. West-Duitsland bericht bijvoorbeeld dat het aantal misdaadslachtoffers in de dicht bevolkte stadsgebieden tweemaal zo hoog ligt als gemiddeld genomen over het hele land, terwijl toch die zelfde stadsbewoners onder de hoede van driemaal zoveel politieagenten staan! Begrijpt u nu waarom velen er de voorkeur aan geven de grote steden te „ontvluchten”?

Overbelaste gerechtshoven hebben de „vicieuze misdaadcirkel” in de stad nog vergroot. In Amerikaanse steden schijnt de concentratie van misdrijven zo’n belasting te geven dat men de processen met een soort van koehandel meent te moeten afdoen. Misdadigers mogen zichzelf schuldig verklaren aan minder ernstige misdrijven dan waarvoor ze in eerste instantie zijn gearresteerd, zodat allerlei tijdvergende verhoren vermeden kunnen worden. Met het gevolg dat zelfs moordenaars vaak alweer na korte tijd de stedelijke straten onveilig maken.

. . . Protesterende ambtenaren

Naarmate de misdaad toeneemt en de stad in verval geraakt, zijn er meer politiemensen en brandweerlieden nodig, en niet te vergeten meer ambtenaren voor de sociale dienst. Vóór de recente besnoeiingen was in New York bijvoorbeeld het aantal stadsambtenaren in vijftien jaar van ongeveer 200.000 tot meer dan 300.000 toegenomen — hoewel de stadsbevolking nagenoeg ongewijzigd was gebleven!

Maar de wakers over de openbare veiligheid, politiemannen en brandweerlieden en zelfs vuilnisophalers, willen compensatie voor het extra gevaar dat zij lopen en een tegemoetkoming in de stijgende kosten van het levensonderhoud, met welk doel zij in vele steden de onmisbaarheid van hun diensten als een krachtig middel voor het verkrijgen van hogere lonen en voorzieningen hebben aangegrepen. De dreigende chaos waarop een staking van hun diensten zou uitlopen, heeft hun lonen vaak sneller opgedreven dan die van andere arbeiders. Zo zijn in San Francisco de lonen en toeslagen van politiemensen en brandweerlieden tot het zevenvoudige van 1950 gestegen, terwijl de kosten van het levensonderhoud sinds die tijd „slechts” tweemaal zo hoog zijn opgelopen! Veel andere steden zijn even vrijgevig geweest, maar hebben dit vaak al duur moeten bekopen.

. . . Vervuiling

Zij die de stad uitgaan om de vervuiling en andere stedelijke problemen te ontvluchten, dragen in feite tot de verergering van die problemen bij. Het woon-werk-verkeer in de steden is „logger en logger en trager en trager” geworden, aldus een recent rapport uit Zweden dat typerend is voor vele steden. Nieuwe plannen voor openbaar vervoer hebben weinig soelaas kunnen bieden om de vervuiling tegen te gaan. „De aanhoudende verkeersopstoppingen verscheuren de droom van stadsplanologen — dat met metro of vrije banen voor openbaar vervoer mensen ’uit hun auto’s en van de weg’ zouden komen.” — New York Times Magazine, 19 oktober 1975, blz. 84.

Ja, hoewel wettelijke vervuilingsnormen wel enige verbetering hebben gebracht, blijft de lucht buiten de steden meestal toch ’verre superieur aan stadslucht’. De concentratie van industriële ondernemingen in de stad draagt hier veel toe bij. Maar steden hebben nu eenmaal industrieën nodig, om werkgelegenheid en geld te leveren. En vaak zoeken door recessie geplaagde bedrijven naar achterdeurtjes om zich niet aan kostbare anti-vervuilingsnormen te hoeven houden — waarmee ze de vervuiling binnen de vicieuze cirkel van stadsverval houden.

. . . Ontmenselijking

De bijeenpropping van mensen in grote steden schijnt bovendien het slechte in veel mensen extra wakker te roepen. In plaats van door de korte woonafstanden tot warme, persoonlijke vriendschappen te worden gebracht, is men maar al te vaak tot het tegendeel geneigd. In een rapport uit Londen, dat uit iedere stad had kunnen komen, is sprake van „zieke en oudere mensen die alleen in hun woning sterven en dan weken blijven liggen omdat niemand hen ooit bezoekt”. „Twintig jaar geleden zou dit absoluut ondenkbaar zijn geweest”, aldus een toevoeging bij dit bericht.

Opgesloten in kleine bovenwoningen en smalle straten, zijn ook vaak kinderen de dupe. Zij houden van ruimte en van ontdekkingstochten buiten in de natuur. Vernielen, stukslaan, breken en bekladden zijn vaak de activiteiten waarmee zij hun honger naar opwinding en het opdoen van ervaring trachten te stillen. Deze vernielingen aan gebouwen en vervoermiddelen dragen echter tot een verdere verwording van de steden bij, terwijl er nog meer zaad voor misdaad wordt gezaaid.

Aldus zijn vele wereldsteden gevangen geraakt in een vicieuze cirkel van afbrekende krachten die zichzelf lijken te voeden en te verergeren. Maar werken de stadsbesturen niet aan verbeteringen in de situatie?

Het stadsbestuur

„Geen enkele Amerikaanse stad wordt op dit moment goed bestuurd”, aldus M. Rakove, hoogleraar in de politieke wetenschap aan de universiteit van Illinois, „en het is onwaarschijnlijk dat dit met een grote stad wel ooit het geval zou kunnen zijn, gelet op de soort van problemen die zich in de steden aandienen, de eisen die er aan de politieke en bestuurlijke systemen worden gesteld en het onvermogen van die systemen om aan die eisen te voldoen.” — New York Times, 23 oktober 1975, blz. 39.

Gebrek aan permanent, stabiel leiderschap is voor veel stadsbesturen een grote handicap. In het tijdschrift Business Week stond over één ploeterende stad: „Ze wordt geleid door gekozen functionarissen die, wegens de aard van de politiek, vaak een ’na mij de zondvloed’-filosofie hanteren bij de uitoefening van hun taak.”

Zulk vergankelijk en kortstondig leiderschap kan zelfs een nadelige uitwerking hebben op de werkgewoonten van vaste ambtenaren, van wie wordt verteld dat hun werkproduktiviteit lager ligt dan van andere werkers. Extra krachten moeten aangetrokken en betaald worden om dezelfde hoeveelheid werk gedaan te krijgen, hetgeen de druk op de stedelijke schatkist alleen maar verder verzwaart. Maar wat is hiervan de oorzaak? Een functionaris van een van de grootste ambtenarenbonden in Amerika stelde het probleem als volgt: „Wanneer de ambtenaar ontdekt dat de stad er niet in is geïnteresseerd hoe hij zijn werk verricht, verliest hij er ook zijn belangstelling voor. . . . We willen het gevoel hebben dat we onder toezicht staan. Toezicht betekent dat iemand zich om ons bekommert. Wat wij nodig hebben zijn leiders.”

In plaats van werkelijke zorg aan de dag te leggen, heerst er onder veel politiek gemotiveerde stadsbestuurders de houding van „met geld bereik je alles”. Maar omdat niet de kern van de problemen wordt geraakt, vertonen hun geld-programma’s vaak de neiging tot ontzagwekkende omvang uit te groeien en de stad van levenskracht te beroven. De desastreuze gevolgen van een dergelijke politiek, kan men nu in een groot aantal wereldsteden waarnemen.

Niettemin zullen de meeste nationale regeringen wel bereid blijven om steden in nood uit de problemen te helpen, waarmee ze de financiële last over het hele land uitsmeren. Het zou dus overdreven zijn om te stellen dat alle grote steden voor een onmiddellijke economische ondergang staan. In sommige gevallen zullen ze het misschien zelfs nog heel goed lijken te rooien. Maar de tijd is niet aan hun kant.

De situatie van vele grote steden zou goed omschreven kunnen worden met de volgende woorden uit een verslag over de Britse steden:

„Hun structuur is verscheurd en uiteengerafeld. Hun diensten zijn over het algemeen in omvang en doeltreffendheid afgenomen, en dat juist in een tijd waarin er meer wordt geëist. Het is onwaarschijnlijk dat de regering zal weigeren borg te staan voor steden die net zo bankroet zijn als New York. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat de steden zullen blijven worstelen om het hoofd boven water te houden, met steeds minder doeltreffende diensten en tegen steeds hogere kosten. De levensstandaard zal blijven dalen, evenals dit met de kwaliteit van het leven het geval zal zijn. Waarschijnlijk zal het leven in de steden, net als het verkeer, steeds stroever en stroever gaan verlopen.”

Maar betekent dat dat de pathopolis-theorie van P. Geddes — de theorie van de verziekte, leeglopende en stervende stad — de enige toekomst is die voor de huidige steden is weggelegd? Bestaat er voor de grote steden geen oplossing?

[Illustratie op blz. 6]

Wegens hoge belastingen komen in veel steden jaarlijks duizenden woningen leeg te staan

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen