Mijn leven als matador — Hoe bevredigend?
Het verhaal van iemand die ervan droomde stierenvechter te worden; hoe hij deze droom wist te verwezenlijken en wat dit leven hem bood.
AL BIJNA twintig jaar lang had ik ervan gedroomd als volleerd matador door het leven te gaan, een droom die ten slotte op 2 april 1967, in Alcalá de Henares, Madrid, zijn verwezenlijking vond.
Toen ik uit mijn hotel wandelde, werd ik reeds opgewacht door een grote schare vrienden en volgelingen die op deze belangrijke dag tegenwoordig wilden zijn. Die middag zou ik tijdens een ceremonie, de alternativa genaamd, de titel matador de toros ontvangen, de hoogste beroepsrang die men bij het stierenvechten kan behalen.
De aanwezigen waren veterano matador Curro Romero, mijn „promotor”, en als officiële getuige de fameuze torero El Cordobés, Manuel Benitez. Na met een paar aanmoedigende woorden welkom te zijn geheten in deze exclusieve groep van beroepsmatadors, ontving ik wat gewoonlijk los trastos de matar, de gereedschappen van het vak, worden genoemd, te weten het zwaard en de muleta, de kleine doek om de stier te misleiden.
Daarna volgde een omarming door de twee veteranen en ten slotte een confrontatie met de stier. Ik doorstond de proef en een veelbelovende carrière lag nu voor mij. Ten slotte had ik bereikt waar ik al zo lang naar had verlangd.
Een reeds vroeg verlangen
Als jongen was stierenvechten reeds het enige dat mij interesseerde. Als het maar even kon, zat ik bij de dorpskapper op de stoep om naar de mannen te luisteren die erover praatten. In die tijd hadden zij het vooral over de dood van een van de beroemdste stierenvechters aller tijden, Manolete (Manuel Rodriguez), die in 1947 door een stier werd gedood.
Ik had me al enige tijd in het stierenvechten geoefend, zonder evenwel de beschikking over een echt dier te hebben gehad, toen ik in december 1958, op de leeftijd van nog maar net vijftien jaar, de kans van mijn leven kreeg.
Enkele oudere vrienden hadden het plan opgevat ’s nachts een omheinde veeruimte te bezoeken om te oefenen. Na enige aandrang van mijn kant mocht ik mee. Met moeite wisten zij een wilde koe van de kudde af te scheiden, zodat vier van ons haar om beurten konden „bevechten”. Aan het eind werd erover geredetwist wie van ons de beste was geweest. Eén jongen noemde mijn naam. Dat verbaasde me, omdat ik er feitelijk nog niet het flauwste benul van had wat goed stierenvechten inhield. Van toen af aan mocht ik met mijn oudere vrienden op hun nachtelijke avonturen mee, en ik verwierf heel wat ervaring.
Tijdens één zo’n nacht ontving ik een haal van een koehoorn over mijn gezicht, die mij een diepe snee van mijn mondhoek naar mijn kin bezorgde. De enige dokter in de buurt was mijn vriend, die aguardiente, een goedkope brandewijn, op de wond goot. Dat was mijn eerste verwonding, waar ik bijzonder trots op was. Maar hoe zou ik de volgende maal reageren? Hoe zou het in een arena zijn, onder de ogen van een veelkoppig publiek? Zou ik dan bang zijn?
Zulke twijfels maakten me echter nog vastbeslotener een succesvolle matador te worden.
Mijn doel nastreven
Mijn vader probeerde me op alle mogelijke manieren van mijn voornemen af te brengen. Hij sloeg me en onthield me maaltijden. En toen hij op een avond ontdekte dat ik weg was, sloot hij de deur zodat ik de rest van de nacht op straat moest doorbrengen. Toen ik dan ook zestien was geworden, besloot ik met twee vrienden, die ook stierenvechter wilden worden, van huis weg te lopen.
We gingen naar Salamanca, in het noorden van het land, een kleine 700 kilometer van mijn ouderlijk huis in Palma del Río vandaan. We reden mee op goederentreinen, en leden honger en kou, maar we wisten in leven te blijven door voedsel bij boerderijen te bedelen en soms kippen te stelen. Op bepaalde momenten dacht ik er sterk over weer naar huis terug te gaan, maar de roem van matador trok toch sterker.
Op zekere dag hoorden we dat er in Ciudad Rodrigo, in de provincie Salamanca, een stieregevecht gehouden zou worden. De stieren zijn daar zo groot dat maar weinigen het durven te wagen de ring te betreden. Mijn verlangen om stierevechter te worden, was echter sterker dan de angst voor gevaar. Beroemd zijn, dat was het enige wat ik wilde.
Bij die gelegenheid ontving ik vanwege mijn durf enig geld, voldoende om in Madrid te komen, alwaar het mij met behulp van familieleden lukte een stierenvechtersschool te bezoeken. Drie maanden lang oefende ik mij in het zogenaamde salón-vechten, en werkte hard aan de verbetering van mijn stijl.
Mijn eerste officiële gevecht
Daarna was ik een nieuweling, een zo geheten novillero. Om mijn uiteindelijke doel te bereiken en als volleerd matador te worden erkend, moest ik ervaring opdoen en voor het publiek optreden.
In 1963 was het zover dat ik mijn eerste officiële gevecht zou houden, met mijn naam op de aanplakbiljetten vermeld. Het gevecht zou plaatsvinden in mijn geboortestad, Palma del Río, in de provincie Córdoba, en gehouden worden ter gelegenheid van het religieuze stadsfeest, dat zoals in de meeste steden met twee stieregevechten zou worden opgeluisterd.
Eenmaal in de arena was ik er zo verlangend naar te winnen dat míjn woede, geloof ik, nog groter was dan die van de stier. En winnen deed ik — ik kreeg beide oren en de staart van de stier toegekend, de maximumprijs, en het recht om de volgende dag terug te keren. En opnieuw had ik succes. Iedereen juichte mij toe en zei me dat ik een groot torero of matador zou worden.
Een zakenman wierp zich op als mijn manager en vertegenwoordiger. Mijn vader, van gedachten veranderd, was er niet langer op tegen dat ik een matador zou worden, gezien de geldelijke voordelen die mijn werk me beloofde op te leveren. Aangezien ik nog minderjarig was, verklaarde hij me ten overstaan van een notaris mondig en droeg me over aan mijn manager. Alleen mijn moeder was met dit alles niet ingenomen; zij vreesde voor mijn leven.
Verdere stappen in de richting van mijn doel
Aanvankelijk ging alles uitstekend. Mijn manager behartigde mijn zaken goed. Hij zorgde voor de gevechten die ik nodig had, met jonge stieren, zodat ik me kon ontwikkelen en ervaring kon opdoen. Maar na verloop van tijd stokte mijn vooruitgang. Mijn manager bleek slechts een amateur te zijn en niet over de bekwaamheid te beschikken mij tot de status van volleerd matador te voeren. Ik had een contract met hem gesloten voor vijf jaar, en de enige manier om weer vrij te komen, was me vrij te kopen, hetgeen ik deed. Het kostte me een flinke som geld, maar het belangrijkste was dat ik weer vooruitgang kon maken.
Met een nieuwe manager verkreeg ik een contract om in Bilbao te vechten, waar zich een van de belangrijkste en grootste arena’s van Spanje bevindt. Dat zou een belangrijk gevecht in mijn carrière worden.
Tijdens mijn werk met de muleta raakte een van de horens van de stier in het doel verstrikt, en hij spietste die tegen de grond. Daar stond ik, beroofd van elke verdediging, geen middel meer om de stier te misleiden. Zonder eerverlies had ik me hardlopend in veiligheid kunnen stellen. Maar in mijn onervarenheid en verlangen naar succes, bleef ik staan op de plek waar ik stond en schopte de stier tegen zijn kop. Maar een van zijn horens raakte en doorboorde bijna volledig mijn dij.
Het bloed stroomde uit de wond. Ik had geen enkele reden om te blijven staan: Het publiek zou me stellig excuseren. Een ogenblik stond ik besluiteloos. Maar toen bleek het verlangen naar triomf en volledige erkenning sterker dan de pijn van de wond. Ik riep om een andere doek en ondanks de pogingen van arena-autoriteiten om me tot stoppen te bewegen, nam ik het opnieuw op tegen de stier. Ik begon me zwak te voelen.
Een stierenvechterspubliek verlangt niet naar tragedies, maar wanneer het gevaar voor de matador groot is, heerst er wel een sfeer van gespannen verwachting. Ondanks de verwonding wist ik het werk met de muleta en het doden van de stier tot een succesvol einde te brengen. Onder de toejuichingen van de menigte wankelde ik de arena uit, en werd toen snel naar een ziekenhuis vervoerd. Na eerste hulp te hebben ontvangen, bracht men mij over naar het speciale ziekenhuis voor stierenvechters te Madrid.
Kranten kwamen met het nieuws over mijn gevecht, en brachten mij onder de aandacht van het arena-publiek. Tevens verscheen er een foto in de pers waarop te zien was hoe ik met de wond in mijn dij de stier bevocht. Ik werd een gevierd matador en sloot contracten met de beste arena’s in Spanje en het zuiden van Frankrijk. Zo bereikte ik ten slotte mijn doel, waarna ik op 2 april 1967 de alternativa onderging.
Een bevredigend leven?
Ik ontving daarna zo’n ƒ 6500 per corrida of gevecht. Maar na daarvan mijn cuadrilla of groep te hebben betaald, alsmede alle reiskosten, restaurant- en hotelrekeningen en 10 percent aan mijn manager te hebben afgedragen, bleef voor mijzelf vaak minder dan 10 percent over. Ik vergaarde niet de rijkdom die ik wenste; ik gaf zelfs meer uit dan ik verdiende en berekende dat ik het volgende seizoen meer zou moeten verdienen.
Een tijdlang vond ik het geweldig als matador door het leven te gaan — roem en eer vielen mij ten deel. Langzamerhand werd het mij echter duidelijk dat de mensen die om mij heen zwermden, meer de vriend van de matador waren dan van mij als persoon. Zij wilden zich koesteren in de glorie die van mij als de zegepralende stierevechter afstraalde en met mij gezien worden. Na succesvolle gevechten was het hotel dan ook altijd vol met „vrienden” en werden er ter mijnen ere geweldige feesten georganiseerd. Maar wanneer het in de arena eens een keer niet zo goed was gegaan, schitterden deze „vrienden” door afwezigheid.
Bovendien werd het mij duidelijk dat de stierenvechterij in handen van slechts een klein aantal invloedrijke personen was. Enkele empresarios hadden het in de belangrijkste arena’s voor het zeggen, en of men wel of geen contract kreeg om daar te vechten, hing meer af van iemands relaties dan van iemands bekwaamheden. De meeste journalisten zwegen bovendien in alle talen over de triomfen van een matador wanneer zij niet van tevoren een „fooi” hadden ontvangen.
En behalve dat waren er ook de onvermijdelijke verwondingen. Natuurlijk waren ze de oorzaak van lichamelijke pijn, maar vaak nog meer van financiële smart omdat ze me altijd twee tot vier weken, en soms nog wel langer tot werkloosheid doemden; iets wat erg onplezierig is in een seizoen dat maar een paar maanden duurt. In de loop van de tijd liep ik zeven hoornstoten op, zodat mijn lichaam er als een landkaart begon uit te zien.
Het leven van een matador bleek langzamerhand niet dat te zijn wat ik ervan gedroomd had. Maar er was nog iets geheel anders wat bij mij twijfels deed rijzen aangaande de waarde van het leven dat ik leidde.
De matador en religie
Religie is nauw bij het stierenvechten betrokken. De meeste stierenvechters bezoeken vóór hun gevechten altijd eerst een beeldenschrijn om te bidden; velen hebben een draagbare schrijn bij zich. Ik herinner me nog hoe ik op een keer vóór een gevecht voor mijn schrijn gebeden had, maar bij terugkomst ontdekte dat het vlam had gevat! Wanneer ik iets later was gekomen, was de hele kamer uitgebrand! Dat gaf mij te denken: als deze beelden zichzelf niet konden redden, hoe zouden ze mij dan ooit bij een stieregevecht kunnen beschermen? Deze twijfel kwelde mij.
Een andere keer, tijdens stieregevechten in Frankrijk, ging ik volgens mijn gewoonte naar de biecht. Degenen die met mij wachtten, waren verbaasd en teleurgesteld dat de priester maar niet kwam opdagen om ons de biecht af te nemen. Toen hij echter hoorde dat ik er was, kwam hij wel en nam alleen mij de biecht af, zonder ook maar een moment acht te slaan op de nederige mensen die al zo lang hadden gewacht. Dit soort van incidenten begonnen aan mijn geloof in de katholieke Kerk te knagen. Toch geloofde ik in God en ik had respect voor de bijbel. Ik mocht er zelfs graag in lezen.
Vandaar dat ik op een keer bij een priester naar de bijbel informeerde, hem uitleggend dat ik graag de inhoud ervan wilde begrijpen. Maar hij ontmoedigde mij en zei dat de bijbel alleen voor theologen was en dat ik gek zou worden wanneer ik erin zou lezen. Dat bedroefde me en verzwakte mijn geloof in de Kerk nog meer.
Een beter doel in het leven
Omstreeks diezelfde tijd, in de herfst van 1968, zaten mijn vrouw en ik aan het ontbijt toen er aan de deur werd geklopt. Zij deed open en trof twee vrouwen aan de deur die met ons over de bijbel wilden spreken. Op elke vraag die ik hun stelde, gaven ze mij een bijbels antwoord. Ik stond verbaasd en kreeg het verlangen de bijbel ook zo te kunnen hanteren. Bij het lezen van de lectuur die ik van hen ontving, ging ik beseffen dat ik iets in handen had waardoor ik geholpen kon worden de bijbelkennis te verwerven waarnaar ik zo vurig verlangde. Spoedig aanvaardden wij een geregelde studie van de bijbel bij ons thuis.
Net op dat moment ontving ik ook een uitnodiging om deel te nemen aan een stieregevecht dat ter gelegenheid van een feest op een ranch gehouden zou worden. De bisschop van Sevilla was aanwezig en ik zag hoe hij van alles genoot. Maar op de een of andere manier voelde ik me niet meer op mijn plaats.
In mijn loopbaan als stierenvechter moet ik ongeveer 240 stieren hebben gedood, maar wanneer ik andere stierenvechters aan het werk zag, had ik reeds als matador medelijden met de zwaar bloedende en lijdende dieren. En naarmate ik meer bekend raakte met de leer van de bijbel, werd het mij duidelijk dat stierenvechten geen carrière voor een ware christen is. Dat stieregevecht op de ranch bleek dan ook het laatste gevecht te zijn dat ik ooit nog heb geleverd.
Naarmate ik Gods voornemen om op deze aarde een rechtvaardig nieuw samenstel van dingen te scheppen, beter leerde kennen, werd mijn verlangen om hem te dienen steeds sterker (2 Petr. 3:13). Het werd mijn voornaamste doel in het leven. En omdat de bijbel verklaart dat het Gods wil is dat alle mensen zijn voornemen leren kennen, begon ik er met anderen over te spreken. — Matth. 24:14.
Velen waren verrast, alsook blij mij te zien wanneer ik bij hen aan de deur kwam. Ze wilden dolgraag met mij over stierenvechten spreken. Maar dan nam ik de gelegenheid te baat om uit te leggen dat er iets beters is om voor te leven dan stierenvechten — namelijk het kennen en dienen van onze grootse Schepper. Dat heb ik stellig mogen ervaren — Ingezonden.