Ik was een fetisj-priesteres
Zoals verteld aan Ontwaakt!-correspondent in Dahomey
MIJN ouders noemden mij Agbodémakou toen ik meer dan vijftig jaar geleden in Porto-Novo, de hoofdstad van Dahomey (West-Afrika), werd geboren. Wij behoorden tot de familie „Hazoumé”, wat zoveel betekent als „dienaren van de koning”. De goden die wij aanbaden, werden vertegenwoordigd door fetisjen.
Weet u wat een fetisj is? De naam komt van het Portugese woord feitiço, wat betekent: „kunstmatig vervaardigd.” De term is van toepassing geworden op een stoffelijk voorwerp waarin naar men gelooft een god of geest woont, zodat er een soort van magische kracht aan wordt toegekend. Veel fetisjen bezitten menselijke vormen, en zijn dus door een bekwaam kunstenaar vervaardigd; maar er zijn er ook die weinig meer zijn dan rotsen, aardhopen of soortgelijke voorwerpen in de natuur.
Mijn familie aanbad twee goden, Sinuloko (de beschermer van kinderen) en Avesan (de eigenaar van de stad). De fetisj voor Sinuloko was een modderhoop bedekt met de bladeren van de heilige boom die wij in ons Gun-dialect Deslé noemden. De fetisj van Avesan was een smeedijzeren „asen”, met het uiterlijk van een miniatuurparaplu aan het eind van een ijzeren staaf, maar zonder doek.
Van de twee goden werd Avesan als de machtigste beschouwd. Al voordat ik werd geboren, ging mijn moeder geregeld naar de tempel die aan zijn dienst was gewijd ten einde yamswortels en kippen te offeren en soms zelfs geiten om mijn geboorte en toekomst veilig te stellen.
Een „voorteken” richt mijn leven
De fetisj-religie is zeer bijgelovig. Het leek daarom veelbetekenend dat mijn moeder op een dag een python in haar kamer aantrof. Wij kennen een gezegde dat de python nooit een bezoek brengt zonder een boodschap achter te laten. Daarom raadpleegden mijn ouders een „orakelpriester”.
Hij legde uit dat de verschijning van de python in ons huis een voorteken was dat erop duidde dat ik Avesan als fetisj-priesteres moest gaan dienen. Maar dat deed ik niet terstond.
Mijn besluit om een fetisj-priesteres te worden
Ik groeide op en trouwde met een priester van Avesan. Mijn ouders waren erg tegen ons huwelijk gekant en stelden alles in het werk om het te verbreken. En naarmate we langer kinderloos bleven, namen de moeilijkheden toe.
In een poging het lot te keren, kocht ik allerlei amuletten, voorwerpen die worden verondersteld het ongeluk af te weren. Maar ze hielpen niet. Het leek zeker dat mijn ouders er uiteindelijk in zouden slagen ons huwelijk te verbreken. Ik geraakte in wanhoop, want ik had mijn man werkelijk lief. Toen bedacht ik plotseling dat al deze moeilijkheden misschien te wijten waren aan het feit dat ik niet ter vervulling van de orakeluitspraak een fetisj-priesteres was geworden.
Na er met mijn man over gesproken te hebben en zijn aanmoediging te hebben ontvangen, begon ik mijn opleiding tot fetisj-priesteres.
Opleiding in een ”klooster”
De opleiding tot fetisj-priester of -priesteres geschiedt in een „klooster” en duurt zo omstreeks zeven maanden. Tijdens de opleiding was onze groep volledig intern en mochten we zelfs geen bezoekers ontvangen. Onze familieleden en vrienden, ook mijn man, brachten gaven en voedsel, die aan de „Douté” (de opperpriester of directeur). werden aangeboden. Dit voedsel bereikte ons pas nadat de priester zijn deel ervan genomen had.
In de loop van de gehele opleidingsperiode droegen we dezelfde kleren als waarin we gekomen waren, terwijl we ons ook niet wasten of baadden. We gebruikten enkel een doek om stof en transpiratievocht af te vegen. En transpireren deden we niet weinig wanneer wij tijdens de inspannende lessen leerden dansen en zingen ter ere van onze god.
In de loop van onze opleiding leerden we ook raffia te weven, een vezel die afkomstig is van een bepaald soort palmboom, en waarvan wij, na onze opleiding en officiële aanstelling, kleding zouden moeten maken. Tot die kleding behoorden veelkleurige rokken, een kraag en rode puntmutsen. We maakten ook koperen enkelbanden en halssnoeren van rode kralen voor onszelf. Wij vrouwen droegen bovendien nog een wit wikkelkleed dat met een kleurige sjerp op zijn plaats werd gehouden en over het raffiarokje werd gedragen.
Vlak voor het eind van onze opleiding werden op ons lichaam speciale kentekens aangebracht die ons als priesteressen van Avesan identificeerden. Als u mij wat beter bekijkt, zult u twee halve maantjes bemerken, aan beide kanten van mijn gezicht, vlak bij mij ogen, en een enkele halve maan op mijn beide wangen. Op mijn bovenlichaam bevinden zich in mijn huid kleine putjes. Die werden allemaal met een klein, scherp mesje door de opperpriester aangebracht. Fijngemalen houtskool werd in de wonden gewreven om ze aan het etteren te brengen en duidelijke littekens achter te laten. Bij elke kandidaat werden deze insnijdingen aangebracht onder het aanhoudende tam-tam van trommels om het gekerm van de „patiënt” te overstemmen.
Mijn geloof in het fetisjisme verzwakt
Een van de taken van een fetisj-priesteres heeft met amuletten te maken — voorwerpen die worden verondersteld een dorp te beschermen tegen of verlichting te bieden van rampen als brand, overstroming of ziekte. De amuletten worden door de opperpriesters gemaakt en op plekken achtergelaten die onbekend zijn aan het volk. Fetisj-priesters en -priesteressen moeten dan onder luid gezang, gedans en tromgeroffel naar deze amuletten gaan zoeken, die vervolgens, na opgespoord te zijn, in een grote boomstamkano naar het midden van een lagune worden vervoerd, en daarna in het water worden geworpen. Hierdoor, zo meent men, wordt het dorp van de kwade invloed bevrijd.
Het was tijdens de verrichting van een dergelijke rite dat mijn geloof in het fetisjisme begon te wankelen. Ik zag ineens dat deze amuletten slechts door mensen vervaardigde voorwerpen van klei, hout of ijzer waren, voorwerpen die soms bij de geringste aanraking uit elkaar vielen. Ik vroeg mij af: „Hoe kunnen zulke levenloze voorwerpen iemand beschermen?” Het zou echter nog even duren voor mijn geloof in het fetisjisme de absolute genadeslag ontving.
Dat gebeurde toen mijn man, zelf een fetisj-priester, plotseling ziek werd en stierf — onbegrijpelijkerwijs op dezelfde dag als waarop hij nog een dienst voor Avesan had verricht door diens tempel te schilderen. Hoe kon Avesan zijn priester zo laten sterven? Waarom had de fetisj mijn man niet genezen en beschermd? Daar, op dat moment, kwam er aan mijn geloof in het fetisjisme volledig een eind. Met mijn man begroef ik tegelijkertijd mijn zelfgemaakte en zelden gedragen fetisj-kleding.
Toen ik leerde over de ware God
Ik verhuisde van Porto-Novo naar Cotonou met het vaste besluit een nieuwe religie te gaan zoeken. Kort na mijn aankomst in Cotonou kwamen er Jehovah’s getuigen bij mij aan de deur. Aan de hand van de bijbel vertelden zij mij over een geheel nieuw samenstel van dingen dat zich spoedig over de gehele aarde zal uitstrekken. Een van de schriftplaatsen die zij mij die dag voorlazen, was Openbaring 21:3, 4, waar staat: „God . . . zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.”
Hoe liefelijk klonken die woorden mij in de oren! Voor het eerst zag ik weer hoop voor mijn overleden man. Ik bestormde de Getuigen met vragen en luisterde aandachtig naar hun logische, op de bijbel gebaseerde antwoorden. Zo iets had ik nog nooit eerder gehoord. Toen deze mensen bij mij weggingen, gaven ze mij een exemplaar van de brochure „Dit goede nieuws van het Koninkrijk”, terwijl ze mij beloofden binnen een week terug te komen. Maar aan de brochure had ik niets, want ik kon niet lezen en schrijven.
Er niet tevreden mee nog een volle week te moeten wachten voordat de Getuigen zouden terugkomen, ging ik hen na twee dagen opzoeken. Met liefde en geduld begonnen ze mij lezen en schrijven te leren. Binnen slechts enkele maanden begreep ik al genoeg uit mijn eigen exemplaar van de bijbel in het Gun om de schriftplaatsen te kunnen nalezen die bij mijn eerste contact met de Getuigen zoveel voor mij hadden betekend.
Telkens opnieuw kwamen de Getuigen terug. Op een keer brachten zij een vrouw mee die dezelfde merktekens op haar gezicht en lichaam had als ik. Ook zij was eens een fetisj-priesteres geweest. Toen deze vrouw echter door middel van een studie van de bijbel de ware God had leren kennen, zette zij de aanbidding van door mensen gemaakte afgodsbeelden aan de kant, beelden die noch kunnen zien, noch kunnen voelen, noch kunnen spreken. En ik besloot hetzelfde te doen. — Ps. 115:4-8.
Mijn vooruitgang in de ware aanbidding verliep niet zonder problemen. Al gauw leerde ik dat Jehovah God een belangrijke tegenstander heeft, Satan de Duivel, die mensen ervan tracht af te houden Jehovah te dienen (1 Petr. 5:8). Ik ondervond tegenstand, zowel van de zijde van mijn ouders als van mijn voormalige medebeoefenaars van het fetisjisme.
Een God machtiger dan fetisjen
Enkele fetisj-aanbidders bereidden zelfs een aantal juju’s tegen mij voor. Dat zijn fetisjen die soms worden gebruikt om mensen door middel van zwarte magie ter dood te brengen. Van deze methode is bekend dat mensen er soms binnen enkele dagen door ter dood zijn gebracht. Maar in mijn geval werkte de methode niet.
De fetisj-aanbidders stuurden spionnen om te zien of ik nog leefde. En steeds wanneer zij mij zagen, verkeerde ik in goede gezondheid, terwijl enkelen van degenen die mij met behulp van de fetisjen hadden trachten te doden, ziek werden, en een van hen, de directeur van het fetisj-„klooster”, zelfs stierf. Dit verbaasde degenen die mij kenden en schonk mij de gelegenheid om hun over de ware God Jehovah te kunnen vertellen. Hij is machtiger dan de goden die zichzelf met fetisjen verbinden en die in werkelijkheid goddeloze geestelijke schepselen of demonen zijn (Ef. 6:12). Ik wees op wat er in Spreuken 18:10 staat: „De naam van Jehovah is een sterke toren. Hier snelt de rechtvaardige binnen en ontvangt bescherming.”
In 1959 symboliseerde ik door middel van de waterdoop mijn opdracht om Jehovah God te dienen, en door Gods onverdiende goedheid ben ik ook in staat geweest de afgelopen negen jaar al mijn tijd te besteden aan het spreken met anderen over de bijbelse waarheden die mij in mijn leven zoveel vreugde hebben geschonken. Op die manier heb ik een aantal personen kunnen helpen eveneens van de slavernij aan valse aanbidding bevrijd te worden. Wat ben ik gelukkig niet langer fetisj-priesteres van een valse god te zijn, maar een gewillige slaaf van de ware God Jehovah! — Rom. 12:11.