Het winstmotief — de subtiele vijand van een hongerige wereld
DE LANDBOUWEXPORT uit de Verenigde Staten bedroeg in 1973 één vijfde van alle daar geteelde gewassen. Als die grote export beperkt of te veel aan banden gelegd zou worden, zouden de landbouwprodukten zich in de V.S. opstapelen, met als resultaat dat de prijzen zouden gaan zakken. Wat gebeurt er dan?
Wellicht gaat de boer met opzet minder verbouwen, aangezien nog meer voedsel op de markt tot nog lagere prijzen zou leiden.
Dat was dan ook het antwoord dat E. Butz, de Amerikaanse minister van landbouw, gaf op de vraag van het tijdschrift Farm Chemicals over wat er zou gebeuren wanneer de landbouwprijzen zouden dalen. „Dan zal ook de landbouwproduktie dalen”, was zijn antwoord. Ja, de boeren hebben ontdekt, aldus een waarnemer in Iowa, dat ’de naam van het spel is: winst maken’.
Dit winstmotief was trouwens al lang bij veel boeren aanwezig. Jarenlang, tot de ongewenste gebeurtenissen van de afgelopen jaren die aan het droomleven van menige boer een eind maakten, geloofden zij dat er aan geld verdienen geen eind kon komen. Maar sommigen die dat meenden en steeds meer geld gingen investeren om meer te kunnen produceren, verkeren nu zwaar in de schuld.
Wegens het winstmotief zijn ook veel landbouwers tegen het idee van een wereldvoedselreserve. Iemand die geen landbouwer is, vindt het wellicht een goed idee om tijdens jaren van overvloed een behoorlijke hoeveelheid graan op te slaan, die dan tijdens mindere jaren kan worden aangesproken. De bijbel verhaalt hoe dit in het oude Egypte in de dagen van Jozef gebeurde, een feit waarnaar vaak door voorstanders van graanopslag wordt verwezen. — Zie Genesis, de hoofdstukken 41-47.
Maar veel Amerikaanse landbouwers vinden dit op verre na een goed idee. Waarom? Eén antwoord verschaft ons een voormalige assistent van de Amerikaanse minister van landbouw, die de boeren ervan trachtte te overtuigen dat zij elke vorm van een wereldvoedselreserve zouden moeten steunen en daaraan zouden moeten bijdragen. Maar zoals hij zegt: de behoefte aan export zou dan afnemen, en een belangrijke basis van de landbouwinkomsten zou dan aan de boeren onttrokken worden. Toen het blad Farm Journal aan deskundigen vroeg of er een reserve gevormd zou kunnen worden zonder dat dit voor de boeren een nadelig effect op de landbouwprijzen zou hebben, was het antwoord een kort en krachtig: „Nee!”
Het winstmotief zou daarom wel eens de oorzaak van rampzalige moeilijkheden op wereldomvattende schaal kunnen zijn.
Gaat de tussenhandelaar met de winst strijken?
Maar als het niet de boer is die rijk wordt van de stijgende prijzen, wie dan wel? Veel boeren en consumenten wijzen op „De tussenhandelaar”. Wie is dat?
De naam is van toepassing op iedereen die bij de verhandeling van voedsel betrokken is vanaf het moment dat het de boer verlaat tot u het in de winkel koopt. De landbouwers geven verpakkers, vervoerders, directies van supermarkten en anderen de schuld van de hogere voedselprijzen. Maar elk van deze groepen verdedigt zich met de opmerking dat zij evenals de boer het slachtoffer zijn van de inflatie en de prijs wel moeten verhogen wanneer hun eigen kosten de hoogte ingaan. Alles wat zij willen, zeggen zij, is een eerlijke winst om van te kunnen leven en hun bedrijf te kunnen uitoefenen. Met andere woorden, zij zijn evenals de boer slechts een radertje in het systeem.
Ook de marktspeculanten en de grote voedselvoorzieningsbedrijven worden door de boeren beschuldigd van prijsopdrijving. Hoe steekhoudend zijn dergelijke beschuldigingen?
Wanneer een Amerikaanse boer een belangrijk voedingsprodukt, zoals graan, heeft te verkopen, verkoopt hij het meestal niet rechtstreeks aan een bakker of iemand anders die het onmiddellijk gaat verwerken. Het gaat in plaats daarvan naar een plaatselijke graansilo, waar het gekocht en tijdelijk opgeslagen wordt. De prijs die de boer bij de silo ontvangt, wordt bepaald door de ’levensmiddelenmarkt’.
Het ministerie van handel houdt zich op de hoogte van de hoeveelheid graan (en andere landbouwprodukten) die over het gehele land in de silo’s komt, en stelt mogelijke kopers ervan in kennis wat er te koop is. Daarna accepteert het de orders van kopers. De over de gehele Verenigde Staten in silo’s aanwezige voorraad, het aanbod dus, wordt afgewogen tegen de vraag van de kopers en dat bepaalt uiteindelijk de prijs die de boer voor zijn graan ontvangt.
Speculanten kopen landbouwprodukten tegen een zekere prijs, vrijwel net zoals iemand aandelen op de aandelenmarkt koopt. De speculant koopt in werkelijkheid geen graan; hij heeft niet de bedoeling het ooit te gaan gebruiken, maar hij wacht slechts tot de prijs ervan omhooggaat. Dan verkoopt hij het en het meerdere wat hij er dan voor krijgt, is zijn winst. Deze handelaars, aldus de boeren, hebben geen enkele rechtstreekse binding met de verbouw van voedsel, maar zorgen wel voor een aanzienlijke stijging van de voedselprijzen.
Maar de speculanten herinneren de boeren eraan dat ook zij slechts een radertje zijn in het systeem en slechts geïnteresseerd zijn in een eerlijke winst. Telkens wanneer zij graan of andere produkten kopen, nemen ze een groot risico. De prijzen gaan niet altijd omhoog, zo betogen zij; wanneer ze zakken, kunnen speculanten ontzaglijke verliezen lijden.
Hoe het ook zij, iemand moet toch de eigenaar zijn nadat het graan de boer heeft verlaten en nog niet de uiteindelijke verbruiker heeft bereikt, aldus de speculanten. Als de speculant zijn geld niet zou riskeren om te betalen voor wat feitelijk neerkomt op het „opslaan” van graan, dan zou, nog steeds volgens hun redenatie, iemand anders dit moeten doen; uiteindelijk zou dus toch iemand het geld krijgen dat nu de speculant ontvangt.
En de grote graanbedrijven? Manipuleren die de markt, dat wil zeggen, spannen ze samen om kolossale winsten te maken? De mogelijkheid dat iemand op de een of andere wijze ten eigen bate de markt beheerst, bestaat natuurlijk altijd. Maar mogelijkheden zijn geen bewijzen. Evenals de landbouwers en alle andere „tussenhandelaren” beweren ook de graanbedrijven dat ze slechts een bescheiden winst willen maken. En dat is ook de reden waarom ze het meeste graan dat uit de V.S. wordt geëxporteerd, aan „rijke” en niet aan „arme” landen verkopen! De armen kunnen niet voldoende betalen.
Het grote Amerikaanse landbouwsysteem dat op winstbejag is gebaseerd, kan, hoewel gedeeltelijk succesvol, niet tot onbepaalde tijd zo blijven functioneren. Het is als een jonge hond die zijn eigen staart achterna zit. Omdat iedereen die erbij betrokken is, geld wil en ook noodzakelijkerwijs moet verdienen, volgens het huidige economische systeem althans, bereikt het voedsel niet de armen, die het niet kunnen betalen of die niemand hebben die het voor hen betaalt.
Daarom luidde de conclusie van de St. Louis Globe-Democrat: „Bekijkt men de voedselsituatie, dan ziet men grote landbouwers aan de ene kant, winkeliers aan de andere kant en daartussenin een warrige massa van wat men de tussenhandelaren noemt. Daarin een kleine boer aanwijzen, zo die er nog is, is zo goed als onmogelijk.”
„Voeg dit alles te zamen en wat hebt u gekregen?” vraagt Harper’s magazine. Het antwoord wordt zelf gegeven: „De beschrijving van een systeem dat op instorten staat.”
Er is dus een beter systeem nodig, dat is duidelijk. Maar wat voor systeem?
Hoop voor de hongerigen
Zou een systeem gebaseerd op onzelfzuchtigheid, ware liefde en bezorgdheid voor anderen niet beter zijn dan het huidige op winstbejag gebaseerde stelsel? Maar wie kan een dergelijk nieuw stelsel in het leven roepen en laten functioneren?
De Schepper van de aarde en de mensheid is daartoe in staat. En de bijbel onthult dat het ook zijn voornemen is dit te doen. De Koninkrijksregering waar Jezus zijn volgelingen om leerde bidden, zal ervoor zorgen dat er spoedig op aarde een nieuw systeem in het leven wordt geroepen (Matth. 6:9, 10; 2 Petr. 3:13). De bijbel belooft dat in die tijd „de aarde zelf . . . stellig haar opbrengst [zal] geven; God, onze God, zal ons zegenen” (Ps. 67:6). De aarde zal een paradijs zijn.
Waarom zou u Jehovah’s getuigen niet toelaten aan de hand van de bijbel uit te leggen wat de heerschappij van Gods koninkrijk uiteindelijk voor de gehele aarde zal betekenen? U kunt hen bereiken door naar de uitgevers van dit tijdschrift te schrijven.
Maar het boerenbedrijf, wat valt daarover in het huidige samenstel te zeggen? Veel boeren willen niet graag met hun werk ophouden. Zij waarderen de plezierige kanten van het door hen gekozen leven zeer. Een landbouwer in de Amerikaanse staat Wisconsin merkte op: „Je hebt de voldoening een eigen bedrijf te bezitten. Het is plezierig om met dieren te werken, ze mee te maken in hun speelse levensperioden. Het is eveneens plezierig om graan en hooi te zien groeien en het elk jaar te mogen oogsten. Een landbouwer kan zijn eigen werkschema opstellen en op verschillende momenten van de dag tijd met zijn gezin doorbrengen. Het boerenbedrijf heeft dus veel aangename kanten. Veel landbouwers vinden dat hun werk hen dichter tot God brengt.”
Zij houden van het boerenbedrijf. Maar zij verafschuwen het onderdrukkende wereldomvattende systeem dat eerlijke werkers — boeren, verpakkers, verkopers, verzenders en winkeliers — dag en nacht bezighoudt, hun een minimumwinst toekent voor hun arbeid en dan nog op de een of andere manier bewerkt dat het voedsel nooit bij de mensen komt die het werkelijk nodig hebben. Met intense vurigheid bidden zulke mensen tot God om de verwezenlijking van zijn belofte: „Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde.” — Matth. 6:9, 10.
[Illustratie op blz. 12]
Het winstmotief is er de oorzaak van dat de meeste landbouwers en graanbedrijven tegen elke vorm van een wereldvoedselreserve zijn