De Salomons-eilanden maken eind aan verbod
DE 30e december van 1974 was een dag van speciale vreugde voor alle getuigen van Jehovah op de Salomons-eilanden. Die dag vond namelijk de opheffing plaats van een verbod krachtens hetwelk de invoer en verspreiding van de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! op die eilanden in de Grote Oceaan verboden was geweest. Achttien jaar lang was het verbod van kracht geweest.
Wat was de reden geweest voor het verbod? Werd het werk van Jehovah’s getuigen op de Salomons-eilanden erdoor bemoeilijkt? Wat leidde tot de ophef van het verbod?
Al sinds het begin van de jaren ’50 zijn Jehovah’s getuigen op de Salomons-eilanden actief geweest. In die tijd onderhield een inheemse eilandbewoner die er verlangend naar was de bijbelse waarheid te leren kennen, een briefwisseling met het bureau van het Wachttorengenootschap in Australië. Terzelfder tijd was er ook een Europeaan, een Britse onderdaan, die als een van Jehovah’s getuigen op de Salomons-eilanden werkzaam was.
Op 23 maart echter, in het jaar 1956, werd er door J. Gutch, een Britse functionaris en hoge commissaris voor de Westerse Pacific, een proclamatie uitgevaardigd, inhoudende een verbod op de invoer van bepaalde publikaties gedrukt door de Watch Tower Bible and Tract Society, met inbegrip van de twee hierboven genoemde tijdschriften, en dat geldend voor het Britse Protectoraat der Salomons-eilanden (B.S.I.P.).
Kort daarna werd de Europese Getuige het Protectoraat uitgewezen. Sommigen hebben wellicht gedacht dat dat het einde betekende van het bestaan van de Getuigen op die eilanden. Maar de toekomst wees anders uit.
De bovengenoemde eilandbewoner, die naar het Wachttorengenootschap schreef, bleef de bijbelse waarheid in zich opnemen. Naderhand begonnen hij en twee andere inheemse bewoners de bijbelse boodschap ook met hun buren te delen. Dat was in 1957. Deze man was tevens de eerste inheemse bewoner van de eilanden die als een van Jehovah’s getuigen gedoopt werd.
Hoewel deze ijverige christenen bij hun openbare predikingsactiviteiten geen gebruik mochten maken van De Wachttoren en Ontwaakt, werkten ze hard. Tegen augustus 1958 waren er elf getuigen van Jehovah actief op de Salomons-eilanden werkzaam. Een jaar later was dit aantal omhooggesprongen tot 86, van wie er 49 gedurende de voorgaande 12 maanden waren gedoopt. Tegen augustus 1962 waren er 239 Getuigen op de Salomons-eilanden, en nu is hun aantal tot meer dan 600 toegenomen.
De bewoners van de Salomons-eilanden hebben een flinke geestelijke eetlust. Dit blijkt wel uit het feit dat 2000 van hen geregeld de plaatselijke bijeenkomsten van Jehovah’s getuigen bijwonen. En tijdens de Gedachtenisviering van Christus’ dood, op 7 april 1974, waren er 2477 personen aanwezig.
Het leek derhalve passend om met verhoogde ijver te trachten het verbod op de twee belangrijkste publikaties van Jehovah’s getuigen opgeheven te krijgen. Hoe slaagde men hierin?
Extra inspanning om het verbod opgeheven te krijgen
Het verbod was tijdens het Britse bestuur over de eilanden van kracht geworden. Maar tegen het eind van 1973 stond het Britse Protectoraat op het punt zelfbestuur te verkrijgen. De voor het merendeel inheemse Bestuursraad ontving steeds meer verantwoordelijkheden. Dit leek dan ook een uitstekend tijdstip om met extra inspanning te trachten het verbod opgeheven te krijgen.
Een inheemse Getuige benaderde hierover het Secretariaat in Honiara en ontving de raad om naar de Hoofdsecretaris te schrijven. Dit werd gedaan, maar de tijd verstreek zonder veel resultaat. Enkele leden van de Regeringsraad, voor het merendeel van de eilanden zelf afkomstig, werden persoonlijk benaderd met het verzoek of zij de kwestie in de volgende Raadsvergadering aan de orde zouden willen stellen. Enkelen lieten doorschemeren dat zij dit wel wilden, maar er gebeurde niets.
Vervolgens schreef de International Bible Students Association, een wettelijke corporatie van Jehovah’s getuigen, naar het Ministerie van Buitenlandse en Gemenebestzaken in Londen. Het antwoord luidde gedeeltelijk: „Wat uiteindelijk zal gebeuren, dient een beslissing van de B.S.I.P.-regering te zijn, terwijl het voor Hare Majesteits Regering niet passend zou zijn beslissingen ongedaan te maken die plaatselijk genomen zijn betreffende kwesties van voornamelijk plaatselijk belang.” Het was derhalve opnieuw nodig de inheemse leiders te benaderen.
Maar ondertussen voltrok zich een nieuwe ontwikkeling. Er vonden verkiezingen plaats, waardoor er een eerste minister en andere ministers kwamen die een Wetgevende Vergadering vormden. Er werden regelingen getroffen voor een onderhoud met de eerste minister. Hij deed de suggestie een verzoekschrift op te stellen en dit aan de Gouverneur te richten, ondertekend door zoveel getuigen van Jehovah als maar mogelijk was. Dit geschiedde, en op 16 november 1974 werd er een verzoekschrift met 650 handtekeningen aan de Gouverneur overhandigd. Kopieën werden ook verschaft aan de eerste minister en alle andere ministers die deel uitmaakten van de Wetgevende Vergadering. In het verzoekschrift kwamen ter zake dienende passages uit het „British Solomon Islands”-Formulier van 1974 voor, gaande over de bescherming van de „Fundamentele rechten en vrijheden”, zoals die in Hoofdstuk 1 van dat Formulier vermeld staan. Gedeeltelijk luidde het verzoekschrift als volgt:
„Met respect willen wij uw aandacht vestigen op Punt Eén onder Clausule 10 van Hoofdstuk 1 van het Formulier van 1974. ’Zonder toestemming van de betrokkene zelf, mag niemand gehinderd worden in het genieten van zijn vrijheid van meningsuiting, en wat de doeleinden van dit gedeelte betreft, de voornoemde vrijheden omvatten de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren, de vrijheid om zonder inmenging gedachten en inlichtingen over te dragen, de vrijheid om zonder inmenging gedachten en inlichtingen te ontvangen, en de vrijheid om zonder inmenging briefwisseling te voeren.’ Het is onze overtuiging dat de christelijke organisatie van Jehovah’s getuigen beroofd is van haar ’vrijheid om zonder inmenging gedachten en inlichtingen te ontvangen’, wegens het feit dat zij niet in staat wordt gesteld de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! en andere publikaties van de Watch Tower Bible and Tract Society te ontvangen. Bovendien heerst er de overtuiging dat de Getuigen tot nog toe niet de volledige vrijheid hebben genoten om ’zonder inmenging gedachten en inlichtingen over te dragen’, aangezien het hun onmogelijk wordt gemaakt bovengenoemde publikaties te verspreiden.”
Had dit verzoekschrift gunstige resultaten? Een brief van het Regeringshuis, gedateerd 11 februari 1975, en getekend door de Gouverneur van het Britse Protectoraat der Salomons-eilanden, luidde gedeeltelijk als volgt:
„Betreft het verzoekschrift, dd. 6 november 1974 door uzelf en anderen ondertekend. Zoals u wellicht reeds zult hebben opgemerkt, is op 30 december 1974 Proclamatie-formulier No. 1 van 1956 gewijzigd door weglating van de volgende passages: —
’Enige vorige of toekomstige uitgaven van het tijdschrift „Ontwaakt!”’
’Enige vorige of toekomstige uitgaven van het tijdschrift „Wachttoren”.’
Dit betekent dat u vrij bent deze tijdschriften in te voeren en te verspreiden. Doet u mij het genoegen ook de andere indieners van het verzoek hiervan op de hoogte te stellen.”
Recente regeringsveranderingen op de Salomons-eilanden hebben inderdaad tot een grotere vrijheid van meningsuiting geleid. Dit heeft bij Jehovah’s getuigen de hoop gewekt dat ook andere verzoeken, om toestemming bijvoorbeeld dat zendelingen het Protectoraat mogen binnenkomen, te zijner tijd ingewilligd zullen worden.