Wanneer het antwoord werkelijkheid zal worden
ER KAN geen twijfel over bestaan dat het hele menselijke ras verenigd dient te worden zodat allen tot het algemene welzijn kunnen samenwerken om de moeilijkheden te overwinnen die de vreugde uit het leven wegnemen. Gelukkig heeft Jehovah God een tijd vastgesteld waarop hij alle dingen door middel van zijn Zoon, Jezus Christus, weer met zichzelf in harmonie zal brengen. Hierover lezen wij in de bijbel: „Het is overeenkomstig [Gods] welbehagen, dat hij zich had voorgenomen, aan de volledige grens van de bestemde tijden een bestuur [een beheer] te hebben, namelijk om alle dingen weer bijeen te vergaderen in de Christus, de dingen die in de hemelen en de dingen die op de aarde zijn.” — Ef. 1:9, 10.
Merk op dat deze bijeenvergadering in eenheid met Christus „aan de volledige grens van de bestemde tijden” is begonnen, dat wil zeggen op een tijd welke tevoren door God was vastgesteld. Dit bleek het jaar 33 van onze gewone tijdrekening te zijn. Toen, op de pinksterdag van dat jaar, is Jehovah God begonnen mannen en vrouwen die als mederegeerders met zijn Zoon voor de hemel bestemd waren, bijeen te brengen (Hand. 2:1-4, 14-21; 2 Kor. 1:20-22; Ef. 2:4-7). Dit is echter niet zijn enige doel. Hij wil ook alle „dingen die op de aarde zijn” in volmaakte eenheid met zijn Zoon brengen.
Waarom in onze generatie?
Zouden wij, aangezien het begin van deze bijeenvergadering onder Jezus Christus op Gods bestemde tijd is begonnen, niet eveneens kunnen verwachten dat dit met de uiteindelijke bijeenvergadering van „de dingen die op de aarde zijn” ook het geval zal zijn? Wanneer wij de huidige door problemen gekwelde, verdeelde wereld bezien, is het dan niet duidelijk dat zo’n bijeenvergadering een wanhopig dringend vereiste is?
Werkelijk, wij leven in een tijd die met geen andere periode uit de geschiedenis te vergelijken is. Eén datum, 1914 G.T., springt naar voren als het begin van deze tijd van ongekend geweld, onzekerheid, verdeeldheid en zich opstapelende problemen. Geen wonder daarom dat geschiedkundigen gewoonlijk over 1914 spreken als over een „keerpunt”. Kolonel R. E. Dupuy schrijft:
„De politieke structuur van de gemeenschap der natiën, balancerend op het toppunt van machtsevenwicht, stortte in 1914 als een kaartenhuis ineen. Voordat de Eerste Wereldoorlog was geëindigd, waren drie grote rijken in het bloedbad weggevaagd, de laatste vervallen overblijfselen van het Heilige Roomse Rijk met zich meeslepend, terwijl een nieuwe kracht in het stelsel der wereldmachten onder invloed van de leerstellingen van Karl Marx langzaam opkwam.
De Eerste Wereldoorlog was een betekenisvolle mijlpaal op de grote weg der wereldgebeurtenissen. Hij kenmerkte het eind van het ene en het begin van een ander tijdperk.”
Lang vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hadden ernstige bijbelonderzoekers, thans over de hele wereld bekend als Jehovah’s getuigen, reeds de aandacht gevestigd op 1914 als het jaar dat het beginpunt zou kenmerken van de enorme moeilijkheden voor de huidige goddeloze wereld. Zij deden dit op grond van de chronologie en de profetieën van de bijbel. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog erkenden veel mensen dat hetgeen deze bijbelonderzoekers hadden aangekondigd, niet al te licht moest worden opgevat. Op 30 augustus 1914 schreef de New York World in zijn bijlage:
„Het uitbreken van de verschrikkelijke oorlog in Europa heeft een buitengewone profetie in vervulling doen gaan. De afgelopen vijfentwintig jaar hebben de ’Internationale Bijbelonderzoekers’, . . . de wereld via predikers en door middel van de pers bekendgemaakt dat de Dag der Gramschap, waarover in de bijbel wordt geprofeteerd, in 1914 zou aanbreken. ’Ziet uit naar 1914!’, is de roep geweest van de honderden reizende evangelisten die als vertegenwoordigers van deze vreemde geloofsovertuiging het gehele land zijn doorgetrokken, de leer verkondigend dat ’het koninkrijk Gods is nabijgekomen’.”
De gebeurtenissen die als een vervulling van de bijbelse profetieën sindsdien hebben plaatsgevonden, bevestigen dat 1914 het begin bleek te zijn van de „laatste dagen” van dit huidige samenstel van dingen.
Welingelichte mensen koesteren een somber voorgevoel en vrees met betrekking tot de toekomst. Op 5 september 1974 merkte bijvoorbeeld de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kurt Waldheim, op dat er een „welhaast algemeen gevoel van bezorgdheid” heerst met betrekking tot de vraag waar het met de wereld naar toe gaat. Hij was bijzonder verontrust over de gevoelens van „hulpeloosheid en berusting” welke met deze vrees gepaard gaan.
De toestand blijkt thans beslist precies zo te zijn als Jezus Christus heeft voorzegd: „Op de aarde radeloze angst der natiën, die . . . geen uitweg weten, terwijl de mensen mat worden van vrees en verwachting omtrent de dingen die over de bewoonde aarde komen.” — Luk. 21:25, 26.
Waarop duiden deze ontwikkelingen in verband met de toekomst? Binnen de levensduur van velen die van het begin van de „laatste dagen” getuige zijn geweest, zullen Gods toegewijde dienstknechten een grootse bevrijding meemaken. Na te hebben gesproken over de vrees en angstige verwachting onder de natiën, vervolgde Jezus Christus: „Als nu deze dingen beginnen te geschieden, richt u dan rechtop en heft uw hoofd omhoog, omdat uw bevrijding nabijkomt. . . . Let op de vijgeboom en alle andere bomen: Wanneer ze reeds in knop staan, weet gij voor uzelf, door het gade te slaan, dat nu de zomer nabij is. Zo ook wanneer gij deze dingen ziet geschieden, weet dan dat het koninkrijk Gods nabij is. Voorwaar, ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan totdat alle dingen geschieden.” — Luk. 21:28-32.
De tijd waarop Gods koninkrijk het bestuur over alle aardse aangelegenheden zal overnemen en een volmaakte eenwording van de mensheid onder Christus zal bewerkstelligen, is dus zeer nabij gekomen. Dit betekent dat alles wat deze grootse eenwording tegenstaat, moet worden verwijderd, met inbegrip van de Duivel en zijn demonenhorden. De koning Jezus Christus zal de voornaamste zijn die alle oppositie zal breken en de weg zal banen voor het begin van ’s mensen herstel, door de verzoenende waarde van zijn slachtoffer op hen toe te passen. — 2 Thess. 1:6-10; Openb. 19:11-21; 20:2, 3.
Aldus zullen alle verbijsterende problemen waar de mensheid nu voor staat, voorgoed worden opgelost en wel op een wijze die minnaars van rechtvaardigheid werkelijk tot voordeel zal strekken. Zou u niet graag tot degenen behoren die die grootse bevrijding door Gods koninkrijk onder Christus zullen meemaken? Zo ja, dan zult u beslist iets willen doen. Betoon uzelf een loyale ondersteuner van de wijze waarop God „de dingen die op de aarde zijn” bijeenvergadert. Misschien vraagt u zich echter af: „Hoe kan ik dit doen?”
[Diagram op blz. 16]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
ALLES IN ÉÉN GENERATIE
1914
WERELDOORLOGEN
ZWARE HONGERSNODEN
EPIDEMISCHE ZIEKTEN
GEWELDDADIGE MISDADEN
WERELDOMVATTENDE VERVUILING
Einde van dit samenstel