Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g75 22/5 blz. 16-22
  • Waarom niemand de economie kan voorspellen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waarom niemand de economie kan voorspellen
  • Ontwaakt! 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De economie is een systeem
  • Hoe „goed” is het economische systeem?
  • Een samensmelting van problemen
  • Voorspellingen onmogelijk
  • Wat is er mis met de economie?
    Ontwaakt! 1982
  • Wat is er met de prijzen aan de hand?
    Ontwaakt! 1974
  • Is zekerheid mogelijk te midden van economische dreiging?
    Ontwaakt! 1975
  • Waar „zweeft” uw geld heen?
    Ontwaakt! 1974
Meer weergeven
Ontwaakt! 1975
g75 22/5 blz. 16-22

Waarom niemand de economie kan voorspellen

DE EINDJES aan elkaar knopen gaat niet meer zo gemakkelijk als het eerst ging. Een huisvrouw geeft in de winkel meer geld uit voor minder produkten. Haar echtgenoot verdient meer dan ooit, maar met wat hij verdient, kan ze toch minder doen. Zal de situatie ooit weer beter worden?

De economie van vooral de niet-communistische, Westerse wereld heeft aanleiding gegeven tot voorspellingen van een grote nationale of internationale financiële ineenstorting. In wonderlijke tegenstelling daarmee zijn er andere deskundigen die zeggen dat de huidige economische toestand slechts van voorbijgaande aard is, een fase in de economische aanpassing, een aanpassing aan geheel nieuwe en krachtige invloeden. Spoedig, zo profeteren zij, zal de economische situatie zich weer met gezwinde spoed verbeteren.

Wie heeft gelijk? Meer dan één deskundige houdt zich wat dat betreft zorgvuldig op de vlakte. Het tijdschrift Business Week schreef in een tamelijk somber getint artikel over de V.S. dat „de nationale schuldenlast als een strak gespannen koord is . . . Het koord is nog niet gebroken, en misschien zal het ook nooit breken. . . . Toch weet niemand het precieze breekpunt en hoewel er plannen en theorieën in overvloed zijn, weet ook niemand werkelijk hoe de spanning kan worden verminderd”.

Maar hoe komt het dat de economische toestand zo moeilijk te voorspellen is? Waarom weet u niet zeker hoeveel uw geld morgen waard zal zijn — zo het nog iets waard zal zijn? Enig inzicht in de elementaire grondbeginselen van de economie zal ons helpen daar een antwoord op te krijgen.

De economie is een systeem

In haar eenvoudigste definitie verwijst het woord economie naar de wijze waarop goederen en diensten worden geproduceerd en verdeeld. De studie van de economie is derhalve de studie van een systeem.

In praktisch elke gemeenschap hebben mensen dingen nodig die andere mensen bezitten. Eén man, A, heeft schapen, die wol produceren; een andere man, B, bezit verf voor die wol. Als elk daartoe bereid is, dan ruilen of verwisselen zij goederen. A krijgt verf en B krijgt wol. Economie is in wezen een systeem van gezamenlijk ruilen.

Maar gesteld dat A verf van B wil hebben, maar B heeft wat hem betreft al genoeg wol. Wat doet A dan? Of wat te doen wanneer beiden van de weefdiensten gebruik willen maken die door een derde, C, worden geboden? Hoe krijgt C vergoeding voor zijn arbeid? Een economisch systeem moet groot genoeg zijn om deze iets ingewikkelder procedures mogelijk te maken. Hoe?

Er wordt geld gebruikt. Geld — dat wil zeggen, een betaalmiddel — vertegenwoordigt iets van waarde en is een instrument dat een uitwisselsysteem van goederen en diensten grote soepelheid verleent. Geld moet natuurlijk niet verward worden met echte rijkdom. Wat A aan werkelijke waarde heeft, zijn zijn schapen. B en C daarnaast beschikken over respectievelijk verf en vakbekwaamheid als dingen van werkelijke waarde. Het geld vertegenwoordigt slechts dat wat elk aan werkelijke waarde bezit.

Maar wat maakt ieders produkten of diensten zo waardevol? Simpelweg de vraag ernaar. Zou niemand ooit wol nodig hebben, dan zou de waarde van wol laag blijven. Is daarentegen iedereen voor zijn kleding van wol afhankelijk, dan bestaat er naar dat produkt een grote vraag en heeft het derhalve een hoge waarde.

De zogenaamde „klassieke economen” zoals de Schot Adam Smith, die leefde in de achttiende eeuw, adviseerden dat men een economisch systeem vrijelijk als water zijn eigen niveau moest laten zoeken. Vraag en aanbod zouden het „niveau” van alle afzonderlijke produkten en diensten bepalen. Zou dus één man of één bedrijf een produkt of dienst goedkoper leveren dan een concurrent, dan zou deze laatste uiteindelijk door de vraag van het publiek uit de markt geconcurreerd worden.

Ook de prijzen zouden worden bepaald door de vraag. Wanneer de vraag hoog is en het aanbod beperkt, dan zijn de prijzen hoog. Bestaat er daarentegen weinig vraag naar een in grote overvloed aanwezig produkt, dan zijn de prijzen laag. Dit zijn zo ruwweg de grondbeginselen van een „vrij” economisch systeem. Ongehinderd zou het, volgens de gedachtengang van velen, tot onbepaalde tijd kunnen blijven bestaan.

Een waarschuwing is hier echter op haar plaats. Eenvoudig het feit dat een systeem van tevoren is overdacht, betekent nog niet automatisch dat het in de praktijk ook „goed” werkt.

Hoe „goed” is het economische systeem?

Afgemeten naar bepaalde maatstaven, lijkt het economische systeem van de Westerse wereld wellicht heel doeltreffend. Maar is het in de praktijk ook werkelijk een „goed” systeem? Of blijkt het bij nader inzien grotendeels een stelsel van zelfberoving te zijn? Laten we eens zien.

Vooral de afgelopen decennia na de oorlog hebben deskundigen meer invloed op de economie uitgeoefend. Waarom? Als een economisch systeem werkelijk goed werkt, met een door vraag en aanbod beheerst prijsverloop, waarom dan trachten haar naar eigen hand te zetten? Tal van redenen worden opgegeven, maar in wezen zijn er twee belangrijke factoren.

Ten eerste is er de vrees — een verlangen een bepaald onderdeel van de economie te „beschermen”. Zo weet elke werkman, maatschappij of groep van arbeiders, of zo men wil, een hele natie, dat zij, als zij de concurrentiestrijd verliezen, geen werk meer hebben.

Wellicht kennen zij de economische „theorie” heel goed. Zij weten dat de vraag van het publiek hun produkt of dienst overbodig heeft gemaakt en zij in feite gewoon naar een ander deel van de economie zouden moeten „verhuizen” om daar weer een produktieve rol te kunnen gaan spelen en te voorzien in datgene waar het publiek naar vraagt.

Maar zij weten ook dat dit voor hen persoonlijk radicale veranderingen zou betekenen. Neem een al wat oudere man die zich zijn leven lang heeft bekwaamd in een bepaald vak, een vak echter waar geen behoefte meer aan bestaat; moet er nu van hem worden verwacht dat hij plotseling iets geheel anders gaat leren? En zijn salaris? Het is duidelijk dat iemand die geen ervaring heeft met betrekking tot een bepaald werk minder verdient dan toen hij nog het vak uitoefende waarin hij wel ervaring had, maar dat nu uit de tijd is. Dat betekent dat zijn gezin minder geld zal hebben om van te leven, zodat zij hun levensstandaard zullen moeten verlagen. En wie wil dat?

Ja, de theorie van vraag en aanbod, een vrije onbeperkte markt, enzovoort, lijkt misschien globaal genomen, over generaties of eeuwen gezien, een goed systeem. Maar de man die nu zijn baan verliest, heeft er niets aan. De econoom Henry Hazlitt schrijft dan ook:

„En dat was nu de grote verdienste van de klassieke economen . . . dat zij zich bekommerden om de gevolgen die een bepaalde economische politiek of ontwikkeling op de lange duur en op de gehele gemeenschap zou hebben.”

Maar, zo voegt Hazlitt daaraan toe:

„Het was echter ook hun zwakheid dat zij met hun weidse en brede visie soms vergaten wat korter en dichterbij te kijken. Zij waren vaak geneigd de onmiddellijke gevolgen van bepaalde ontwikkelingen op speciale groepen te bagatelliseren of geheel te vergeten. . . . [Deze situatie] is eigen aan bijna alle industriële en economische vooruitgang.”

Om die reden hellen de meeste Westerse economen nu weer naar het andere uiterste over; het „lange termijn”-effect van bepaalde maatregelen wordt vergeten wanneer zij gaan eisen dat bepaalde betrekkingen of bepaalde soorten van werkgelegenheid koste wat het wil gehandhaafd moeten blijven. Laten we ter illustratie hiervan een aantal, zij het ook eenvoudige voorbeelden nemen.

Stel dat men in de V.S. een wollen herenpak kan fabriceren en verkopen voor $80, maar dat er in Hong Kong firma’s zijn die hetzelfde pak maken en bovendien nog naar de V.S. vervoeren voor $40. De meeste, zo niet alle, klanten zouden twee „Hong Kong”-pakken kopen voor de prijs van één Amerikaans pak. Zou dit zo blijven, dan zou er geen vraag meer naar Amerikaanse pakken zijn en zouden duizenden werkers in de confectie-industrie geen werk meer hebben.

Wat doet men dus? Men gaat invoerrechten heffen op naar de V.S. geëxporteerde pakken; ze worden zwaar belast. Hierdoor gaat natuurlijk de prijs van deze buitenlandse pakken drastisch omhoog en de Amerikaanse confectie-industrie is gered. Oppervlakkig gezien, lijkt dat voortreffelijk, maar kijken we wat verder dan onze neus lang is, dan ziet het beeld er heel anders uit.

Neem de koper. Hij betaalt nu $40 meer voor een pak. Dat geld had in andere delen van de economie besteed kunnen worden, aan televisietoestellen of koelkasten, om maar iets te noemen. Theoretisch had de Amerikaanse pakkenmaker naar een van deze andere industrieën kunnen verhuizen. De invoerrechten voorkomen echter dat hij met deze onaangename verschuiving wordt geconfronteerd. Maar de arbeiders in de Chinese confectie-industrie? Zij lopen de kans hun baan te verliezen omdat hun zwaar belaste pakken in het buitenland niet meer verkocht worden. Zij zijn gedwongen op een andere manier in hun levensonderhoud te gaan voorzien. Het probleem is dus niet werkelijk opgelost, maar afgewenteld op het buitenland. Met de grote, zeer grote nadruk die de afgelopen decennia op nationale belangen en rechten is gelegd, zijn er door allerlei landen meer en meer beperkingen van deze aard in de economie ingebouwd.

Een zelfde proces voltrekt zich binnen elk land. Een andere illustratie: Met de invoering van diesellocomotieven werden stokers overbodig; er waren voor hen geen kolen meer te scheppen. Desalniettemin slaagden de vakbonden erin de stokers hun baan te laten behouden. Hoewel men het bijna geen baan kon noemen; ze werden eenvoudig betaald om op de diesellocomotieven mee te rijden. De baan van de stoker was gered, alleen ten koste van de passagiers en vrachtverzenders, die extra moesten betalen. In plaats van de stokers over te hevelen naar de confectie-industrie om daar pakken te maken, waar op dat moment misschien grote vraag naar bestond, betaalde het systeem hen om bij de spoorwegen te blijven. Ondertussen betaalde de klant meer voor moeilijk verkrijgbare pakken alsook voor het zwaarder belaste spoorwegvervoer.

Het aantal beperkingen van deze aard is de afgelopen decennia massaal gegroeid en bestrijkt thans bijna elk facet van het economische leven, van kleine winkels tot reuzenfirma’s en grote boerderijen. Elk land, elke vakvereniging, elke maatschappij, ja, elke man en vrouw zorgt angstig voor zichzelf. Een dergelijke — onder de gegeven omstandigheden heel begrijpelijke — vrees wordt ingegeven door de gedachte dat wanneer men niet voor zichzelf zorgt, niemand anders dit zal doen. En zoals we hebben gezien, is het systeem van de „vrije” economie hier ook inderdaad niet op ingesteld, tenzij het in iemands speciale belang wordt beteugeld.

Stellig wijst dit op een belangrijk nadeel van het huidige economische systeem. Hoe kan er immers een onbeperkte wisselwerking tussen vraag en aanbod worden gehandhaafd als er terzelfder tijd maatregelen worden genomen die dit systeem in zijn natuurlijke voortgang belemmeren? Toch zijn die beperkingen nodig willen de mensen nu werk hebben. Men hoeft geen economisch genie te zijn om in te zien dat een dergelijk lomp en tegenstrijdig systeem te eniger tijd onder zijn eigen gewicht in elkaar moet zakken.

Een samensmelting van problemen

Maar alsof dat nog niet genoeg was, is er nog een ander moeilijk te neutraliseren element in de trieste economische soep gekomen — namelijk hebzucht. Ongeacht wat zij werkelijk nodig hebben, willen mensen steeds meer materiële dingen en een „betere levenswijze”, zelfs ten koste van anderen. Elke arbeider wil een hoger loon en elke fabrikant wil hogere prijzen voor zijn produkten. Zo sprak dan ook Bruno Durieux in het Parijse dagblad Le Monde over „de permanente strijd tussen sociale groepen om hun aandeel aan de nationale welvaart te behouden of zelfs te vergroten”.

Als iemand die in dienst wordt genomen om wollen pakken te vervaardigen, een hoger loon eist, dan komt dat tot uiting in een prijsverhoging van het uiteindelijke produkt. Andere mensen die het pak willen kopen, hebben dan ook meer geld van hun werkgever nodig. De produkten en diensten die zij kunnen leveren, stijgen eveneens in prijs, en men is in een afschuwelijke spiraal terechtgekomen. Wegens de omhoog schietende vraag, kunnen de produkten niet snel genoeg vervaardigd worden, zodat de prijzen blijven stijgen. Dit is één kwalijke vorm van inflatie.

Even, zo niet meer verwoestend is de rol die de regeringen zelf hebben gespeeld bij het aanwakkeren van de inflatie. Zoals reeds eerder werd opgemerkt, heeft geld slechts een vertegenwoordigende waarde. De totale muntvoorraad van een land zou dus, eenvoudig bezien, niet datgene mogen overschrijden wat die muntvoorraad aan werkelijke waarde vertegenwoordigt, dat wil zeggen, dat wat het land kan produceren. Desondanks hebben hedendaagse landen dit elementaire beginsel overtreden en een hoeveelheid geld gedrukt die ver uitgaat boven de werkelijke waarde ervan. Weliswaar doet men dit meestal met een reden — bijvoorbeeld om in tijden van nationale crisis de wapenleveranciers te kunnen betalen — maar de extra geldhoeveelheid die aldus in de economie wordt gepompt, maakt het geld op zich minder waard; alles gaat in termen van „guldens en centen” meer kosten.

En naarmate de inflatie voortschrijdt, kan het volk steeds minder kopen voor meer geld. Met andere woorden, het geld verliest zijn waarde, en ook in vergelijking met het geld van andere landen is het minder waard dan in de periode vóór de inflatie. Dus moet het officieel op de wereldmarkt worden gedevalueerd. Buitenlanders kunnen dan makkelijker de nu voor hen goedkopere produkten van het getroffen land kopen . . . en daarmee nog meer economische rampspoed brengen. Hoe? Doordat zij gaan vragen naar stoffen waaraan reeds een tekort bestaat — daardoor was immers grotendeels de inflatie ontstaan. Met welk gevolg? Meer inflatie! „Wilde inflatie” teistert nu de economie van de meeste Westerse landen.

Wanneer het geld van een land wordt gedevalueerd, verliest het natuurlijk nog meer dan alleen maar zijn waarde. Het verliest het vertrouwen van veel mensen. Zij houden op met investeren en trachten te houden wat zij hebben. De industrie en handel verliezen dus het extra kapitaal dat ze nodig hebben om te kunnen uitbreiden, ten einde aan de vraag naar produkten tegemoet te kunnen komen. In plaats van de produktie te verhogen, moeten ze haar verlagen. Maar: de prijzen blijven hoog. Men gaat minder werken of wordt tijdelijk naar huis gestuurd en de kans bestaat dat er een „recessie”, een economische teruggang, intreedt. De situatie zoals die momenteel in de V.S. en elders heerst, wordt door sommigen als een vorm van recessie beschreven. Een recordaantal stakingen heeft de produktie nog verder verlaagd.

Inflatie, recessie, werkloosheid — tegelijkertijd — het is allemaal verbijsterend genoeg. Niettemin is de huidige overmaat aan problemen een nachtmerrie geworden. Hoe? Door de invoering van nieuwe, onverwachte elementen. De olieprijzen zijn verviervoudigd en andere natuurlijke hulpbronnen zijn moeilijker verkrijgbaar en derhalve duurder geworden. Deze radicale veranderingen — waarvan nog slechts enkele maanden geleden in het geheel geen sprake was — hebben nagenoeg elke industrie in de Westerse wereld met verbijsterende en soms verwoestende gevolgen getroffen.

Ongunstige weersomstandigheden hebben geleid tot een lagere oogstopbrengst; snel groeiende bevolkingen leggen beslag op de beperkte voorraden. Daardoor ook zijn eens goedkope produkten als bonen en suiker diverse malen in prijs gestegen. Bijna dagelijks moet een groter deel van ons inkomen worden besteed aan de aankoop van de noodzakelijke levensbehoeften.

’s Mensen verlangen naar steeds meer van alles is op nog een andere manier van invloed geweest op het economische systeem. We denken daarbij aan het kopen op krediet. Toen de economie opbloeide en gezond leek, was krediet erg populair. Momenteel schijnt de belangstelling voor krediet te verminderen, nu de mensen beseffen dat zij hun schulden toch niet met inflatiegeld kunnen afbetalen. De hoge rentebedragen schijnen de leners nog verder af te schrikken. Minder gebruik van krediet betekent echter een mindere aankoop van produkten en diensten, en dus een verdere domper op de produktie. Maar tot voor kort ging iedereen er blindelings van uit dat de economische groei zich desondanks zou voortzetten. In de V.S. is de totale schuld aangegroeid tot $2,5 biljoen. Dat is meer dan tweemaal het bruto nationaal produkt (ofte wel de totale waarde van de in één jaar geproduceerde produkten en diensten). Tegenover elke Amerikaanse dollar die in omloop is, staat nu $8 schuld.

Ja, een groot deel van het ogenschijnlijk „economische wonder” dat zich in de jaren na de oorlog in de Westerse wereld heeft voltrokken, was feitelijk niet meer dan een luchtspiegeling, voornamelijk gebaseerd op schuld — op geleend geld. Of zoals Thomas Oliphant in de Sunday Globe schreef, opmerkend dat de Amerikanen thans „weinig beter af zijn dan hun ouders . . . Hun grotere materiële rijkdom schijnt meer het resultaat te zijn van een grotere beschikbaarheid van krediet dan van een gezondere economie”. Het land zit net als zoveel andere landen hopeloos in de schuld.

Voorspellingen onmogelijk

Is het dan een wonder dat bij de aanwezigheid van al deze genoemde en nog honderden ongenoemde factoren, met hun ingewikkelde invloed op de Westerse economie, niemand precies kan voorspellen waar het op uit zal lopen? De problemen zijn niet langer beperkt tot een klein aantal landen, maar zijn wereldomvattend en onderling verweven. De geringste wijziging in de politieke of economische situatie van één land kan het hele economische netwerk ontregelen.

De economen zijn dus op drift geraakt, in de grote economische oceaan spartelend om net als ieder ander het hoofd boven water te houden. Zij zijn verbijsterd over de grote reeks onderling met elkaar verband houdende factoren. „’s Mensen kennis over zijn eigen economische instellingen is beperkt”, aldus een bekentenis van R. W. Everett, verbonden aan de Economische Researchafdeling van de Newyorkse Chase Manhattan Bank, daaraan nog toevoegend: „Een goede analyse wordt bovendien nog bemoeilijkt door de constante veranderingen die deze instellingen ondergaan.”

De onmogelijke taak waarvoor de economische toekomstvoorspellers zich gesteld zien, werd kleurrijk beschreven door rubriekschrijver Max Lerner:

„Dit is voor economen het zonnige seizoen. Zij schijnen niet veel te weten, en wat ze weten heeft weinig baat. Maar het is prachtig om hen gade te slaan als ze kronkelen en spartelen, wriemelen en springen als vissen in het net van de economische omstandigheden.”

De meesten van hen hopen het beste ervan, maar een gegronde reden voor die hoop kunnen ze niet geven. En zelfs al zou het huidige systeem zich tijdelijk aan de huidige crisis weten te ontworstelen, welke zekerheid heeft men dan dat het in de toekomst het evenwicht zal kunnen bewaren? Zoals we hebben gezien, lijkt het einde duidelijk op komst. De vraag is alleen: Wanneer zal het komen?

Mensen met geloof in de bijbel weten dat een wereldverandering — niet slechts een grote wijziging in het economische systeem — op komst is. Zij weten dat de bijbel zegt dat dit wereldomvattende systeem niet goed kan werken en spoedig zal verdwijnen om te worden vervangen door een stelsel van Gods eigen ontwerp. Nu reeds, terwijl zij nog duidelijk onder de invloed verkeren van het systeem waarin zij leven, stellen zij er hun vertrouwen al niet meer in (Matth. 6:9, 10, 19-34). Zij zien voor een nauwkeurig begrip van de toekomst naar iemand anders op, namelijk naar God.

[Grafiek op blz. 20]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

INFLATIE V.S. SINDS EERSTE WERELDOORLOG

Eerste Wereldoorlog

Grote Depressie

Tweede Wereldoorlog

Oorlog in Korea

Oorlog in Vietnam

1915

1935

1955

1974

[Illustratie op blz. 17]

„Niet ik, maar hij is de schuld van de inflatie!”

WINKELIER

FABRIKANT

OLIEMAATSCHAPPIJ

OLIEPRODUCENT

REGERING

KLANT

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen