Rotsen, wind en vrouwen
Door Ontwaakt!-correspondent in Korea
„WIJ hebben hier op ons eiland heel wat mooie en interessante dingen”, vertelde ons vol vertrouwen een bewoner van het eiland Tsjedzjoe. En een vlugge blik om ons heen leek dit inderdaad volledig te bevestigen.
Waar we zijn? Zoals gezegd op het eiland Tsjedzjoe, op slechts 150 kilometer afstand zuidzuidwest van de meest zuidelijke punt van het Koreaanse schiereiland. Een eiland waar de deuren zelden op slot gaan en slechts een stok, schuin voor het hek, erop duidt dat de bewoners weg zijn. Niet om dieven tegen te houden, is hij daar geplaatst, maar om vrienden al van verre te waarschuwen dat er niemand thuis is en zij zich een vergeefse reis kunnen besparen. In veel gevallen treft men de mannen thuis aan om het huishouden te doen en voor de kinderen te zorgen. Hun vrouw is dan weg om de kost te verdienen. Aan de zuidelijke zeekust groeien mandarijnbomen en andere subtropische gewassen, terwijl op nauwelijks 20 kilometer afstand pool-gewassen voorkomen bovenop de 2000 meter hoge Mount Halla.
Ja, het eiland Tsjedzjoe bezit tal van interessante kenmerken, maar, zoals de eilander die wij spraken nog vermeldde, „er zijn hier drie dingen die in grote overvloed voorkomen — rotsen, wind en vrouwen”.
Drie soorten van „overvloed”
Het eiland heeft iets weg van een grote rots, overdekt met allemaal kleinere rotsen, van verschillende afmetingen. Het merendeel van deze rotsen is ontstaan toen Mount Halla, midden op het eiland gelegen, nog een actieve vulkaan was en grote keien naar alle hoeken van het eiland spuwde. Net aan de westkant van Mount Halla loopt bovendien een ongewone rotsvallei met meer dan 500 recht omhoogstekende rotspunten.
De tweede overvloed — wind — geeft dag en nacht van zijn harde en nooit aflatende aanwezigheid blijk. „Maar”, zo vertelde ons een jonge vrouw met blozende wangen, „we hebben hier nooit last van de verwoestende tyfonen die de andere eilanden in dit zeegebied teisteren.” En de harde wind heeft voor haar bovendien als prettige bijkomstigheid dat hij make-up overbodig maakt. Onze gastheer was er snel bij om ons daarop te wijzen. De blozende vrouwenwangen zijn „absoluut echt”, zo verzekerde hij ons. „De stevige wind en een goede gezondheid houden ze in stand.”
Het eiland Tsjedzjoe heeft nog een andere overvloed — een onevenredig groot aantal vrouwelijke bewoners, vooral in de middelbare-leeftijdsgroep. Hoe dat komt?
We moeten daarvoor alweer meer dan 500 jaar teruggaan. Het eiland Tsjedzjoe werd toen gebruikt als verbanningsoord voor ongewenste vrijdenkers en intellectuelen van het vasteland van Korea. Deze mannen waren geleerden en niet gewend om enig werk met hun handen te verrichten, terwijl zij als edelen ook weigerden om „lagere” arbeid te verrichten. Daarom werden er slavenmeisjes met hen mee gestuurd, en vanaf die tijd werken de vrouwen voor de kost terwijl de mannen thuisblijven en op de kinderen passen. En aangezien de vrouwen op Tsjedzjoe dus altijd voor hun werk op pad zijn, ziet men hen vaker dan de mannen, zodat ze ook meer in aantal lijken. Bovendien werden er op 3 april 1948 honderden Tsjedzjoe-mannen uitgemoord, omdat velen van hen de kant van het communistische Noord-Korea hadden gekozen, nadat Amerikaanse en Russische troepen op 15 augustus 1945 het schiereiland Korea in twee stukken hadden verdeeld. De communistische Tsjedzjoe-mannen vochten later met de Zuidkoreaanse Nationale Politie en velen verloren daarbij hun leven, zodat de totale mannelijke bevolking op het eiland nog verder werd gedecimeerd.
De wereldberoemde vrouwelijke duikers
Het eiland Tsjedzjoe is beroemd om zijn vrouwelijke duikers of „zeevrouwen”, zoals ze plaatselijk worden genoemd — vrouwen die hun gezin onderhouden door naar de oceaanbodem te duiken en daar allerlei verkoopbare waar te verzamelen: zeeoorschelpen, sponsen, kammosselen, zeeslakken en zeewier. Soms komen ze zelfs met inktvissen en kleine octopussen boven. De duikende vrouwen beginnen hun opleiding als meisje van omstreeks vijftien jaar en werken zich in ongeveer tien jaar op tot volleerde duiksters. Slechts met een duikbril op en zonder enig ander hulpmiddel duiken zij soms wel tot twaalf meter diep.
Deze vrouwen zijn in staat om drie minuten lang ingespannen onder water bezig te zijn, terwijl zij tevens het wonderbaarlijke vermogen bezitten om onder de koudst denkbare omstandigheden door te werken. Het is niet vreemd om wintertoeristen, die een bezoek brengen aan de kale en koude noordpunt van het eiland, in een lichte sneeuwval foto’s te zien nemen van duikende Tsjedzjoe-meisjes.
Het oude en het nieuwe Tsjedzjoe
Als iemand tussen 21 januari en 4 februari een bezoek aan het eiland brengt, zal hij onmiddellijk de indruk krijgen dat iedereen tegelijkertijd aan het verhuizen en opknappen is. En die onderstelling zou gedeeltelijk zelfs kloppen! Deze hardwerkende eilanders geloven namelijk in allerlei „goden” en geesten en passen er altijd voor op deze niet te mishagen. Tussen 21 januari en 4 februari echter hebben deze goden rust, zo geloven zij, en kunnen de mensen rustig verhuizen, reparaties verrichten of veranderingen in hun woning aanbrengen, zonder een „inwonende godheid” te mishagen. Deze gewoonte is in de steden overigens snel aan het uitsterven, doch wordt in de meeste dorpen nog altijd in ere gehouden.
Hoe staat het met de taal? De Tsjedzjoe-bevolking spreekt Koreaans, maar dan wel een Koreaans met woorden en uitdrukkingen die sterk afwijken van het moderne Koreaans. De taal die namelijk gesproken wordt, is in feite de taal van de Koreaanse edelen van 500 jaar geleden. Deze mannen kwamen hier toen in Korea nog het achtentwintig-letteralfabet in zwang was. Nu is op het vasteland een alfabet van vierentwintig letters in gebruik, zodat er welgerekend vier afzonderlijke klanken verloren zijn gegaan. Deze klanken zijn echter behouden gebleven op Tsjedzjoe! De taal van de eilanders heeft derhalve iets bijzonders en is rijker dan het vasteland-Koreaans.
Een wandeling door een typisch Tsjedzjoesch dorpje, zoals Sogwipo aan de zuidkust, geeft iemand veel inzicht in de wijze waarop het dagelijks leven hier verloopt. In het midden van Sogwipo aangeland, zien we in westelijke richting schone, brede straten met enkele auto’s en een grote menigte vrouwelijke straatventers en langs de straten schone cafés, met een maximumcapaciteit van niet veel meer dan tien gasten. Het opgediende voedsel is heerlijk en zwaar gekruid. Krijgt men bij het eten geen tranen in de ogen, dan zat er volgens de eilanders niet voldoende Spaanse peper in.
Als we verder wandelen en langs een bron komen, worden we eraan herinnerd dat water dragen op Tsjedzjoe een vrouwenbezigheid is, evenals zoveel ander zwaar werk hier. De vrouwen verzamelen zich rond de putten en vullen hun grote kruiken van aardewerk met water, binden die in een draagband op hun rug en vervoeren ze zo naar huis.
Als we wat beter op de huizen letten, valt ons een eigenaardige bijzonderheid op: de muren en het fundament zijn „gewoon” van steen en het dak van rijstriet, maar over het huis hangt een net van touw, dat als een groot visnet het zwakke dak beschermt tegen de altijd aanwezige harde wind. Dit net is òf aan alle kanten aan de grond bevestigd, òf wordt strak gehouden door losbengelende stukken rotssteen rond het hele huis. Die keurige „vissersnetten” geven het eiland een geheel eigen aanblik en horen er evenzeer thuis als de sterke wind waartegen ze bescherming moeten bieden.
Maar ook op Tsjedzjoe heeft de invloed van de twintigste eeuw zich doen gelden — vooral in de vorm van buitenlandse toeristen, met het gevolg dat er zich opmerkelijke veranderingen hebben voltrokken in het landschap en de gewoonten van de mensen. Waren er eens slechts met riet bedekte hutten — thans wonen in de hoofdstad (Cheju City) al mensen in moderne laagbouwwoningen. Elk jaar brengen duizenden buitenlandse bezoekers hier een rustige vakantie door in de ontspannen atmosfeer van dit door vriendelijke mensen bewoonde eiland. Dit is echter niet de enige verandering die zich heeft voltrokken.
Verandering van levenspatroon
Er komt ook een opmerkelijke verandering in het leven van veel eilandbewoners wanneer zij uit de bijbel vernemen welke hoop er bestaat voor de toekomst. Zo stelde onze Koreaanse gastheer ons voor aan een zeer waardige en vriendelijke man van vijfenvijftig jaar, goed gekleed en zich onderscheidend als een ware gentleman bij alles wat hij deed. „Toch”, zo vertelde onze gastheer, „is hij niet altijd zo’n gentleman geweest. Vroeger was hij een zware drinker en de luiste man van het hele eiland!” „Ja, dat is zo”, bevestigde een andere eilandbewoner. „Hij kwam altijd naar mijn café en dronk dan zoveel rijstwijn dat hij niet meer kon lopen. Heel wat nachten heeft hij buiten mijn café op de stoep doorgebracht, vast in slaap op de plek waar hij was gevallen nadat we hem uit het café hadden gewerkt.” Deze man had een vrouw die hem onderhield en zijn drinkgewoonte bekostigde. Op een dag echter kwam hij in contact met Jehovah’s getuigen door middel van de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! en begon aan een studie van de bijbel. Dit veroorzaakte grote veranderingen. Hij heeft zijn leven nu in overeenstemming gebracht met bijbelse beginselen en is nu degene die zorgt voor de materiële en geestelijke behoeften van zijn gezin. Hij besteedt ook 150 uur per maand aan het onderwijzen van anderen over de wonderbare hoop voor de toekomst zoals die in Gods Woord de bijbel staat.
Na enig aandringen vertelde onze gastheer ook, hoe hijzelf een van Jehovah’s getuigen was geworden. Grinnikend en ietwat verlegen met zijn voeten schuifelend terwijl hij aan vroeger terugdacht, begon hij: „Ik kwam met de bijbel in aanraking omdat ik een echte Tsjedzjoe-man was.” „Wat bedoelt u?” vroegen we hem. „Wel, mijn vrouw was degene die het gezin onderhield. Zij werkte de hele dag terwijl ik thuis was en voor de kinderen zorgde. Op een dag, want ik was altijd thuis, trof ik Jehovah’s getuigen aan de deur. Zij boden aan, mij en mijn gezin uit de bijbel te onderwijzen. En aangezien ik toch helemaal niets om handen had, ging ik op dat aanbod in. Steeds meer begon ik te beseffen dat hetgeen de Getuigen leerden, logisch en waar was, en dat het allemaal rechtstreeks in de bijbel stond. Ik studeerde met ernst en toewijding en kwam ook tot het duidelijke besef dat ìk en niet mijn vrouw voor ons gezin moest zorgen. Langzamerhand bracht ik met behulp van de bijbelse waarheid veranderingen in mijn leven aan. Nu zorgt mijn vrouw voor de kinderen terwijl ik in ons onderhoud voorzie door citrusvruchten te kweken en nu ook als een van Jehovah’s getuigen anderen uit de bijbel onderwijs geef over God en over zijn wonderbare voornemen om van deze aarde een prachtig paradijs te maken.”
Wij brachten slechts één week op dit mooie eiland door, maar toen het moment van vertrek was aangebroken, bemerkten wij dat deze vriendelijke, eerlijke en oprechte bewoners van het eiland Tsjedzjoe ons hart hadden geraakt en een indruk hadden achtergelaten die wij niet snel zouden vergeten. Rotsen, wind en vrouwen zijn er in grote overvloed, maar zo ook eerlijk gezinde mensen die trachten God te behagen.