Wat is de zienswijze van de bijbel?
Kritiek op andermans religie — onchristelijk?
IN DE Catholic Review, een katholiek blad dat in Baltimore, in de Amerikaanse staat Maryland verschijnt, stond onlangs een artikel over een Amerikaanse religieuze groep die de laatste tijd veel in het plaatselijk nieuws was geweest.
Als reactie op het artikel ontving het blad een groot aantal boze brieven. Waarom? In een volgende uitgave schreef de redacteur van de Catholic Review dat de briefschrijvers algemeen van mening waren „dat we in deze eeuw van oecumene niet het recht hebben om iets te publiceren wat sommige mensen zouden kunnen opvatten als kritiek op een bepaalde religieuze groep”. Bent u het met de briefschrijvers eens?
Veel mensen zullen deze vraag met „Ja” beantwoorden en opmerken dat ’er in alle religies iets goeds schuilt’ of dat ’alle religies tot God leiden’. Zo schreef bijvoorbeeld Ontwaakt! nog niet zo lang geleden een artikel waarin de leer van het Boeddhisme in het licht van de bijbel werd beschouwd. Een boeddhistische bisschop maakte tegen dit artikel bezwaar, opmerkend dat dit een tijd is voor „interraciaal, internationaal en interreligieus begrip”. Ja, veel mensen vinden dat het tijd is voor een vrije, oecumenische kijk.
Is dit echter ook niet een tijd waarin grote waarde wordt gehecht aan eigenschappen als openheid en eerlijkheid? En geldt dit niet evenzeer op het terrein van religie? Er zijn mensen die er anders over denken. Pedro Arrupe bijvoorbeeld, generale overste van de Jezuïetenorde, is „strikt tegen elke kritiek op de Kerk”, aldus zijn eigen woorden in een katholieke krant in Madrid. „Het is onduldbaar”, zo verklaarde hij verder, „dat enige fout, hoe echt ook, aan de grote klok wordt gehangen door afzonderlijke personen of groepen, ongeacht hoe goed ze het misschien ook bedoelen.” In een commentaar op die verklaring stond echter in The Catholic World dat het hoofd van de Jezuïeten „teruggreep naar een ideaal van een voorbije eeuw. De richting van de Kerk is definitief veranderd”. Iets soortgelijks schreef ook een van Europa’s belangrijkste katholieke theologen: „Wij hoeven onze instemming en ons amen niet aan alles in de Kerk te geven. Kritiek, ja, luide kritiek, kan een plicht zijn.” — The Council, Reform and Reunion.
Er bestaat echter een zienswijze die nog veel belangrijker is. Namelijk die van de bijbel. Wat kunnen wij uit de bijbel — en vooral uit het verslag over Jezus’ leven — opmaken over kritiek op geloof? Is het wèl of niet christelijk andermans geloof te bekritiseren?
Mensen die kritiek volledig afkeuren, verwijzen soms naar Jezus’ woorden: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt” (Matth. 7:1, Nieuwe Vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap). Na die woorden ging Christus zijn toehoorders vertellen dat zij ’het strootje in het oog van hun broeder’ moesten voorbijzien totdat ze de balk uit hun eigen oog hadden verwijderd (Matth. 7:3-5). Maar wat bedoelde hij?
Een commentaar van Jamieson, Fausset en Brown luidt: „Uit de samenhang blijkt dat hetgeen hier veroordeeld wordt, de houding is om ongunstig neer te zien op het karakter en de daden van anderen, iets wat onveranderlijk leidt tot het uiten van een overhaast, onrechtvaardig en liefdeloos oordeel.” En na aangetoond te hebben dat Jezus hier op een persoonlijk soort van ’veroordeling’ doelde, merkt commentator Albert Barnes op dat Jezus „verwijst naar een privé-mening . . . en misschien wel voornamelijk naar de gewoonten van de schriftgeleerden en Farizeeën”. Jezus’ raad dient door elke christen te worden toegepast, om niet overhaast de gewoonten en voorkeuren van anderen te veroordelen. (Vergelijk Romeinen 14:1-4, 10.) Wat Jezus in Matthéüs 7:1-5 verbood, heeft derhalve geen betrekking op het leveren van openhartige, bijbelse kritiek op de geloofsgewoonten en overtuiging van anderen. Hoe kunnen we daar zeker van zijn? Schenk eens aandacht aan Jezus’ eigen voorbeeld.
Bij één gelegenheid sprak Jezus over bepaalde joodse religieuze leiders die meer aandacht aan hun tradities schonken dan aan het volgen van Gods Woord. Vermeed Christus het angstvallig andermans religie te bekritiseren? Integendeel, hij zei: „Daarmee hebt gij het woord van God krachteloos gemaakt terwille van uw eigen overlevering. Hoe juist heeft Isaias [Jesaja] over u, huichelaars, geprofeteerd, toen hij zeide: Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. Zij eren Mij, maar zonder zin” (Matth. 15:6-9, Sint-Willibrordvertaling). Wat is uw reactie op zulke woorden van kritiek? Ze zouden de gevoeligheid van bepaalde mensen kunnen kwetsen. Maar was Jezus „onchristelijk” toen hij ze uitsprak? Stellig niet.
Misschien nog feller zijn zijn woorden in Matthéüs hoofdstuk 23. Daar noemt hij de religieuze leiders „dwazen en blinden”, ja, „blinde gidsen” en „slangen, adderengebroed” (Matth. 23:16, 17, 24, 33). Moeten wij door zulke woorden geschokt zijn? Opnieuw de vraag: Was Jezus „onchristelijk”? De rooms-katholieke priester B. Vawter, gaf als commentaar dat deze „redevoering wat pijnlijk is, zowel vanwege haar lengte als haar hardheid, maar toch gezien moet worden als een historisch verslag en een onderdeel van de Evangelieboodschap”. — The Four Gospels: An Introduction.
Maar vraag uzelf af: Waarom oefende Jezus openlijk kritiek op religieuze mannen die beweerden dezelfde God te dienen als hij predikte? Had hij daarmee een slechte beweegreden? In het geheel niet. Behalve dat hij mild van aard en vriendelijk was, had hij ook een grote liefde voor rechtvaardigheid en een verlangen om eerlijk gezinde mensen te helpen. Dit bewoog hem ertoe kritiek te leveren op degenen die dingen leerden en praktijken beoefenden die in strijd waren met Gods geopenbaarde wil. — Matth. 11:28-30; Hebr. 1:9.
Jezus’ openhartige commentaren konden dan ook mensen helpen. Stel voor dat u bij de bediening van een gevaarlijke machine een ernstige fout maakt; zou u dan niet blij zijn als iemand u zou corrigeren vóór er een rampzalig ongeluk was gebeurd, met misschien wel uzelf of anderen? Zo konden ook joden die Jezus’ oprechte kritiek aanhoorden, geholpen worden op de weg van Gods goedkeuring en redding te komen.
Was alleen Jezus bevoegd tot het uiten van dergelijke kritiek? Neen, want de bijbel toont duidelijk aan dat ook Jezus’ discipelen de aandacht vestigden op religieuze dwaling. Men leze slechts met hoeveel vrijmoedigheid Stéfanus de joodse leiders veroordeelde (Hand. 7:51-54). En merk op dat Paulus de afgoden-aanbidding van de Atheners als „onwetendheid” brandmerkte (Hand. 17:29, 30). Uit liefde voor de waarheid veroordeelden deze eerste-eeuwse christenen ook afwijkingen van de ware christelijke leer wanneer die werden gebracht door mensen die beleden christenen te zijn. — 1 Tim. 1:19, 20; 2 Tim. 2:16-19.
Wat had u echter gedaan als u toen had geleefd en Jezus’ volgelingen hadden kritiek gehad op de religie van uw vrienden en familieleden? In deze tijd zou het makkelijk zijn geweest daar aanstoot aan te nemen, toch kunnen we niet ontkennen dat de commentaren van de discipelen — hoe kritisch ze ook waren — waarheid vormden en zijn opgenomen in het Woord van God. Net als in het geval van Jezus, was het motief achter de kritiek goed. De discipelen handelden dus christelijk en niet onchristelijk toen ze op religieuze fouten wezen.
Is het dan, consequent geredeneerd, nu onchristelijk om bijbelse kritiek op andermans geloof te hebben? Het schriftuurlijke antwoord moet Nee luiden. Kritiek waarmee fouten in de leer of praktijken van iemands religie worden blootgelegd, lijkt misschien in eerste instantie hard. Maar hoe dient onze reactie te zijn? Niet zoals degenen die razend werden over de kritiek van Stéfanus. Let daarentegen eens op de voortreffelijke reactie van bepaalde Atheners die Paulus’ kritiek op hun aanbidding hadden aangehoord. Zij aanvaardden de bijbelse waarheid en werden gelovigen, wat leidde tot hun eeuwige zegen. — Vergelijk Handelingen 17:11, 12.
Kritiek die is gebaseerd op Gods Woord, is derhalve verre van onchristelijk en verdient het om zorgvuldig onderzocht te worden, aangezien ze ware zegeningen tot gevolg kan hebben.