Hoe het was op Cyprus
IK WOON in een klein dorpje aan de noordkust van Cyprus, slechts op iets minder dan 2 1/2 kilometer afstand van de druk bezochte schilderachtige plaats Kyrenia. Op een heldere dag kan men van hieruit over de Middellandse Zee het vasteland van Turkije zien — een afstand van ongeveer 65 kilometer.
Hoewel ik de Engelse nationaliteit bezit, heb ik reeds vele jaren op Cyprus doorgebracht. Mijn eerste bezoek aan dit eiland dateert van 1948. Toen Cyprioten in de jaren vijftig voor hun onafhankelijkheid vochten, was de situatie op het eiland vaak gevaarlijk — maar toch niets vergeleken met de recente gebeurtenissen.
„Eerste rang” bij de invasie
Het begon allemaal op 20 juli zaterdagmorgen. Ik was om half vijf opgestaan en mijn eerste blik gold de Turkse kust. Wij verwachtten oorlog, vanwege de politieke gebeurtenissen zoals die zich vanaf maandag ontwikkeld hadden. Maar zo op het eerste gezicht was er niets vreemds te zien. Dit zou echter spoedig veranderen.
Om vijf uur ’s morgens vloog er laag een vliegtuig over. De aarde schudde. Er waren bommen afgeworpen. We deden de radio aan en hoorden op een Turks station vertellen dat de invasie was begonnen.
Mijn metgezel en ik zaten „eerste rang”. We zagen hoe Turkse oorlogsschepen de kust bombardeerden en vliegtuigen het land indoken, op welke momenten we snel plat op de vloer gingen liggen, omdat dan enkele ogenblikken daarna het huis schudde van de afgeworpen bommen.
Gelukkig was onze kustlijn niet het doel van de aanval, maar lag dit wat verderop, ten westen van Kyrenia. Alleen een Grieks-Cypriotisch kamp langs de weg vlak bij ons huis moest het ontgelden. Toen vliegtuigen het beschoten, lieten wij ons opnieuw op de vloer vallen. Toen we opstonden zagen we rookwolken van het kamp opstijgen.
De lucht was nu gevuld met vliegtuigen. We keken omhoog en zagen de eerste helikopter-golven aankomen om troepen en uitrusting op het eiland te droppen, juist achter de meer dan 900 meter hoge rotsketen van het Kyrenia-gebergte, dat een natuurlijke afscherming vormt tussen Kyrenia en de omliggende dorpen. De hoofdstad Nicosia ligt op slechts enkele kilometers afstand aan de andere kant van de bergen. Op een bepaald moment waren wel meer dan vijftig helikopters in de lucht. Toen ze hun lading hadden gedropt, keerden ze weer terug naar zee.
Die avond hing er in de lucht de dreiging van naderend onheil en heel veel buren trokken dan ook naar ons huis, hun beddegoed meenemend. Wij troostten moeders die vreesden voor het leven van hun zoons in militaire dienst. De elektriciteit was afgesneden en we durfden zelfs geen kaars aan te steken.
Gezamenlijk waren wij ooggetuigen van een van de zwaarste gevechten van de invasie. Turken en Grieken vochten om de weg naar de hoofdstad, die recht voor ons in de bergen lag. Kogels gloeiden rood op wanneer ze onophoudelijk heen en weer ketsten tussen de bergtoppen aan beide kanten van de pas. De berghellingen, droog van de zomerhitte, vatten spoedig vlam. Ten slotte gloeiden ze als een oven, aangewakkerd door een zachte avondbries.
Zondag
Bij het aanbreken van de dag zagen wij helikopters nieuwe versterkingen van Turkse troepen aanvoeren. Dit was de dag voor onze geregelde bijbelstudie aan de hand van het tijdschrift De Wachttoren. En ofschoon de aarde schudde onder de bommen die vanuit in zee gelegen schepen op de kust werden afgevuurd, begonnen we aan onze studie. Tot onze verbazing hield het bombardement tijdens onze studie op, en ving pas na het slotgebed weer aan.
Bij het vallen van de avond vroegen wij ons af wat er nu zou gaan gebeuren. We wisten het spoedig. Om zeven uur ’s avonds ontving ons dorp het bericht dat Kyrenia in Turkse handen was gevallen en Turkse troepen opmarcheerden in onze richting. Er ontstond enige paniek, vooral toen vrouwen en kinderen uit wanhoop begonnen te huilen. Er kwamen echter vrachtauto’s om de bewoners naar een veiliger streek te brengen. Mijn metgezel en ik namen een deken, een jerrycan met water en de restanten mee van een kip die we bij de lunch hadden gegeten en begaven ons op weg naar een dorpje op de berghelling.
Het was er rustig. Slechts enkele gewapende inwoners waren overgebleven. De rest was gevlucht. Mijn metgezel had hier een oom wonen, maar ook die zou wel weggegaan zijn, zo dachten we. Wat een verrassing echter toen we de deur openden en daar de voltallige familie aantroffen: oom, tante, hun twee dochters en hun zoon — die er bij ons op aandrongen die nacht bij hen te blijven! Zij waren het enige gezin in het dorp geweest dat had besloten naar huis terug te keren, na de voorgaande nacht met duizenden anderen op het open veld te hebben doorgebracht.
Wij besloten op het platte dak te gaan slapen, aangezien het binnen broeierig warm was vanwege de zomerhitte. Onder een hemel verlicht door bosbranden brachten wij een rusteloze nacht door. Er werd sporadisch geschoten en een onaangename geur van dichte rook trok over het land.
Maandag
De volgende dag leek rustig in vergelijking met zaterdag en zondag. Wij besloten derhalve naar huis terug te keren om wat kleding bijeen te zoeken. Bij nadering van ons dorp werden wij achterop gereden door drie auto’s uit Kyrenia, die op weg waren naar het strand, waar Britse helikopters gestrande toeristen opnamen.
De bestuurder van de eerste auto vertelde ons dat er reeds Turkse tanks in ons dorp waren, zodat wij in eerste instantie besloten naar het huis van de oom van mijn vriend terug te keren. Wij veranderden echter van gedachten toen een politieman die wij ontmoetten, ons vertelde dat de Turkse soldaten ons dorp nog ongemoeid hadden gelaten. En inderdaad, toen wij thuis kwamen vonden wij nog alles intact. Wij zagen zelfs geen enkele Turkse soldaat. Dat duurde echter niet lang.
Maar waarom waren ze gekomen? Door welke politieke beroering was deze ontzagwekkende tragedie ontstaan?
De staatsgreep
Er broeide al lang politieke onrust op Cyprus, en slechts enkele dagen daarvoor was het tot een uitbarsting gekomen. De Cyprische president Makarios, tevens aartsbisschop van de Grieks-Orthodoxe Kerk, had al enige tijd gevreesd dat vijanden van plan waren hem van de troon te stoten. En deze verwachte staatsgreep brak inderdaad op maandag, 15 juli uit.
Het was om half acht ’s morgens dat een vriend van mij in Nicosia, zoals hij vertelde, de eerste schoten hoorde. Daarna klonken er granaatontploffingen in de omgeving van het presidentiële paleis. Op de radio werd aangekondigd dat de Nationale Garde regelend was opgetreden om het Cypriotische volk te bevrijden.
Om ongeveer 10 uur ’s morgens kwam het bericht dat president Makarios gedood was. In werkelijkheid was hij er echter in geslaagd uit zijn paleis te ontvluchten naar zijn geboorteplaats Paphos op een ander deel van het eiland. Vandaar riep hij de bevolking per radio op om terug te strijden. Daarna werd hij, naar verluidt, per helikopter naar een Britse basis overgebracht en vandaar naar Engeland gevlogen.
De staatsgreep duurde twee dagen en de Nationale Garde nam in alle Griekse delen van Cyprus het heft in handen. Snel vulden de ziekenhuizen zich met gewonden. Het aantal doden was hoog; minstens 2000 personen waren, aldus een voorzichtige schatting, gedurende de twee dagen gesneuveld.
Religie en de staatsgreep
Vorig jaar had Makarios drie bisschoppen afgezet en uit hun ambt ontslagen, namelijk de bisschop van Paphos, van Larnaca en van Kyrenia, en vier nieuwe bisschoppen voor hen in de plaats aangesteld. Nu waren de drie afgezette bisschoppen teruggekeerd, terwijl een van hen zelfs de nieuwe president, Nikos Sampson, in zijn ambt beëdigde. Het is niet onwaarschijnlijk dat deze drie bisschoppen de aanstichters zijn geweest van de arrestatie en gevangenneming van de door Makarios aangestelde bisschoppen. Het „zuiveren” van de Kerk was volgens Sampson zelfs een van de doeleinden die zijn regering zich had gesteld.
De religie was kennelijk intensief bij de staatsgreep betrokken, want Getuigen berichten dat zij anti-Makariospriesters hebben gezien met wapens in de hand, die een rechtstreeks aandeel hadden aan het doden van tegenstanders en zelfs leiding gaven aan de gevechten. Het Kykkos-klooster is momenteel doorzeefd met kogelgaten van beschietingen door leden van de Nationale Garde, die daar vochten tegen soldaten en priesters die vóór Makarios waren.
Versnelling van de invasie
De politieke staatsgreep zette de deur open voor de invasie. Hoe dat?
Wel, Cyprus is een klein eiland met gescheiden bevolkingsgroepen. Op het eiland woont een meerderheidsbevolking bestaande uit zo’n 520.000 Griekse Cyprioten, en een minderheid van ongeveer 120.000 Turkse Cyprioten — twee groepen tussen wie herhaaldelijk moeilijkheden zijn. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Rauf Denktas, de leider van de Turks-Cypriotische gemeenschap, het presidentschap van Sampson weigerde te erkennen. Hij deed openlijk een beroep op Turkije en Engeland om deze man te verwijderen.
Turkije antwoordde met een overweldigende invasie van troepen ten behoeve van de Turkse minderheid op het eiland. Snel hadden de Turken de macht in handen, zeker in ons gebied rond Kyrenia.
Ontmoetingen met Turkse militairen
Om na deze uitweiding weer op mijn verhaal terug te komen: Zoals ik reeds zei, gingen wij ’s maandags terug naar ons huis in Kyrenia, zonder een Turkse soldaat te zien. De volgende dag echter, kwamen zes van hen op ons huis toegewandeld. Ik maakte me als Engelsman niet zozeer zorgen over mezelf, als wel over mijn Grieks-Cypriotische vriend. Met een geweerloop op me gericht, legde ik met gebaren en een paar Turkse woorden uit dat dit een Engels huis was. Ten slotte hadden zij het over „sigaret”. Ik kon hen echter niet van dienst zijn, en zij gingen verder.
Zo verstreek er een week waarin we weinig nieuws vernamen. We hadden geen brood, maar onze buren waren gevlucht, zodat we ons ontfermden over de eieren die hun kippen in grote overvloed hadden gelegd. Er waren ook ruimschoots voldoende tomaten, komkommers en meloenen. En gelukkig hadden we nog een tank vol water. Want ook de watervoorziening was afgesloten.
Ten slotte kregen we bericht dat we Kyrenia konden bezoeken. Onze voornaamste zorg gold onze mede-getuigen van Jehovah. Zouden zij er nog zijn? De stad was stil en verlaten. Maar tot onze grote opluchting troffen wij een gezin van zeven Getuigen thuis. Wat waren wij allemaal blij elkaar weer te zien! De tranen rolden ons over de wangen toen we elkaar omhelsden. We brachten de dag samen met hen door en keerden toen naar huis terug.
De volgende dag begaven we ons opnieuw naar hun woning. Na met elkaar de bijbeltekst voor die dag te hebben besproken, gingen we vanwege de hitte buiten op de veranda zitten. We zaten nog maar net, toen er drie Turkse soldaten op ons afkwamen. Ik vroeg of ze Engels spraken. Een van hen een beetje. Ik zei hem dat ik een Engelsman was. Met zijn geweer volgde hij al mijn bewegingen toen ik opstond om mijn pas te pakken. Een ander trok zijn pistool. Zij vroegen wie wij allemaal waren en of we ook andere soldaten hadden gezien.
Net op dat moment liepen twee Turkse Cyprioten, die het gezin kenden, door de straat voorbij. De vrouw van de man riep hen en vroeg hun de Turkse soldaten uit te leggen wie wij waren. Na enkele zeer spannende ogenblikken vertrokken de soldaten, na ons echter te hebben gezegd binnenshuis te blijven.
Rond de middag kwamen enkele buren naar ons toegesneld om mij te smeken iets voor hen te doen omdat ik Engelsman was. Kon ik niet naar het hotel gaan waar de Verenigde Naties en het Rode Kruis 650 personen in bescherming hielden?
Mijn vriend en ik stemden toe. We zouden het proberen. We kwamen bij het hotel aan, dat omgeven bleek door V.N.-strijdkrachten. Ik werd begeleid tot voor het hoofd van de V.N.-troepen, die zei dat hij zou doen wat hij kon om ons te helpen. Voor mijn Griekse vriend zou het echter niet veilig zijn, zo zei hij, om weer de bescherming van het hotel te verlaten.
Ten slotte gingen we in een Rode Kruis-auto op weg om de mensen op te halen. We bereikten de plek en namen snel zesentwintig personen in de auto. We wisten dat we geen tijd te verliezen hadden. We reden als een haas terug naar het hotel en waren ontzettend blij en dankbaar daar weer veilig aan te komen. Ook ik bleef nu in het hotel, daar het niet veilig leek op eigen houtje naar huis terug te keren.
Tijdens ons verblijf in het hotel hielden we elkaar geestelijk sterk door gezamenlijk de dagtekst te bespreken uit het Jaarboek van Jehovah’s getuigen. We hadden ook veel gelegenheid om met de mensen in het hotel over onze hoop op Gods koninkrijk te spreken (Matth. 6:9, 10; Dan. 2:44; Openb. 21:3, 4). Sommigen kwamen daarvan erg onder de indruk en vertelden aan iedereen hoe Jehovah’s getuigen van Kyrenia hulp boden aan mensen in de zwaarste ogenblikken in hun leven.
Verschrikkingen van de oorlog
Na verscheidene dagen in het hotel te hebben doorgebracht, kregen dertig van ons een vrijgeleide aangeboden naar Nicosia. Onder zware bescherming vertrokken we. Kyrenia’s vrolijke toeristenstraatjes waren leeg en verlaten. Overal lagen vernielde bezittingen en men rook de stank van rottend voedsel.
Langs de weg naar Nicosia waren de tekenen van het gevecht nog duidelijk zichtbaar. Huizen van rijke eilandbewoners waren vernield, of, als ze nog overeind stonden, volledig geplunderd. De berghellingen waren één geblakerde woestenij.
Iedere buspassagier had zijn eigen verhaal. De man van een Engelse vrouw was neergeschoten en dagenlang had zij met haar kleine zoontje in de bergen rondgezworven. Al die tijd had zij gedacht dat haar man dood was, maar zojuist was haar verteld dat een V.N.-patrouille hem had gevonden en dat hij naar Engeland was overgevlogen om daar te herstellen. Vele anderen waren niet zo gelukkig.
Ten slotte kwamen we bij de grens tussen de Turkse en Griekse wijken van Nicosia. We gingen de bus uit en legden de laatste 200 meter naar het hotel te voet af. Ik belde het bijkantoor van Jehovah’s getuigen op, vanwaar vrienden me binnen enkele minuten kwamen ophalen.
Na een staakt-het-vuren van meer dan twee weken, braken op 14 augustus wederom op grote schaal gevechten uit. Die woensdagmorgen begonnen de Turken om 4.45 uur met een bombardement op Nicosia. Hun leger rukte in twee richtingen op: naar Famagusta en Lefko. Tegen vrijdag hadden ze hun doel bereikt en gingen ze over tot een eenzijdige wapenstilstand. Het bovenste derde deel van het eiland was nu in hun handen.
Maar ook meer dan een derde deel van de eilandbevolking leidde toen een gedwongen vluchtend bestaan. Hele dorpen waren leeg. Tot vóór de oorlog waren er op Cyprus veertien gemeenten van Jehovah’s getuigen, maar de 266 Getuigen van de gemeenten in Kyrenia, Famagusta, Morphou en Trachona hebben alles verloren, ook hun Koninkrijkszalen. Het bleek eveneens noodzakelijk om het bijkantoor te verlaten. We zijn echter dankbaar dat, naar we hebben vernomen, geen enkele Getuige het leven verloren heeft.
Oorlog is inderdaad afschuwelijk, zoals honderdduizenden Cyprioten nu persoonlijk hebben ervaren. Wat een zegen zal het zijn wanneer de mens, in vervulling van Gods belofte, de oorlog nooit meer zal leren (Jes. 2:4). — Ingezonden.
[Kaart op blz. 12]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
TURKIJE
CYPRUS